-A +A

Loondiefstal op bevel van werkgever om arbeiders in het zwart te betalen, geen dringende reden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/05/2003

Overwegende dat V. H. H. (PV 29.9.1997, nr. 100884) verklaarde dat er onderling geld werd gewisseld van de kassa van de bakkerij en de taverne.

Ook zij verklaart dat zij van S. de opdracht kreeg om van tijd tot tijd sommige dingen niet in te tikken in de kassa vooral koffie, snacks en ijs in dozen per liter.

Ook J. S. beaamt in zijn verhoor dat sommige zaken niet mochten ingetikt worden in de kassa o.a. ijs per liter. Dit was volgens Stroobants omdat dit een ander BTW % was. Uit een aandachtige lezing van de volledige strafbundels blijkt dat geïntimeerde inderdaad sommige bedragen niet intikte in de kassa (o.a. ijs per liter sommige aankopen na betaling van bestellingen.

Uit deze bundels blijkt evenwel dat de zaakvoerders hiervan op de hoogte waren en hier zelfs opdracht toe gaven (o.a. van ijs per liter). Verder blijkt dat de zaakvoerders zelf alsook de werknemers meermaals per dag wisselgeld uit de kassa van de bakkerij haalden o.a. voor de taverne The Cosy, zodat deze vaak werd geopend zonder verkoop.

Uit geen enkele verklaring is volgens het Hof evenwel bewezen dat geïntimeerde geld uit de kassa van appellante zou hebben weggenomen of achtergehouden en dat zij dit geld zou hebben gebruikt voor privé-doeleinden.

Uit het geheel der strafbundels blijkt kortom dat in de taverne The Cosy en in de bakkerij een aanzienlijke onzorgvuldigheid heerste i.v.m. het manipuleren van de kassa's zowel door het personeel als door de zaakvoerders zelf; ondanks de veelvuldigheid der verhoren, verricht tijdens het gerechtelijk onderzoek, stelt het Hof vast dat geen enkele verklaring bewijst dat geïntimeerde geld aan de kassa van appellante zou hebben ontvreemd om het voor privé-doeleinden te gebruiken.

Ook de verklaringen van de klanten, afgelegd op verzoek van appellante en nadien verhoord door de Gerechtelijke Politie (S. I., PV 16.6.1998; B. P., PV 16.6.1998; V. P., PV 16.6.1998) bevatten geen bewijs van het feit dat geïntimeerde geld zou hebben ontvreemd aan de kassa van appellante, enkel van het feit dat zij hun niet altijd een kasticket bezorgde van de betaling van hun consumpties in de taverne.

Overwegende dat appellante in gebreke blijkt het bewijs te leveren van het aan geïntimeerde ten laste gelegd feit van diefstal door geldopname uit de kassa en niet intikken van verkopen en gelden hiervan gebruiken voor privé-doeleinden.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

 

 

 

  In de zaak:

  B.V.B.A. THE COSY, met zetel te 3071 KORTENBERG (Erps-Kwerps), Dorpsplein 5 en ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer 91.351;

  Appellante

  Tegen:

  G. C.

  Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mevr. I. Godts, volmachtdrager en syndicaal afgevaardigde voor het ACV-LBC, representatieve werknemersorganisatie met burelen te 3000 Leuven, L. Vanderkelenstraat nr. 32;

 

  Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest:

  - Gelet op de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken bij verstek t.o.v. huidig appellant door de 1e kamer B van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 17 september 1998 (AR 2394/98) en het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken bij verstel jegens appellant rechtdoende op haar verzet door de 1e kamer B van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 22 november 2001 (AR nr. 2886/98), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 22 mei 2002.

  - Gelet op de besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 26 juli 2002.

  - Gelet op de besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op 23 augustus 2002.

  - Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 4 april 2003. De partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

 

  I. DE FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN.

  Mevrouw G. trad in dienst bij BVBA The Cosy op 16 augustus 1995. Tussen partijen werd een arbeidsovereenkomst afgesloten voor werklieden.

