-A +A

Lot beëindigingclausules in arbeidsovereenkomst sinds Wet op het Eenheidsstatuut

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidsrechtbank
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
woe, 25/05/2016

Wat is het lot van de beëindigingclausules in de arbeidsovereenkomst sinds de inwerkingtreding van de Wet op het Eenheidsstatuut (WES)?

De arbeidsrechtbank te Brussel oordeelde te dezen dat beëindigingsclausules in de zin van het vroegere artikel 82 §5 Arbeidsovereenkomstenwet gesloten vóór 1 januari 2014 niet langer geldig zijn, gelet op de inwerkingtreding van de Wet op het Eenheidsstatuut (WES).

De rechter te dezen oordeelde op basis van een tekstargument dat de artikelen 68 lid 3 en 69 lid 2 WES duidelijk zijn en geen ruimte laten voor afwijking.

In het vonnis erkent de rechter erkent dat de wetgever in de memorie van toelichting bij de WES wel de wil heeft uitgedrukt om rekening te houden met beëindigingsclausules, maar, zo oordeelt de rechter deze intentie is niet terug te vinden in de tekst van de wettekst. De rechtbank oordeelt dat de rechter niet de reparatiedienst is van de wetgever, laat staan dat de rechter in weerwil van een duidelijke wettekst intenties in een wet moet lezen die er niet in staan.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Jaargang: 
2016
Pagina: 
929
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arbrb. Brussel (Nl.) 25 mei 2016, NjW 2016, 929.

De heer e.c. [ ... ]

eiser op hoofdeis, verweerder op tegeneis [ ... ]

tegen:

Alpha lnsurance NV, [ ... ]

verweerster op hoofdeis, eiser op tegeneis (Alpha'),

[ ... ]

De heer e.c. trad op 17 mei 2010 in dienst van Nationale Suisse Verzekeringen NV, de rechtsvoorgang van Alpha, als Claims non-life professional. Hij werd hiertoe benaderd door een headhunter, gelet op zijn lange carrière in de verzekeringswereld (sinds 1979). Nationale Suisse had als activiteit in België het onderschrijven van risico's leven en niet-leven via een netwerk van makelaars, onderschrijvingsagentschappen en financiële tussenpersonen.

In 2014 nam de Nationale Suisse groep de beslissing om zich van de Belgische markt terug te trekken en werd ze verkocht aan de Amerikaanse groep Enstar. Sinds 18 november 2015 is Nationale Suisse gekend onder de benaming Alpha Insurance.

Na verloop van tijd werd de heer C.C. als Team Leader van de Claims afdeling tewerkgesteld.

Op 29 november 2013 sloten partijen een overeenkomst betreffende 4/5 ouderschapsverlof. De heer was vader geworden van een tweeling. De overeenkomst nam een aanvang op 1 januari 2014 en zou eindigen op 31 maart 2015.

Op 16 september 2014 vond een gesprek plaats tussen de heer C.C. en de CEO van Alpha, de heer G. en de heer J (Operation Excellence). Tijdens dit gesprek werd de heer C.C. meegedeeld dat hij niet lager voldeed als Team Leader. Een tweede gesprek vond plaats met de HR Manager, mevrouwD.

Later die dag heeft de heer C.C. bedrijfsgoederen ingeleverd.

Per aangetekende brief van 16 december 2014 bevestigde Alpha haar beéindigingsbeslissing, en steunde zich hierbij op de volgende motieven:

"Verwijzend naar het onderhoud dat u vandaag gehad heeft met WG., CEO en R., Head Operational Excellence bevestigen wij hierbij dat wij een einde stellen aan uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang.

Wij stellen vast dat u enerzijds niet in slaagt om zowel eigen werk als werk van uw team efficiënt te organiseren evenals het juist inschatten van prioriteiten en anderzijds dat u tevens op herhaaldelijke wijze nalatig bent geweest in het beheer van uw schadedossiers.

Het bezorgen van accurate informatie aan de directie op basis waarvan de juiste beslissingen kunnen worden genomen, lukt niet.

We lichten u aan de hand van concrete voorbeelden toe

Organisatorische inefficiëntie:

We hebben tijdens uw verlofperiode in uw kast onbehandelde post teruggevonden van een aantal jaren geleden. Wat totaal niet aanvaardbaar is.

Op 31.05.2014 stonden er +/- 800 schadedossiers open in uw beheer. Op twee maanden tijd werden 75 % van deze dossiers afgesloten door een externe schadebeheerder. Op 01.09.2014 staan er nog 230 dossiers open in uw beheer, met inbegrip van de tijdens de bovengenoemde periode nieuwe dossiers.

