-A +A

Leegstandsheffing opeisbaar na het faillissement

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 04/02/2016
A.R.: 
F.15.0045.N

Aangezien boedelschulden afbreuk doen aan het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers dat aan de Faillissementswet ten grondslag ligt, dienen zij beperkend te worden uitgelegd: een schuld is een boedelschuld, wanneer de curator verbintenissen heeft aangegaan met het oog op het beheer van de boedel, onder meer door de handelsactiviteit van de gefailleerde voort te zetten, de door laatstgenoemde gesloten overeenkomsten uit te voeren of nog door de roerende of onroerende goederen te gebruiken met het oog op een passend beheer van de failliete boedel; de curator gaat ook schulden aan met het oog op het beheer van het faillissement wanneer die schulden ontstaan door handelingen die de curator voor dit beheer dient te stellen maar niet stelt (1). (1) Zie concl. OM.; het Hof heeft op dezelfde zitting in de zaak F.14.0157.N uitspraak gedaan in dezelfde zin wat de verschuldigde bedrijfsvoorheffing betreft en de verschuldigde BTW.

Een leegstandsheffing bedrijfsruimten die opeisbaar wordt na het faillissement en die betrekking heeft op het kalenderjaar dat volgt op de datum van het openvallen van het faillissement is een boedelschuld wanneer het voortduren van de leegstand is toe te rekenen aan de curator (1). (1) Zie concl. OM.; het Hof heeft op dezelfde zitting in de zaak F.14.0157.N uitspraak gedaan in dezelfde zin wat de verschuldigde bedrijfsvoorheffing betreft en de verschuldigde BTW.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1544
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

A.R nr. F.15.0045.N

Faillissement NV V. t/ Vlaamse Gewest

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 26 november 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. De artt. 7 en 8 Hypotheekwet en art. 99 Faillissementswet bevestigen het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers.

Krachtens het voornoemde art. 99 wordt het bedrag van het actief van de gefailleerde onder de schuldeisers verdeeld naar evenredigheid van hun vorderingen en na aftrek van de kosten en uitgaven voor het beheer van de failliete boedel, van de uitkeringen tot levensonderhoud aan de gefailleerde en zijn gezin en van wat aan de bevoorrechte schuldeisers is betaald.

Boedelschulden moeten ten volle uit de opbrengst van het actief worden voldaan, vooraleer tot uitkering aan de andere schuldeisers kan worden overgegaan.

Aangezien boedelschulden afbreuk doen aan het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers dat aan de Faillissementswet ten grondslag ligt, dienen zij beperkend te worden uitgelegd.

2. Krachtens het hier toepasselijke art. 15, § 1 Decreet Leegstand Bedrijfsruimten wordt er een jaarlijkse heffing ingevoerd ten voordele van het Vernieuwingsfonds op de onroerende goederen die opgenomen zijn in de inventaris. De heffing wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeenvolgende registratie in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten of verwaarloosde bedrijfsruimten. De heffing heeft betrekking op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de heffing wordt betekend.

Hieruit volgt dat de leegstandsheffing als fiscale schuld ten vroegste ontstaat vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede registratie van de bedrijfsruimte in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten of verwaarloosde bedrijfsruimten.

3. Een schuld is een boedelschuld, wanneer de curator verbintenissen heeft aangegaan met het oog op het beheer van de boedel, onder meer door de handelsactiviteit van de gefailleerde voort te zetten, de door laatstgenoemde gesloten overeenkomsten uit te voeren of nog door de roerende of onroerende goederen te gebruiken met het oog op een passend beheer van de failliete boedel.

De curator gaat ook schulden aan met het oog op het beheer van het faillissement wanneer die schulden ontstaan door handelingen die de curator voor dit beheer dient te stellen maar niet stelt.

4. Een leegstandsheffing die opeisbaar wordt na het faillissement en die betrekking heeft op het kalenderjaar dat volgt op de datum van het openvallen van het faillissement is een boedelschuld wanneer het voortduren van de leegstand is toe te rekenen aan de curator.