  Aanvankelijk werd zij tewerkgesteld als arbeider in de taverne van BVA The Cosy. Einde 1996 - begin 1997 diende zij als verkoopster in de bakkerij te werken.

  Ondanks de statuutwijziging van arbeidster naar bediende die appellante niet betwist, bleef de werkgever mevrouw G. als arbeidster kwalificeren (zie loonbonnen).

  Op 5 augustus 1997 werd mevrouw G. op staande voet om dringende reden ontslagen door de werkgever. De reden van ontslag werd als volgt omschreven: "Diefstal o.a. geldopname uit de kassa en niet intikken van verkopen en gelden hiervoor gebruiken voor privé-doeleinden" (stuk 2 geïntimeerde).

  Bij aangetekend schrijven van 6 augustus 1997 deelde mevrouw G. haar werkgever mee geenszins akkoord te kunnen gaan met het ontslag om dringende reden. Zij ontkende ten stelligste de tenlastelegging als zou zij "geld uit de kassa hebben weggenomen".

  Zij vorderde via haar vakorganisatie de verbrekingsvergoeding, vakantiegelden en loon van feestdagen in hoedanigheid van bediende. Ondanks uitvoerige briefwisseling kon geen minnelijke regeling bereikt worden (stuk 13 t.e.m. 19 - geïntimeerde) zodat zij appellante op 28 juni 1998 dagvaardde voor de Arbeidsrechtbank te Leuven.

  Ondertussen had appellante klacht neergelegd bij de rijkswacht van Kortenberg wegens huisdiefstal, waarvan een PV werd opgemaakt op 4 augustus 1997.

  Ui het onderzoek blijkt dat meerdere personeelsleden werden ondervraagd, alsmede geïntimeerde. Tevens was er een huiszoeking bij geïntimeerde.

  Deze zaak, gekend onder nr. LE 14 60 100754/97 op het Parket van de heer Procureur des Konings, werd geseponeerd wegens onvoldoende bezwaren.

  Op 24 januari 1999 legde appellante klacht neer wegens huisdiefstal jegens geïntimeerde met burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter te Leuven.

  Partijen werden opnieuw verhoord en met elkaar geconfronteerd aangaande de tenlastelegging van appellante.

  Bij beschikking dd. 17 november 2000 besliste de Raadkamer van de Correctionele Rechtbank van Leuven dat er geen reden voor vervolging is van de werknemer. Deze beslissing is in kracht van gewijsde gegaan op 18 december 2000 (stuk 24 geïntimeerde).

  De Procureur des Konings vorderde voor de Raadkamer de buitenvervolgingstelling van mevrouw G. overwegende dat er generlei bezwaar bestaat, zoals blijkt uit het strafbundel.

  II. DE VONNISSEN A QUO.

  Met dagvaarding dd. 28 juni 1998 vorderde geïntimeerde veroordeling van appellante tot betaling van:

  1) Opzegvergoeding: 160.478 F bruto,

  2) Vakantiegeld bij uitdiensttreding: 50.697 F,

  3) Loon feestdag 15/8/1997: 2.132 F,

  te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten en de kosten, tevens de afgifte te bekomen van de sociale en fiscale documenten, dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

  Rechtdoende bij verstek jegens appellante, verklaart de eerste rechter bij vonnis dd. 17 september 1998 de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en veroordeelt appellante om aan geïntimeerde te betalen:

  1) Opzegvergoeding: 160.478 F bruto

  2) Vakantiegeld bij uitdiensttreding: 50.697 F bruto

  3) Loon feestdag 15/8/1997: 2.132 F bruto

  te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten.

  Zegt dat deze intresten dienen berekend te worden op de netto verschuldigde bedragen.

  Veroordeelt appellante tevens tot de afgifte van de sociale en fiscale documenten ad hoc.

  Legt de kosten ten laste van appellante.