Herhaalde nalatigheden in het beheer van de schadedossiers:

Schadedossier nr 10/3108099 van 09.12.2010: kind wordt omvergereden door verzekerde van de maatschappij. Kind is zwaar gewond. U stelde geen medisch expert en er werd nooit een provisie uitbetaald. Uiteindelijk is het de rechtbank die vier jaar na datum een medisch expert aanstelt zijn rapport (4 jaar later) deel uit van het repressief dossier. Schadedossier nr 11/3100664: moeder is onze verzekerde, rijdt met de auto en is verantwoordelijk voor het ongeval, vader en één kind overlijden, twee andere kinderen zijn zwaar gewond. Er werd nooit een medisch expert aangesteld noch een werd er een provisie uitbetaald. Schadedossier 12/3100762: onze verzekerde rijdt een stilstaande wagen aan en pleegt vluchtmisdrijf Twee weken later ontvangen we een PV waaruit blijkt dat er lichamelijke letsels zijn. Materiële schade is twee maanden later geregeld. Het dossier wordt afgesloten. Niets wordt ondernomen om na te gaan wie de verwonden zijn en wat de natuur is van de verwondingen. Het dossier moet meer dan twee jaar later opnieuw geopend worden door de externe schadebeheerder om de lichamelijke schade te kunnen regelen.

Schadedossier 11/3104561: derde partij verantwoordelijk voor de schade, onze verzekerde wordt in omnium uitbetaald. Er wordt een ingebrekestelling naar Frankrijk gestuurd maar zonder enige reactie. De 4de Directive, is dus van toepassing en de ingebrekestelling dient naar de Belgische correspondent worden opgestuurd. Dit gebeurt een kleine drie jaar later door een externe schadebeheerder.

Niet kunnen organiseren van het werk van het team:

U vroeg twee voltijdse studenten aan voor de zomerperiode 2014. Uiteindelijk werd budget goedgekeurd voor één parttime studente. De studente start wanneer u met vakantie bent. Deze komt na de eerste dag reeds aangeven bij Human Resources geen werk te hebben en vraagt of ze niet naar een andere dienst kan overgeplaatst worden. Uw medewerkers zijn meermaals komen melden dat ze niet wisten welk werk aan de studente te geven en ook geen tijd hadden om iets te bedenken. U heeft ook geen instructies achtergelaten.

Medewerkers klagen op geregelde basis het gebrek aan organisatie van de dienst aan zonder dat er maatregelen worden genomen die het gewenste resultaat behalen.

U begrijpt dat gelet op het bovenstaande, het wederzijds vertrouwen onherroepelijk is verbroken en dat een verdere samenwerking niet meer mogelijk is. Hoewel deze feiten in principe een dringende reden voor ontslag uitmaken, zijn wij niettemin bereid om u een opzeggingsvergoeding toe te kennen, conform de wettelijke bepalingen van kracht.

Alle sociale documenten en uw finale afrekening zullen u per post toegestuurd worden.

Gelieve onmiddellijk alle materiaal en voorwerpen die eigendom zijn van de maatschappij met inbegrip van badges, sleutels, IT materiaal alsook documenten en alle mogelijke kopieën hiervan terug te bezorgen aan de maatschappij.

Wij herinneren u tevens aan uw plicht tot geheimhouding van beroepsaangelegenheden alsook de plicht tot ontzegging van het openbaar maken of het gebruiken voor persoonlijke doeleinden van alle data met betrekking tot klanten, gegevens van de organisatie, werkmethoden of zakengeheimen eigen aan de maatschappij. Voorts bent u gerechtigd op een outplacementbegeleiding. Hieromtrent kunt u contact opnemen met het sectoraal fonds Fopas op het volgende adres:

(. . .)"

Naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, betaalde Alpha aan de heer C.C. de volgende bedragen uit:

25.194,61 euro bruto als verbrekingsvergoeding,

11.284,08 euro bruto als schadevergoeding overeenkomstig artikel 15 cao van 6 december 2010 (pc 306).

Bij brief van 28 oktober 2014 werd Alpha in gebreke gesteld door de raadsman van

de heer C.C. tot betaling van een aantal vorderingen inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

De raadsman van Alpha antwoordde bij brief van 15 december 2014. Alp ha stelde op haar beurt de heer C.C. in gebreke wegens vermeende beroepsfouten in hoofde van de heer C.C.