5. De appelrechter stelt vast dat:

– de NV Van der E. & Co bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde van 13 september 2000 failliet werd verklaard;

– de litigieuze bedrijfsruimte op 7 maart 2000, 4 april 2001 en 30 januari 2002 werd opgenomen in de inventaris van leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten;

– de betwiste leegstandsheffing op naam van de curatele werd gevestigd op 24 juli 2002, op basis van twee opeenvolgende opnames van de bedrijfsruimte in de inventaris;

– de betwiste heffing werd gevestigd op 24 juli 2002, d.i. tijdens het kalenderjaar dat volgt op de registratie voor het heffingsjaar 2001.

6. De appelrechter oordeelt dat:

– de betwiste leegstandsheffing, gevestigd op 24 juli 2002, d.i. na de faillietverklaring van 13 september 2000, had kunnen vermeden worden «indien de curatele met bekwame spoed de overdrachtsprocedure, bepaald in art. 37 e.v. Bodemsaneringsdecreet had benaarstigd»;

– «de curatele naliet dit te doen, zodat de bedrijfsruimte nog op 4 april 2001 en 30 januari 2002 werd opgenomen in de inventaris voor leegstand».

De appelrechter leidt hieruit af dat de betwiste leegstandsheffing «in de gegeven omstandigheden» een schuld van de boedel is.

7. Door aldus te oordelen, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: 1. de heer DAUWE Jozef, advocaat, kantoor houdende te 9200 Dendermonde, Grote Markt 19, in zijn hoedanigheid van cura-tor van het faillissement van de NV Van der Eecken & C° met zetel gevestigd te 9240 Zele, Lokerenbaan 98,

eerste eiser tot cassatie,

2. mevrouw PIETERS Marga, advocaat, kantoor houdende te 9300 Aalst, Affligemdreef 144, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Van der Eecken & C° met zetel ge-vestigd te 9240 Zele, Lokerenbaan 98,

tweede eiseres tot cassatie,

3. de heer BAILLON Philippe, advocaat, kantoor houdende te 9200 Dendermonde, Noorderlaan 172, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Van der Eecken & C° met zetel gevestigd te 9240 Zele, Lokerenbaan 98,

derde eiser tot cassatie,

TEGEN: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van haar minister-president, kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, en de minister van financiën en begroting, met kabinet gevestigd te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19,

verweerder in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eisers hebben de eer een arrest aan Uw beoordeling voor te leggen dat op 26 november 2014 op tegenspraak tussen de partijen werd uitgesproken door de 6E kamer van het Hof van Beroep te Brussel (2009/AR/2980 gevoegd met 2012/AR/2032).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Op 13 september 2000 werd de nv Vander Eecken & C° failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde. Eisers werden aan-gesteld als curatoren van het faillissement.

Op 24 juli 2002 werd in opdracht van verweerder een leegstandsheffing gevestigd op naam van de curatele, op basis van twee opeenvolgende opnames van een bedrijfsruimte van de nv Vander Eecken & C° in de Inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten (hierna: de Inventaris). De be-doelde bedrijfsruimte werd voor de eerste maal opgenomen op 7 maart 2000, daarna opnieuw op 4 april 2001 en op 30 januari 2002. De heffing bedroeg 41.027,50 euro in hoofdsom.

Op 26 augustus 2002 hebben eisers tegen deze aanslag bezwaar ingediend. Op 18 november 2002 heeft de gemachtigde ambtenaar dit bezwaar verworpen. Eisers hebben daarop een gerechtelijke procedure opgestart voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, teneinde in hoofdorde te horen zeggen dat de curatele de heffing niet verschuldigd is, in ondergeschikte orde dat de belastingschuld een schuld in de boedel is. Tevens werd verzocht een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Bij tussenvonnis van 17 mei 2005 heeft de rechtbank de vordering van ei-sers in hoofdorde verworpen, en werd de heropening van de debatten bevolen ten-einde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de materiële bevoegdheid van de rechtbank.
Bij tussenvonnis van 28 juni 2005 heeft de rechtbank de zaak verzonden naar de arrondissementsrechtbank te Brussel.

