-A +A

Loondiefstal door werknemer met dienstencheques

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 24/03/2017

Loondiefstal is diefstal ten nadele van de werkgever en wordt geregeld door art. 463-464 van het Strafwetboek:

uittreksel uit het strafwetboek:

Art. 463.Diefstallen, in dit hoofdstuk niet nader omschreven, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro. 

In het geval bedoeld bij artikel 461, tweede lid, bedraagt de gevangenisstraf echter niet meer dan drie jaren.

1. Het minimum van de straf bedraagt drie maanden gevangenisstraf en vijftig euro geldboete wanneer de diefstal werd gepleegd ten nadele van een persoon van wie de bijzonder kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was.1

Art. 464. De gevangenisstraf is ten minste drie maanden, indien de dief een dienstbode of een loondienaar is, zelfs wanneer hij de diefstal gepleegd heeft ten nadele van andere personen dan die welke hij diende, maar die zich bevonden hetzij in het huis van de meester, hetzij in het huis waar hij hem vergezelde, of indien de dief een werkman, gezel of leerling is, die de diefstal heeft gepleegd in het huis, het werkhuis of het magazijn van zijn meester, of ook indien de dief een persoon is die gewoonlijk arbeid verricht in de woning waar hij gestolen heeft.

Wie met dienstencheques werkt, werkt in de regel niet "ten huize" van zijn werkgever maar ten huize van de contractant van de werkgever. Toch oordeelde het Hof van beroep te Gent dat een werknemer van een dienstenchequebedrijf die ten huize van de plaats van tewerkstelling (bij de derde gebruiker) steelt een loondiefstal pleegt.

Anderzijds is de werkgever-dienstencheque-bedrijf voor de schade veroorzaakt uit de diefstal hoofdelijk met de dader van het misdrif tot vergoeding van de schade conform artikel 1384 B.W.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
946
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

O.M. en D.P. t/ S.R.

...

Op maandag 14 oktober 2013 was de beklaagde S.R. als poetsvrouw aan het werk in de vakantiewoning van de burgerlijke partij P.D. De beklaagde was op dat ogenblik al verschillende jaren tewerkgesteld als poetsvrouw bij de burgerlijk aansprakelijke partij BVBA A. via een «arbeidsovereenkomst dienstencheques», in welk verband zij onder meer ook in de voormelde vakantiewoning van de burgerlijke partij P.D. diende te poetsen.

Op 18 oktober 2013 stelde de burgerlijke partij P.D. vast dat er geld uit de vakantiewoning was gestolen, meer in het bijzonder het baar geld in euro’s en het baar geld in Britse pond dat hij had weggeborgen in twee afzonderlijke kluisjes die de vorm hebben van een boek (hierna genoemd: «boekenkluis») en die gestald stonden in een boekenrek dat als deur functioneert. Meer in het bijzonder bleek de rode boekenkluis met daarin 6.015 Britse pond verdwenen te zijn, terwijl de zwarte boekenkluis, die moeilijk af te sluiten was en waarin zich een bedrag van 8.250 euro bevond, leeg bleek te zijn. Daar er geen sporen van braak waren en er slechts enkele personen een sleutel hadden van de woning en op de hoogte waren van de beveiligingscode van de alarminstallatie – onder wie de beklaagde S.R. – viel de verdenking van de burgerlijke partij onmiddellijk op zijn poetsvrouw, zijnde de beklaagde, die aanvankelijk evenwel met stelligheid ontkende ook maar iets met de diefstal te maken te hebben.

Pas nadien realiseerde de burgerlijke partij zich dat de bewakingscamera’s aan de vakantiewoning nog in werking waren, waarna hij de beelden ervan aan de bewakingsfirma heeft opgevraagd. Op deze beelden is te zien dat de beklaagde S.R. op 14 oktober 2013 even na 8u30 met de rode boekenkluis in haar handen de woning verlaat.