  Zegt dat er geen aanleiding toe bestaat de voorlopige tenuitvoerlegging van huidig vonnis te bevelen.

  Op 28 september 1998 tekende appellante verzet aan tegen dit verstekvonnis.

  Op grond van artikel 751 Ger.Wb. werden partijen opgeroepen tegen de zitting van 20 januari 2000. De zaak werd toen tegensprekelijk uitgesteld naar 16 maart 2000 en op die datum naar de rol verwezen. Zij werd opnieuw overeenkomstig artikel 751 Ger.Wb. vastgesteld op 17 mei 2001 en weer tegensprekelijk uitgesteld, ditmaal naar 25 oktober 2001 met regeling van conclusietermijnen.

  Op deze laatste zitting verscheen verzetdoende partij (appellante) niet en vorderde geïntimeerde verstek.

  Met het vonnis dd. 22 november 2001, uitgesproken bij verstek jegens appellante, verklaart de eerste rechter het verzet ongedaan.

  Zegt voor recht dat het vonnis waartegen verzet werd gedaan behouden blijft in al zijn beschikkingen en verwijst verzetdoende partij tot de kosten van de procedure.

  III. DE BEROEPSGRIEVEN.

  Appellante verzoekt het Hof het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtdoende,

  De oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

  Dienvolgens, geïntimeerde ervan af te wijzen.

  Verder geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de wettelijke rechtsplegingsvergoeding, conform artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

  Appellante stelt dat zij genoodzaakt was om een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst met geïntimeerde wegens dringende reden zoals bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet (AOW): "Onder dringende reden wordt verstaan de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt".

  Dat derhalve de onmogelijkheid om op een professionele wijze samen te werken tussen beide partijen als fundamenteel dient beschouwd te worden in de beoordeling van het element dringende reden.

  Aangezien de reden voor het ontslag duidelijk gelegen was in het element dat appellante een gegronde reden had om aan te nemen dat geïntimeerde geld uit de kassa deed verdwijnen voor eigen gewin.

  Dat deze redenen niet zonder meer een louter vermoeden in hoofde van appellante uitmaakten, doch gebaseerd werden op herhaalde en welonderzochte feiten.

  Dat met andere woorden appellante niet zonder meer over een nacht eis is gegaan, doch slechts na duidelijke vaststellingen tot het ontslag is overgegaan.

  Dat het vertrouwen in geïntimeerde op basis ven deze feiten fundamenteel geschonden was.

  Aangezien het in dit kader essentieel is te benadrukken dat gedurende het verhoor door geïntimeerde expliciet werd verklaard: "De dagen dat ik de kassa deed geef ik toe dat ik dikwijls geld ontvangen heb zonder dit in te tikken in de kassa. Ik heb dan steeds de kassa geopend met geen verkoop. Ik heb het dan nagelaten het eigenlijk bedrag in te tikken. Ik geef toe dat dit verkeerd was. Ik kan geen reden geven waarom ik dit deed". (verklaring 7.8.1997 van geïntimeerde in het strafdossier, stuk 1 appellante).

  Dat dergelijke uitlating in ieder geval een expliciete erkentenis uitmaakt van deze feiten welke door appellante reeds geruime tijd vermoed werden.

  Dat dergelijke erkentenis conform artikel 1356 BW in ieder geval het bewijs oplevert tegen de persoon, zijnde geïntimeerde die deze bekentenis heeft gedaan (De Page H., Traité de droit civil Belge, II, nr.

  1011B; Van Ommeslaeghe P., "L'aveu", in La preuve, colloquium U.C.L. 1978, 115, nr. 11).

  Dat het verder volgens appellante duidelijk is dat enerzijds deze handelswijze niet werd ingegeven op verzoek van appellante en anderzijds volkomen ten nadele van de handelszaak van appellante was.

  Appellante verwijst naar het bestaan van de strafklachten en naar het strafrechtelijk onderzoek en stelt dat hieruit blijkt dat op geen enkele wijze nog professionele samenwerking mogelijk was wegens de onduldbare praktijken van geïntimeerde.