Bij beslissing van 15 oktober 2005 heeft de arrondissementsrechtbank de zaak teruggezonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Bij eindvonnis van 17 maart 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat de leegstandsheffing een schuld van de boedel is en werden eisers in de gedingkosten verwezen.

Bij verzoekschrift neergelegd op 9 november 2009 hebben eisers hoger be-roep ingesteld tegen de tussenvonnissen en tegen het eindvonnis.

In het bestreden arrest wordt het hoger beroep van eisers ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en worden eisers in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

Tegen dit arrest wensen eisers op te komen met het volgende middel tot cassatie.

 

 

ENIGE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

 Artikel 15, § 1 van het Decreet van 19 april 1995 houdende maatre-gelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, zoals van toepassing vóór de wijziging door het Decreet van 23 juni 2006;
 De artikelen 8 en 9 van de Hypotheekwet;
 De artikelen 16, eerste lid en 99 van de Faillissementswet;
 Het algemeen rechtsbeginsel inzake de gelijkheid van de schuldei-sers.

Aangevochten beslissing

De appelrechter oordeelt dat de leegstandsheffing een schuld is van de massa, op grond van volgende motieven:

"De eerste rechter wees de vordering in meest ondergeschikte orde van [eisers] ertoe strekkend te oordelen dat de betwiste leegstandsheffing een schuld in de massa betreft af, op volgende gronden: ‘Fiscale schulden (uit-gezonderd de onroerende voorheffing) worden in de regel beschouwd als schulden in de massa: om die reden heeft de wetgever trouwens voorzien in wettelijke hypotheken en voorrechten ten voordele van de fiscus (...). Een leegstandsheffing kan evenwel aangemerkt worden als een boedelschuld aangezien dergelijke schuld het gevolg is van een norm die rust op de boe-del, vertegenwoordigd door de curator qualitate qua, nl. een norm een on-roerend goed niet te laten leegstaan of te verwaarlozen (zie DE WILDE, A., Boedelschulden in het insolventierecht, Antwerpen, Intersentia, 2005, nr. 334). Daarbij zal de belasting verschuldigd zijn omwille van de fiscale continuïteit na faillissement. De curator laat na het onroerend goed te ge-bruiken, terwijl er een verplichting bestaat tot gebruik.

Door het nalaten van de curator van het bedrijfsgebouw gebruik te maken, doet hij een boedelschuld ontstaan (DE WILDE, A., Boedelschulden in het insolventierecht, Antwerpen, Intersentia, 2005, nr. 335). Nu het faillisse-mentsvonnis aangaande eisende partij dateert van 13/09/2000 en er een eerste keer een registratieattest werd afgeleverd in 2000 (het belaste pand werd een eerste keer in de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten opgenomen op 7 maart 2000) konden stappen ondernomen worden om volgende registraties te vermijden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de betwiste leegstandsheffing inzake een schuld van de boedel is.'

[Eisers] bekritiseren deze beslissing van de eerste rechter. Volgens hen, ontstond de betwiste leegstandsheffing in de kiem vóór het faillissement, d.i. bij de eerste registratie van de bedrijfsruimte op 7 maart 2000. Zij steunen op artikel 15, § 1, van het decreet van 19 april 1995, naar luid waarvan een jaarlijkse heffing wordt ingevoerd op de onroerende goederen die opgenomen zijn in de inventaris en de heffing wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeenvolgende registratie in de in-ventaris van geheel of gedeeltelijk verlaten en/of verwaarloosde bedrijfs-ruimten, en de heffing betrekking heeft op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de heffing wordt betekend.

Naar de mening van [eisers] betreft de betwiste leegstandsheffing daaren-boven geen schuld die de curatoren aangingen teneinde de boedel behoor-lijk te beheren.

Ten laste van de faillissementsboedel komen schulden die zijn ontstaan na de faillietverklaring en die door de curator zijn aangegaan teneinde de faillissementsboedel behoorlijk te beheren (vgl. Cass. 16 juni 1988 (drie arresten), Arr.Cass. 1987-88, 1357, 1360, 1363).

Het beheer kan evenwel ook boedelschulden doen ontstaan door handelin-gen die de curator dient te stellen maar niet stelt (vgl. Cass. 7 maart 2002, R.W. 2002-03, 215, noot A. DE WILDE).