Nadat ze werd geconfronteerd met deze beelden, bekende de beklaagde S.R. de rode boekenkluis met daarin 6.015 Britse pond te hebben gestolen, waarna zij dit geld heeft ingewisseld tegen euro’s, die zij inmiddels had uitgegeven. De beklaagde ontkende evenwel dat zij de eurobiljetten uit de zwarte boekenkluis had gestolen, al gaf zij toe ook deze boekenkluis uit het rek te hebben genomen en, na ermee te hebben geschud en naar eigen zeggen te hebben vastgesteld dat deze kluis leeg was, deze te hebben teruggezet.

Op grond van de gegevens van het strafdossier en de behandeling voor het hof zijn de feiten, voorwerp van de enige telastlegging in zoverre deze betrekking heeft op de loondiefstal van de inhoud van de zwarte boekenkluis (nl. 8.250 euro), en de schuld van de beklaagde S.R. aan die feiten bewezen gebleven.

Er werden geen grieven geformuleerd tegen de beslissing van de eerste rechter in zoverre deze de loondiefstal van de rode boekenkluis met inhoud (nl. 6.015 Britse pond) bewezen heeft verklaard in de persoon van de beklaagde S.R. Ook de kwalificatie van deze feiten als loondiefstal (art. 464 Sw.) werd door de beklaagde niet betwist.

Het hof hecht m.b.t. de diefstal van de inhoud van de zwarte boekenkluis geloof aan de verklaring van de burgerlijke partij P.D. dat ook het geld uit de zwarte boekenkluis ten bedrage van 8.250 euro werd gestolen. Er zijn voor het hof immers niet de minste redenen om te twijfelen aan de oprechtheid van de verklaringen van de burgerlijke partij, wier beweringen betreffende de rode boekenkluis (en de inhoud ervan) uiteindelijk werden bevestigd door de camerabeelden en de navolgende verklaringen van de beklaagde zelf, die uiteindelijk heeft toegegeven dat zij de rode boekenkluis heeft gestolen en zich de inhoud hiervan heeft toegeëigend, waarbij zij verklaarde dat zij via een vriendin en «een chauffeur die op Engeland rijdt» in het totaal 6.000 Britse ponden heeft ingeruild voor euro’s, nadien nog gespecificeerd tot 6.015 gestolen Britse pond. Hieruit blijkt dat de burgerlijke partij, wat de inhoud van de rode boekenkluis betreft, haar nadeel aanvankelijk had onderschat, daar zij bij haar initiële aangifte slechts melding maakte van het ronde bedrag van 5.000 Britse pond.

Er zijn naar het oordeel van het hof dan ook geen gegronde redenen om te twijfelen aan de verklaringen van de burgerlijke partij P.D. dat ook het geld uit de zwarte boekenkluis ten bedrage van 8.250 euro werd gestolen.

Het verweer van de beklaagde S.R. dat zij geen geld uit de zwarte boekenkluis zou hebben gestolen, is totaal ongeloofwaardig. Nog afgezien van de omstandigheid dat de beklaagde toegeeft dat zij, bij het plegen van de diefstal van de rode boekenkluis, ook de zwarte boekenkluis ter hand heeft genomen, blijkt uit de geloofwaardige verklaringen van de burgerlijke partij immers dat deze zwarte boekenkluis maar moeilijk kon worden gesloten en derhalve ongesloten was, waardoor het geld er gemakkelijk uit kon worden weggenomen. Dit verklaart overigens ook waarom de beklaagde, die op het ogenblik van de feiten alleen in de bewuste woning aanwezig was, de zwarte boekenkluis zelf niet heeft ontvreemd, daar zij ermee kon volstaan om eenvoudigweg het geld hieruit weg te nemen, dit in tegenstelling tot de rode boekenkluis, die zij gesloten heeft meegenomen naar huis en aldaar heeft opengebroken.

Het is in die omstandigheden volstrekt onaannemelijk dat iemand anders dan de beklaagde S.R. het geldbedrag van 8.250 euro uit de zwarte boekenkluis zou hebben gestolen. Het hof acht het dan ook bewezen dat de beklaagde S.R. ook het geldbedrag van 8.250 euro ten nadele van de burgerlijke partij bedrieglijk heeft weggenomen uit de zwarte boekenkluis (artt. 461 en 463 Sw.).