Aangezien partijen niet tot een akkoord kwamen, heeft de heer C.C. op 9 maart 2015 de zaak aanhangig gemaakt bij de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel.

4. BESPREKING

4.1. Aanvullende verbrekingsvergoeding

De heer C.C. vordert een aanvullende verbrekingsvergoeding van 76.154,68 euro bruto. Volgens de heer C.C. heeft hij ingevolge artikel 16 van zijn arbeidsovereenkomst recht op een verbrekingsvergoeding gelijk aan 9 maanden + 6 maanden loon. Tevens argumenteert de heer C.C. dat de verbrekingsvergoeding moet worden berekend op basis zijn hypothetisch voltijds loon.

Alpha meent dat de reeds uitbetaalde verbrekingsvergoeding van 4 maanden en 6 weken loon ruimschoots voldoende is. Volgens Alpha doorstaat artikel 16 van de arbeidsovereenkomst niet de toets met de wet eenheidsstatuut. Naar het oordeel van Alpha moet artikel 16 van de arbeidsovereenkomst zo worden geïnterpreteerd, dat de heer C.C. hoogstens aanspraak kan maken op 9 maanden verbrekingsvergoeding en 6 maanden werkzekerheidsvergoeding zoals voorzien in artikel 15 cao van 6 december 2010 (pc 306).

[ ... ]

4.1.2. Duur opzeqgingstermiin

In toepassing van het toenmalig artikel 82, § 5 Arbeidsovereenkomstenwet, zijn partijen een beëindigingsclausule overeengekomen.

Artikel 16 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt (stuk nr. 3 de heer C.C.):

"Onderhavig contract bepaalt tevens de opzeggingstermijn, in geval van opzeg of verbreking vanuit de werkgever, die tussen partijen bij aanvang van de overeenkomst is bepaald op 9 maanden en 6 maanden "clausule werkzekerheid".

Partijen betwisten dat niet dat artikel 16 van de arbeidsovereenkomst beantwoordt aan de geldigheidsvoorwaarden van het toenmalig artikel 82,§ 5 Arbeidsovereenkomstenwet.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of een dergelijke clausule onverminderd kan blijven gelden, gelet op de inwerkingtreding van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenszdag en de begeleidende maatregelen ('Wet Eenheidsstatuut') op 31 december 2013. Artikel 68 lid 1 Wet Eenheidsstatuut bepaalt dat het eerste deel van de opzeggingstermijn wordt berekend in functie van de onderbroken dienstanciënniteit verworven op 31 december 2013.

Het tweede lid bepaalt dat de opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum.

Het derde lid bepaalt dat voor de bedienden van wie het jaarlijks loon 32.254 euro overschrijdt op 31 december 2013, wordt die termijn, in afwijking van het tweede lid, vastgesteld op een maand per begonnen jaar anciënniteit bij opzegging door de werkgever, met een minimum van drie maanden.

Volgens de bewoordingen van de Wet Eenheidsstatuut, en zoals ondertussen genoegzaam gekend, moet de opzeggingstermijn in 2 stappen worden berekend. Artikel 68, lid 2 BW voorziet uitdrukkelijk dat voor stap 1 rekening moet worden gehouden met de conventionele regels die gelden op 31 december 2013. Echter, in het derde lid is voor de hogere bedienden geen afwijkende bepaling voorhanden, die uitdrukkelijk verwijst naar de mogelijkheid tot toepassing van de conventionele regels.

Volgens de letterlijke bewoordingen van artikel 68 lid 3 Wet Eenheidsstatuut moet de opzeggingstermijn voor stap 1 steeds berekend worden overeenkomstig de regel van één maand per begonnen anciënniteit, met een minimum van drie maanden. Een rechtsgeldig tot stand gekomen beëindigingsbeding kan hier niet van afwijken.

Een dergelijk standpunt ligt in lijn met het advies van de Raad van State van 6 november 2013 (Advies van de Raad van State nr. 54.23111 van 6 november 2013, Parl.St. Kamer, 2013-2014, doc,53F-144/001):

"( ... ) Bijgevolg zou kunnen gesteld worden dat het ontwerpen artikel 68, derde lid, afbreuk doet aan de verworven rechten van de hogere bedienden die in dienst zijn getreden vóór 31 december 2013 en die op dat ogenblik met hun werkgever een geldige opzeggingstermijn hebben vastgelegd bij overeenkomst, maar die pas na 1 januari 2014 door de werkgever worden ontslagen."