Hierboven werd bij de beoordeling van de overmacht vastgesteld dat reeds vóór haar faillietverklaring op 13 september 2000 de N.V. VANDER EEC-KEN & C° oriënterende en beschrijvende bodemonderzoeken had laten verrichten en dat na de faillietverklaring eerst op 26 juni 2002 een verslag van beschrijvend bodemonderzoek in opdracht van de curatele werd opge-steld (zie supra nr. 6).

De betwiste leegstandsheffing, gevestigd op 24 juli 2002, d.i. na de failliet-verklaring van 13 september 2000, had kunnen worden vermeden, indien de curatele met bekwame spoed de overdrachtsprocedure, voorzien in artikel 37 e.v. van het bodemsaneringsdecreet had benaarstigd.

De curatele liet na dit te doen, zodat de bedrijfsruimte nog op 4 april 2001 en 30 januari 2002 werd opgenomen in de inventaris voor leegstand.

De betwiste leegstandsheffing is in de gegeven omstandigheden een schuld van de massa." (blz. 9-11 van het bestreden arrest)
Aangevoerde grief

Overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van de Faillissementswet verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over al zijn goederen te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring, zelfs over de goederen die hij mocht verkrijgen terwijl hij zich in staat van faillissement bevindt.

In de artikelen 8 en 9 van de Hypotheekwet en artikel 99 van de Faillisse-mentswet is het algemeen beginsel van gelijkheid tussen de schuldeisers vastge-legd.

Overeenkomstig artikel 99 van de Faillisementswet wordt het bedrag van het actief van de gefailleerde onder de schuldeisers verdeeld naar evenredigheid van hun vorderingen en na aftrek van de kosten en uitgaven voor het beheer van de failliete boedel.

Uit deze bepalingen volgt dat een schuld alleen ten laste van de boedel kan vallen wanneer ze enerzijds na het faillissement is ontstaan en anderzijds door de curator qualitate qua is aangegaan met het oog op het beheer van de boedel, onder meer door de handelswerkzaamheden van de gefailleerde voort te zetten, de door de gefailleerde gesloten overeenkomsten uit te voeren of nog, door de roerende of onroerende goederen van de boedel te gebruiken met het oog op het passend be-heer ervan.

Overeenkomstig artikel 15, § 1 van het Decreet van 19 april 1995 houden-de maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, zoals van toepassing vóór de wijziging door het Decreet van 23 juni 2006, wordt een jaarlijkse heffing ingevoerd ten voordele van het Vernieu-wingsfonds op de onroerende goederen die opgenomen zijn in de Inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten. De heffing wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeenvolgende registratie in de In-ventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten en/of verwaarloosde bedrijfsruimten. De heffing heeft betrekking op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de heffing wordt betekend.

Door te oordelen dat de aldus verschuldigde leegstandsheffing ten laste van de boedel valt, terwijl nochtans enerzijds deze schuld haar oorzaak vindt in een toestand die reeds aanwezig was vóór het faillissement gelet op de datum van eerste registratie in de Inventaris vóór het faillissement, en anderzijds deze schuld niet is ontstaan uit een door de curator voor het beheer van de boedel aangegane verbintenis, schendt de appelrechter de in het middel aangehaalde wetsartikelen en miskent hij het algemeen rechtsbeginsel inzake de gelijkheid van de schuldeisers.

 

TOELICHTING

Opdat een schuld gekwalificeerd kan worden als een schuld van de boedel dient zowel een chronologisch als een functioneel criterium te zijn vervuld (A. DE WILDE, Boedelschulden in het insolventierecht, Antwerpen, Intersentia, 2005, 103, nr. 111).

Het chronologisch criterium houdt in dat er slechts sprake kan zijn van een schuld van de boedel wanneer de schuld is ontstaan na het faillissement (Cass. 25 februari 2004, Arr.Cass. 2004, 1901; Cass. 7 maart 2002, RW 2002-03, afl. 6, 215).