Dat de diefstal als een loondiefstal moet worden aangemerkt, werd, zoals hierboven reeds opgemerkt, niet betwist door de beklaagde m.b.t. de diefstal van de rode boekenkluis met inhoud, wat uiteraard ook geldt voor de op hetzelfde ogenblik en onder dezelfde omstandigheden gepleegde diefstal van het geldbedrag van 8.250 euro uit de zwarte boekenkluis (art. 464 Sw.). De beklaagde S.R. was immers werkzaam als poetsvrouw in het kader van een arbeidsovereenkomst dienstencheques en pleegde de feiten toen zij in die hoedanigheid in de woning van een derde gebruiker van dienstencheques, namelijk de burgerlijke partij, werkzaam was.

...

De burgerlijke partij P.D., die zich als zodanig reeds voor de onderzoeksrechter had gesteld en aldus de strafvordering op gang heeft gebracht, vorderde voor de eerste rechter een schadevergoeding, bestaande enerzijds uit een bedrag van 8.250 euro en anderzijds uit de tegenwaarde in euro van 6.015 Britse pond, vermeerderd met de vergoedende en gerechtelijke rente. De burgerlijke partij stelde deze vordering niet alleen in tegen de beklaagde S.R., maar ook tegen haar werkgever, van wie zij de hoofdelijke veroordeling tot deze bedragen vorderde. In dit verband had de burgerlijke partij P.D. de werkgever van de beklaagde S.R., namelijk de BVBA A. rechtstreeks laten dagvaarden voor de correctionele rechtbank als burgerlijk aansprakelijke partij van haar aangestelde, zijnde de beklaagde S.R.

De eerste rechter verklaarde deze vorderingen gegrond en veroordeelde de beklaagde S.R. en de (rechtstreeks gedaagde) burgerlijk aansprakelijke partij BVBA A. hoofdelijk tot betaling aan de burgerlijke partij P.D. van de som van enerzijds 8.250 euro en tot de tegenwaarde in euro aan de hoogste koers op het ogenblik van de betaling van 6.015 Britse pond, beide bedragen te vermeerderen met de vergoedende rente vanaf 14 oktober 2013 tot op de datum van het vonnis en de gerechtelijke rente vanaf die laatste datum tot op datum van algehele betaling.

Thans voor het hof vordert de burgerlijke partij de bevestiging van het bestreden vonnis op burgerlijk vlak.

Het is naar het oordeel van het hof bewezen dat de burgerlijke partij P.D. schade heeft geleden ingevolge de door de beklaagde gepleegde loondiefstal ten belope van de bedragen zoals toegekend door de eerste rechter. Er wordt overigens ook niet beweerd door de beklaagde of door de burgerlijk aansprakelijke partij dat er al iets zou zijn vergoed van de gestolen bedragen.

Voorts merkt het hof op dat door geen van de partijen wordt betwist dat de beklaagde S.R. op het ogenblik van de feiten als werknemer in dienst was van de burgerlijk aansprakelijke partij BVBA A., en meer in het bijzonder contractueel verbonden was met deze laatste door een «arbeidsovereenkomst dienstencheques» in de zin van art. 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen. Met toepassing van art. 7ter van deze wet wordt een dergelijke «arbeidsovereenkomst dienstencheques» in beginsel, behoudens andersluidende wettelijke bepalingen, geregeld door de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Met toepassing van art. 18 van deze wet is de werknemer die bij de uitvoering van zijn overeenkomst de werkgever of derden schade berokkent, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld, alsook voor zijn «gewoonlijk» voorkomende lichte schuld. Te dezen staat het vast dat de beklaagde S.R. de feiten, voorwerp van de enige telastlegging, heeft gepleegd bij de uitvoering van de voormelde arbeidsovereenkomst, terwijl het naar het oordeel van het hof ook bewezen is dat die feiten in haar persoon getuigen van bedrog en van een zware schuld in de zin van het voormelde art. 18. De beklaagde S.R. pleegde immers een loondiefstal voor relatief grote bedragen, terwijl zij in uitvoering van de voormelde «arbeidsovereenkomst dienstencheques» als poetsvrouw werkzaam was bij een derde gebruiker van dienstencheques, namelijk de burgerlijke partij P.D., wiens vertrouwen zij genoot. Door deze flagrante diefstal schond de beklaagde S.R. niet alleen het vertrouwen van de burgerlijke partij maar ook van haar werkgever, de burgerlijk aansprakelijke partij BVBA A.