Zoals de heer C.C. terecht opmerkt in conclusies, staat in de memorie van toelichting te lezen dat de wetgever een van de Raad van State afwijkend standpunt heeft ingenomen (Parl.St. 2013-2014, doe 53-3144/001,44):

"( ... ) Wat betreft de opmerking van de Raad van State met betrekking tot artikel 68, moet eraan herinnerd worden dat deze bepaling deel uitmaakt van de overgangsregeling die rekening houdt met de legitieme verwachtingen van de partijen van wie de arbeidsovereenkomst en uitgevoerd vóór 1 januari 2014. Een legitieme verwachting houdt in dat de overeengekomen clausules worden gerespecteerd. Alle geldige clausules die bestaan op 31 december 2013 blijven dus onveranderd en het is op basis hiervan dat de rechten worden bepaald voor het verleden."

De wetgever heeft aldus de wil uitgedrukt om rechtsgeldig overeengekomen beëindigingsclausules ook na 31 december 2013 te laten voortbestaan, hierbij steunend op de legitieme verwachtingen van partijen.

De rechtbank stelt achter vast dat de visie van de wetgever, zoals verwoord in de memorie van toelichting, niet wordt weerspiegeld in artikel 68 lid 3 Wet Eenheidsstatuut.

De vraag is of een memorie van toelichting zonder meer kan afwijken van een duidelijke wettekst.

In navolging van vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie, meent de rechtbank dat dit niet mogelijk is (Vergelijk onder meer: Cass. 21 april 1960, Pas. 1960, 1, 966; Cass. 30 juni 2006, AR nr. C.05.0117.F, www.juridat. be). Het betreft hier een loutere toepassing van de duidelijke tekst-doctrine. Dat de wettekst duidelijk is, in die zin dat er geen dubbelzinnige of onnauwkeurige bewoordingen worden gehanteerd, is niet voor ernstige betwisting vatbaar.

Bovendien hebben parlementaire voorbereidingen geen normatieve kracht. Het is naar het bescheiden oordeel van de rechtbank niet mogelijk om in de parlementaire voorbereidingen af te wijken van een duidelijke wettekst, of om in een uitzonderingsregime te voorzien.

Het is niet de taak van de rechter om een vergetelheid van de wetgever recht te zetten in weerwil van een duidelijke wettekst.

Artikel 68, derde lid Wet Eenheidsstatuut voorziet in geen enkele afwijkingsmogelijkheid om alsnog rekening te houden met een beëindigingsclausule die in de arbeidsovereenkomst is opgenomen.

Wat de berekening van de opzeggingstermijn volgens stap 2-betreft, moet een gelijkaardige renedering worden gehanteerd.

Volgens artikel 69, lid 2 Wet Eenheidsstatuut, moet het tweede deel van de opzeggingstermijn ter compensatie van de anciënniteit opgebouwd vanaf 1 januari 2014 vastgesteld worden volgens de wettelijke of reglementaire regels die gelden op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging.

Zoals Alpha terecht opmerkt, wordt in artikel 69, lid 2 Wet Eenheidsstatuut niet langer verwezen naar conventionele regels, maar enkel naar wettelijke of reglementaire regels.

Aangezien een beëindigingsclausule in de arbeidsovereenkomst een wettelijke of reglementaire regel is, kan een dergelijke clausule niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de opzeggingstermijn van stap 2.

De beëindigingsclausule, zoals opgenomen in artikel 16 van de arbeidsovereenkomst, moet buiten toepassing worden gelaten.

Bijgevolg is de discussie tussen partijen omtrent de interpretatie en de draagwijdte van artikel 16 van de arbeidsovereenkomst niet langer relevant.

In toepassing van de Wet Eenheidsstatuut, heeft de heer C.C. recht op een verbrekingsvergoeding gelijk aan 4 maanden (23.762,32 eur eken (8.225,40 euro), zoals correct werd berekend door Alpha.

4.1.3. Verschuldigde verbrekinqsvergoeding

De heer C.C. heeft recht op een verbrekingsvergoeding van 31.987,72 euro bruto.

Alpha heeft reeds een bedrag van 25.194,61 euro bruto aan de heer C.C. uitbetaald.

De heer C.C. heeft recht op een saldo verbrekingsvergoeding van 6.793,11 euro bruto.

De vordering van de heer C.C. is gedeeltelijk gegrond.

[ ... ]

 

Noot: 

Stijn Demeestere, Aline Van Bever en Heleen Franco, Beëindigingclausules in de arbeidsovereenkomst, NJW 2016, 933

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 26/05/2018 - 14:04
Laatst aangepast op: vr, 15/06/2018 - 23:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.