Het functioneel criterium houdt in dat er slechts sprake kan zijn van een schuld van de boedel wanneer de schuld een nauwe band vertoont met het beheer van de boedel. Een schuld kan alleen dan een boedelschuld zijn, wanneer de cura-tor verbintenissen heeft aangegaan met het oog op het beheer van de boedel, onder meer door de handelsactiviteit van de gefailleerde voort te zetten, de door de gefailleerde gesloten overeenkomsten uit te voeren of nog door de roerende of onroerende goederen te gebruiken met het oog op het passend beheer van de failliete boedel (Cass. 23 januari 2015, C.14.0324.N; Cass. 20 mei 2011, RW 2011-12, afl. 29, 1299; Cass. 16 juni 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1363).

In casu is noch het chronologisch, noch het functioneel criterium vervuld, zodat de appelrechter niet naar recht kon besluiten tot het bestaan van een schuld van de boedel.

Het chronologisch criterium is niet vervuld, nu het gaat om een leegstands-heffing die wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeen-volgende registratie in de Inventaris, en waarbij de eerste registratie in de Inventa-ris dateert van vóór het faillissement en de tweede registratie in de Inventaris van nà het faillissement. De schuld vindt aldus haar oorzaak in een toestand die reeds aanwezig was vóór het faillissement en voortduurt nà het faillissement en die vreemd is aan het beheer en de vereffening van de boedel. De parallel kan worden getrokken met schulden die voortvloeien uit de saneringsplicht ten gevolge van inbreuken op de milieuwetgeving die werden begaan vóór de faillietverklaring waarvan de gevolgen nadien blijven voortduren en die vreemd zijn aan het beheer en de vereffening van de boedel. Uw Hof besliste recent dat ook deze schulden in beginsel geen schuld van de boedel zijn (Cass. 23 januari 2015, C.14.0324.N; vgl. A. CLOQUET, Les concordats et la faillite, in Les Novelles. Droit commercial, IV, Brussel, Larcier, 1985, nr. 1791: "Le droit à la réparation du dommage causé par un acte illicite du failli est toujours une créance dans la masse, même si la situation illicite perdure, parce que le curateur subit une situation née avant la faillite à laquelle il n'a eu aucune part.", vrije vertaling: "Het recht op schadevergoeding veroorzaakt door een onwettigheid van de gefailleerde is steeds een schuld in de boedel, zelfs al duurt de onwettige situatie voort, aangezien de curator een situatie ondergaat die ontstaan is vóór het faillissement en waarin hij geen enkel aandeel heeft gehad.")

Het functioneel criterium is evenmin vervuld, nu de schuld (heffing) niet is ontstaan uit een door de curator voor het beheer van de boedel aangegane verbin-tenis. De leegstandsheffing is niet verschuldigd geworden door de handelsactivi-teit van de gefailleerde voort te zetten, door de door de gefailleerde gesloten over-eenkomsten uit te voeren of door de roerende of onroerende goederen te gebrui-ken met het oog op het passend beheer van de failliete boedel. De parallel kan worden getrokken met de herziening van de btw-aftrek bij verkoop van activa uit de boedel, eveneens een heffing, waarvan Uw Hof besliste dat dit geen schuld van de boedel uitmaakt (Cass. 30 maart 1995, RW 1995-96, 549; Cass. 20 januari 1994, RW 1994-95, 227).

De appelrechter verwijst in zijn beslissingen naar rechtspraak van Uw Hof waarin het beslist heeft dat de onroerende voorheffing die na het faillissement komt te vervallen een schuld van de boedel uitmaakt (Cass. 16 juni 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1363). Deze rechtspraak kan in casu evenwel niet worden toe-gepast. Inzake onroerende voorheffing is het functioneel criterium immers vervuld ten gevolge van het vermoeden van genot dat inherent is aan de onroerende voor-heffing. De curator wordt op die manier vermoed de onroerende goederen te heb-ben gebruikt met het oog op het passend beheer van de failliete boedel (A. DE WILDE, o.c., 284, nr. 306). De leegstandsheffing evenwel gaat niet gepaard met enig vermoeden; het functioneel criterium is dan ook in geen enkel opzicht ver-vuld.

Aldus is geen van beide criteria voldaan, terwijl zij nochtans beide cumula-tief dienen te zijn vervuld opdat sprake kan zijn van een schuld van de boedel.