  Appellante stelt dat tevens uit verklaringen van klanten van de handelszaak duidelijk blijkt dat deze praktijken enkel door geïntimeerde werden gebruikt en geenszins, in weerwil van hetgeen geïntimeerde totaal ten onrechte tracht voor te houden, ook door andere werknemers gehanteerd werden.

  Dat bijvoorbeeld uit de verklaringen van de heer Seeuws, afgelegd op 22 oktober 1997, dus ruim voor een eigenlijke gerechtelijke procedure werd ingeleid, blijkt: "...dat ik de volgende feiten verschillende malen vastgesteld heb, te weten dat mij geen kasticket werd afgeleverd voor bestelde dranken. De bedragen werden dus niet ingetikt in de kassa. Dit gebeurde uitsluitend wanneer G. C. van dienst was".

  Dat het echter niet enkel bleef bij niet ingetikte bedragen, doch zoals blijkt uit de verklaring van de heer B., ook over diefstal van goederen, met name: "...verklaar hierbij dat G. C. , bij afwezigheid van de zaakvoerders P. S. en B. V. R. een volle bak grote colaflessen in haar wagen geladen heeft. Dis is gebeurd op een donderdagavond wanneer zij van dienst was."

  In subsidiaire orde stelt appellante dat geïntimeerde totaal ten onrechte de vordering tot het bekomen van vakantiegeld instelt, waar deze reeds werd opgenomen in het gedeelte met betrekking tot de opzegvergoeding en dat het vakantiegeld dienvolgens geen tweemaal in aanmerking kan worden genomen, waar het vervat zit in de normale bezoldiging (Cass. 29.5.1978, RW 1978-79, 489; Cass. 2.2.1981, RW 1980-81, 2480; Cass. 10.5.1982, JTT 1983, 94).

  IV. STANDPUNT VAN GEÏNTIMEERDE.

  Geïntimeerde verzoekt het Hof het vonnis a quo in al zijn bestanddelen te bevestigen. Zij stelt dat appellante aan de hand van het strafrechtelijk onderzoek niet bewijst dat zij geld uit de kassa heeft genomen voor het gebruik van privé-doeleinden.

  Zij stelt dat zij integendeel door de strafrechter werd vrijgesproken (stuk 24). Derhalve staat volgens geïntimeerde erga omnes vast dat de feiten die door de werkgever als dringende reden worden ingeroepen, geacht worden zich niet te hebben voorgedaan. Een ontslag om dringende reden, omwille van dezelfde feiten, is derhalve niet meer mogelijk.

 

  V. BEOORDELING VAN HET HOF.

  Overwegende dat het hoger beroep ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet wordt betwist.

  Gezien de door partijen neergelegde stukken in het bijzonder de strafbundels inzake de gerechtelijke onderzoeken gevoerd naar aanleiding van de klachten, neergelegd door appellante jegens geïntimeerde wegens huisdiefstal, klachten die zoals hoger in de feiten reeds omschreven, de ene werd geseponeerd wegens onvoldoende bezwaren en de tweede leidde tot een beschikking dd. 17 november 2000 van de Raadkamer, zeggende dat er geen reden is tot vervolging van geïntimeerde op eensluidende vordering van de Procureur des Konings.

  Overwegende dat noch een seponering door het Openbaar Ministerie noch een beschikking houdende buitenvervolgingstelling in principe beletten dat diefstal door de arbeidsrechter toch nog als een dringende reden kan worden beschouwd (AH Brussel 21.5.1975, Med. VBO 76, 2058; AH Bergen 5.12.1989, JTT 1990, 96).

  Geïntimeerde beroept zich ten onrechte op een vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten door de strafrechter daar zij niet werd vrijgesproken vermits er zelfs geen vervolging plaatsgreep.

  Overwegende dat de partij die een dringende reden inroept, hiervan het bewijs dient te leveren (art. 35 AOW). De ernst van het ontslag om dringende reden vereist een vaststaand bewijs van de ten laste gelegde feiten (AH Bergen 16.5.1991, Bull. VBO, 1992, 2, 78).