Bijgevolg is de vordering van de burgerlijke partij tegen de beklaagde gegrond zoals hierna bepaald.

Wat de vordering van de burgerlijke partij tegen de rechtstreeks gedaagde partij BVBA A. betreft, stelt het hof vast dat deze laatste haar aansprakelijkheid principieel betwist.

Volgens de burgerlijke partij is de rechtstreeks gedaagde partij BVBA A. te dezen aansprakelijk op grond van art. 1384, derde lid BW, dat bepaalt dat meesters en zij die anderen aanstellen, aansprakelijk zijn voor de schade die door hun dienstboden en aangestelden wordt veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.

Dienaangaande stelt het hof allereerst vast dat, hoewel de door de beklaagde S.R. gepleegde loondiefstal een opzettelijk gepleegde onrechtmatige daad uitmaakt, deze daad werd gesteld in het kader van haar bediening als werknemer van de BVBA A. De beklaagde pleegde de feiten immers als poetshulp bij de burgerlijke partij P.D., die als gebruiker van dienstencheques een beroep deed op haar diensten als poetsvrouw, die de beklaagde louter heeft verricht ter uitvoering van de tussen haar en de BVBA A. bestaande «arbeidsovereenkomst dienstencheques». De loondiefstal werd aldus gepleegd tijdens en naar aanleiding van deze – arbeidsrechtelijk als zodanig regelmatige – werkzaamheden als poetsvrouw en kon bovendien slechts ingevolge die werkzaamheden worden gepleegd. De rechtstreeks gedaagde partij BVBA A. is dan ook burgerlijk aansprakelijk voor de schade die door de beklaagde, haar aangestelde, ingevolge de door deze laatste gepleegde loondiefstal werd veroorzaakt aan de burgerlijke partij.

Ten onrechte betwistte de burgerlijke aansprakelijke partij BVBA A. via haar raadsman ter terechtzitting van het hof dat zij, als werkgever van de beklaagde in de juridische zin van het woord, op het ogenblik van de loondiefstal feitelijk gezag of toezicht over deze laatste kon uitoefenen. Hoewel het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een werknemer niet impliceert dat deze laatste noodzakelijk handelt als aangestelde van zijn werkgever – en deze juridische verhouding niet noodzakelijk samenvalt met de feitelijke gezagsverhouding – is dat te dezen wel degelijk het geval. De loutere omstandigheid dat de beklaagde als werkneemster/aangestelde van de burgerlijk aansprakelijke partij BVBA A. haar diensten uitoefende bij een derde-gebruiker van dienstencheques, namelijk de burgerlijke partij, impliceert immers geenszins dat de burgerlijk aansprakelijke partij hierdoor geen feitelijk gezag of toezicht over deze laatste kon uitoefenen, noch dat dit gezag of toezicht feitelijk zou zijn overgegaan op de gebruiker van dienstencheques, die immers niet als een gelegenheidswerkgever kan worden beschouwd.

De vordering van de burgerlijke partij P.D. is dan ook eveneens gegrond in zoverre ze werd ingesteld tegen de burgerlijk aansprakelijke partij BVBA A., die aldus hoofdelijk met de beklaagde S.R. gehouden is tot het vergoeden van de schade van de burgerlijke partij.

...

Noot: 

Rechtsleer:

• D. Merckx, «Loondiefstal» in Comm.Straf., Mechelen, Kluwer, p. 9-10, nrs. 21-25.

Rechtspraak:

• Cass. 19 september 2008, NJW 2009, 218, noot G. Jocqué.

• Cass. 19 december 1921, Pas. 1922, I, 112

• Cass. 24 oktober 1955, Pas. 1956, I, 164.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/02/2018 - 13:34
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.