 

Op deze gronden en overwegingen, besluit de ondergetekende advocaat voor eiseres dat het U, Hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestre-den arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander Hof van Beroep en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Antwerpen, 1 april 2015

 

F.15.0045.N
Conclusie van advocaat-generaal Thijs:

1. Op 13 september 2000 werd de nv. Van der Eecken & C° failliet verklaard door de rechtbank van koophandel te Dendermonde.

Eisers werden aangesteld als curatoren van dat faillissement.

Het geschil heeft betrekking op een leegstandsheffing, bij toepassing van het decreet van 19 april 1995, op 24 juli 2002 voor het heffingsjaar 2001 gevestigd op naam van de curatele en dit ingevolge twee opeenvolgende opnames van het bedrijfsgebouw van de failliet verklaarde nv. Van der Eecken & C° in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten.

Het door eerste eiser q.q. tegen die heffing ingestelde bezwaar werd ongegrond verklaard bij beslissing van de gemachtigde ambtenaar d.d. 18 november 2002.

Eisers q.q. maakten daarop de zaak aanhangig bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Hun vordering strekte er in hoofdorde toe voor recht te horen zeggen dat de curatele de leegstandsheffïng niet verschuldigd is. Subsidiair, vroegen zij dat de rechtbank zou oordelen dat de heffing een schuld in de boedel is en niet van de boedel.

Op 17 maart 2009 besliste de rechtbank dat de heffing een schuld van de boedel is.

Tegen die beslissing tekenden eisers q.q. hoger beroep aan hetwelk ongegrond werd verklaard bij het thans voor Uw Hof bestreden arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 26 november 2014.

2. Het enig middel tot cassatie is uitsluitend gericht tegen de beslissing van het bestreden arrest dat de leegstandsheffing een schuld van de boedel is.
Het middel voert de schending aan van de artikelen 15, §1, van het decreet d.d. 19 april 1995, 8 en 9 van de Hypotheekwet, 16, eerste lid, en 99 van de Faillissementswet, alsmede van het algemeen rechtsbeginsel inzake de gelijkheid van de schuldeisers.

Meer bepaald wordt het bestreden arrest verweten dat het beslist dat de leegstandsheffing een schuld van de boedel is, terwijl ze enerzijds haar oorzaak vindt in een reeds vóór het faillissement aanwezige toestand, namelijk de eerste registratie van het bedrijfsgebouw in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten en ze anderzijds niet is ontstaan uit een door de curator voor het beheer van de boedel aangegane verbintenis.

Met andere woorden zowel het chronologisch, als het materieel criterium voor het bestaan van een boedelschuld zouden niet zijn vervuld.

3. In het arrest van 23 januari 2015(1) definieerde Uw Hof het begrip "boedelschuld" als volgt:

"Een schuld is alleen dan een boedelschuld, wanneer de curator verbintenissen heeft aangegaan met het oog op het beheer van de boedel, onder meer door de handelsactiviteit van de gefailleerde voort te zetten, de door laatstgenoemde gesloten overeenkomsten uit te voeren of nog door de roerende of onroerende goederen te gebruiken met het oog op een passend beheer van de failliete boedel. De boedel is alleen in die omstandigheden gehouden door de verbintenissen die met dat beheer verband houden en moet de schulden die erop rusten dragen"(2).

Sedert de drie principe-arresten van Uw Hof van 16 juni 1988(3) vereist het bestaan van een schuld van de boedel inderdaad dat deze voldoet aan een chronologisch én aan een functioneel criterium(4).

4. Wat het chronologisch criterium betreft, is uitsluitend de vraag naar het tijdstip van het ontstaan van de schuld van belang.

Verweerder verwijst in dit verband terecht naar het arrest van Uw Hof van 2 mei 1997(5) In dat arrest werd beslist dat een opzeggingsvergoeding volledig moet worden beschouwd als zijnde een schuld van de massa omdat het recht op die vergoeding ontstaat op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waarbij het van geen belang is dat die arbeidsovereenkomst is gesloten en grotendeels is uitgevoerd vóór de faillietverklaring.