  Overwegende dat appellante in het ontslagschrijven aan geïntimeerde volgende feiten verwijt: "Diefstal o.a. geldopname uit kassa en niet intikken van verkopen en gelden hiervoor gebruiken voor privé-doeleinden"

  Gezien de talrijke verklaringen berustend in de strafbundels en afgelegd tijdens de gerechtelijke onderzoeken door partijen en door talrijke derden, werknemers, ex-werknemers, boekhouder en klanten van appellante.

  Overwegende dat appellante zich hoofdzakelijk beroept op een verklaring van geïntimeerde, geacteerd in de pro-justitia van 7 augustus 1997: "De dagen dat ik de kassa deed, geef ik toe dat ik dikwijls geld ontvangen heb zonder dit in te tikken in de kassa. Ik heb dan steeds de kassa geopend met geen verkoop.

  Ik heb nagelaten het eigenlijk bedrag in te tikken. Ik geef toe dat dit verkeerd was."

  Uit de pro-justitia dd. 7 augustus 1997 blijkt echter de volledige verklaring van geïntimeerde, namelijk dat zij "verkopen niet intikte in de kassa in opdracht van de zaakvoerder-werkgever, dhr. Stroobant (appellante)".

  De reden hiervoor is dat het personeel dat in het zwart werkte, zowel in de bakkerij als in de taverne, in het zwart werd uitbetaald.

  Uit de bijlage aan het PV dd. 16 december 1999, waarin geïntimeerde nogmaals werd geconfronteerd met haar verklaring aan de rijkswacht dd. 7 augustus 1997 en zoals hoger geciteerd, blijkt dat zij op 16 december 1999 haar verklaring zoals eerder afgelegd bevestigde. Zij benadrukt dat zij dit in opdracht deed van haar werkgever en dat zij op geen enkel tijdstip gelden voor zich heeft gehouden.

  Overwegende dat volgende personen tijdens het gerechtelijk onderzoek werden verhoord en tijdens dit verhoor bevestigden dat er zwartwerk werd gedaan in de Cosy, hoofdzakelijk in het weekend:

  - H. C. (PV 13/12/1999, nr. 101531/99)

  - V. L. P. (PV 16/12/1999, nr. 101533/99

  - J. S. (PV 8/10/1997, nr. 100961)

  Overwegende dat V. H. H. (PV 29.9.1997, nr. 100884) verklaarde dat er onderling geld werd gewisseld van de kassa van de bakkerij en de taverne.

  Ook zij verklaart dat zij van S. de opdracht kreeg om van tijd tot tijd sommige dingen niet in te tikken in de kassa vooral koffie, snacks en ijs in dozen per liter.

  Ook J. S. beaamt in zijn verhoor dat sommige zaken niet mochten ingetikt worden in de kassa o.a. ijs per liter. Dit was volgens Stroobants omdat dit een ander BTW % was. Uit een aandachtige lezing van de volledige strafbundels blijkt dat geïntimeerde inderdaad sommige bedragen niet intikte in de kassa (o.a. ijs per liter sommige aankopen na betaling van bestellingen.

  Uit deze bundels blijkt evenwel dat de zaakvoerders hiervan op de hoogte waren en hier zelfs opdracht toe gaven (o.a. van ijs per liter). Verder blijkt dat de zaakvoerders zelf alsook de werknemers meermaals per dag wisselgeld uit de kassa van de bakkerij haalden o.a. voor de taverne The Cosy, zodat deze vaak werd geopend zonder verkoop.

  Uit geen enkele verklaring is volgens het Hof evenwel bewezen dat geïntimeerde geld uit de kassa van appellante zou hebben weggenomen of achtergehouden en dat zij dit geld zou hebben gebruikt voor privé-doeleinden.

  Uit het geheel der strafbundels blijkt kortom dat in de taverne The Cosy en in de bakkerij een aanzienlijke onzorgvuldigheid heerste i.v.m. het manipuleren van de kassa's zowel door het personeel als door de zaakvoerders zelf; ondanks de veelvuldigheid der verhoren, verricht tijdens het gerechtelijk onderzoek, stelt het Hof vast dat geen enkele verklaring bewijst dat geïntimeerde geld aan de kassa van appellante zou hebben ontvreemd om het voor privé-doeleinden te gebruiken.

  Ook de verklaringen van de klanten, afgelegd op verzoek van appellante en nadien verhoord door de Gerechtelijke Politie (S. I., PV 16.6.1998; B. P., PV 16.6.1998; V. P., PV 16.6.1998) bevatten geen bewijs van het feit dat geïntimeerde geld zou hebben ontvreemd aan de kassa van appellante, enkel van het feit dat zij hun niet altijd een kasticket bezorgde van de betaling van hun consumpties in de taverne.

  Overwegende dat appellante in gebreke blijkt het bewijs te leveren van het aan geïntimeerde ten laste gelegd feit van diefstal door geldopname uit de kassa en niet intikken van verkopen en gelden hiervan gebruiken voor privé-doeleinden.

  Appellante bewijst dat geïntimeerde niet steeds alle verkopen intikte op de kassa, doch uit het strafbundel blijkt dat deze onzorgvuldigheid (niet intikken van alle verkopen) geschiedde in opdracht van appellante en met haar medeweten, zodat deze onzorgvuldigheid in deze concrete omstandigheden niet als een ernstige tekortkoming kan worden beschouwd die iedere verdere professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt zoals bedoeld in artikel 35 AOW.

  Appellante ontsloeg geïntimeerde onterecht wegens dringende reden zodat deze terecht aanspraak maakt op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 3 maanden loon of:

  (46.189 F x 13,8975 x 3) : 12 = 160.478 F bruto

  Een omgezet uurloon naar maandloon (als bediende):

  (280,50 x 38 x 13) :3 = 46.189 F bruto.

  Benevens deze opzegvergoeding heeft geïntimeerde, als bediende krachtens artikel 46 van het KB van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie der werknemers wanneer haar contract een einde neemt wat in casu het geval is, recht op vakantiegeld bij uitdiensttreding ten belope van 14,8% van de verdiende bruto wedde verdiend tijdens het lopend vakantiedienstjaar en 14,8% van de bruto wedde van het vakantiedienstjaar zo zij de op het vorige vakantiedienstjaar betrekking hebbende vakantie nog niet heeft genoten.

  Geïntimeerde maakt terecht aanspraak op vakantiegeld bij uitdiensttreding voor het lopend vakantiedienstjaar 1997 nl. 14,8% van het door haar verdiende loon over de periode van 1 januari 1997 tot 4 augustus 1997 of 14,8% van 342.550 F = 50.697 F bruto, alsook recht op loon voor de wettelijke feestdag van 15 augustus 1997 die valt binnen een periode van 30 dagen na het beëindigen van de overeenkomst krachtens artikel 14 van het KB van 18 april 1974 betreffende de feestdagen of:

  (46.189 x 3) : (13 x 5) = 2.132 F bruto.

  Overwegende dat het vonnis a quo dd. 22 november 2001 houdende bevestiging van het vonnis dd 7 september 1998 dan ook in al zijn bestanddelen moet worden bevestigd.

 

  OM DEZE REDENEN,

  Het Arbeidshof,

  Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

  Rechtsprekend op tegenspraak,

  Alle andere middelen en conclusies verwerpende,

  Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond.

  Bevestigt het vonnis a quo.

  Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot:

  - voor appellante: niet begroot.

  - voor geïntimeerde:

  - uitvoering vonnis EUR 235,88

  Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op zestien mei tweeduizend en drie.

  Waren aanwezig:

 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 05/08/2016 - 14:15
Laatst aangepast op: vr, 05/08/2016 - 14:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.