Eisers kunnen dan ook niet worden gevolgd waar zij voorhouden dat het afdoende is dat de schuld haar oorzaak vindt in een reeds vóór het faillissement aanwezige toestand opdat het geen schuld van de boedel meer zou kunnen zijn(6).

5. In casu dagtekent het ontstaan van de schuld van na het faillissement.

Het bestreden arrest beslist op dit punt het volgende, zonder ter zake te worden bekritiseerd:

"Luidens artikel 15, §I, van het (...) decreet van 19 april 1995 (houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten) wordt een jaarlijkse heffing ingevoerd op de onroerende goederen die opgenomen zijn in de inventaris en wordt de heffing ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeenvolgende registratie in de inventaris van geheel of gedeeltelijk verlaten en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, en heeft de heffing betrekking op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de heffing wordt betekend.

(Eisers) betwisten tevergeefs dat reeds voor het litigieuze heffingsjaar 2001 een heffing verschuldigd is. Immers, te dezen werd de litigieuze bedrijfsruimte op 4 april 2001 voor de tweede opeenvolgende maal geregistreerd in de inventaris. De betwiste heffing werd gevestigd op 24 juli 2002, d.i. tijdens het kalenderjaar dat volgt op de registratie voor het heffingsjaar 2001, d.i. het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de betwiste heffing werd gevestigd"(7).

Uit de geciteerde wetgeving volgt dat de schuld alleszins ten vroegste is ontstaan na de tweede registratie van het bedrijfsgebouw in de inventaris der leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, zijnde aldus na 4 april 2001. Eén enkele registratie is immers niet afdoende opdat een heffing zou kunnen worden gevestigd en dienvolgens verschuldigd is.

Gezien het faillissement werd uitgesproken op 13 september 2000, is de leegstandsheffing een schuld die pas is ontstaan na het faillissement nu ze slechts is ontstaan na 4 april 2001.

6. Volledigheidshalve weze opgemerkt dat verweerder er terecht op wijst dat onderhavige casus niet vergelijkbaar is met deze die leidde tot het arrest van Uw Hof van 23 januari 2015(8), m.b.t. schulden die voortvloeien uit de saneringsplicht ingevolge inbreuken op de milieuwetgeving, begaan vóór het faillissement en waarvan de gevolgen blijven bestaan na het faillissement zonder dat de curator daarin enig aandeel heeft.

Een eerste reden daarvoor is te vinden in het feit dat in voormelde milieuzaak de schuld ontstaat op het ogenblik dat de gefailleerde vóór het faillissement de inbreuken op de milieuwetgeving pleegt.

Verder wordt in die zaak ook vastgesteld dat de curator geen enkel aandeel heeft gehad in de situatie.

Ook dat is verschillend van onderhavige casus, zoals hierna zal blijken.

7. Wat het functioneel criterium betreft, besliste uw Hof bij arrest van 7 maart 2002(9), dat een schuld ten laste van de faillissementsboedel komt wanneer ze door de curator werd aangegaan als beheerder van die boedel en dit ook het geval is wanneer ze ontstaat door handelingen die hij voor dit beheer dient te stellen, maar niet stelt.

De schuld kan door het nalaten van de curator ontstaan wanneer dit nalaten verband houdt met het beheer van de boedel(10).

Eisers gaan er dan ook ten onrechte van uit dat een schuld van de boedel alleen zou kunnen ontstaan uit een door de curator voor het beheer van de boedel aangegane verbintenis(11).

8. In casu oordeelde het bestreden arrest het volgende, zonder ter zake bekritiseerd te worden:

"Het hof stelt (...) vast dat (eisers) geen stukken neerleggen en evenmin uitleg geven aangaande de stappen die zij in voorkomend geval zouden hebben ondernomen in de periode tussen de datum van hun aanstelling als curator (13 september 2000) en de datum van kennisgeving (15 mei 2002) van de beslissing van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw houdende aanwijzing van de litigieuze gronden als historisch verontreinigde grond waarop bodemsanering moet plaatsvinden. Kennelijk ondernam de curatele gedurende een periode van bijna twee jaar geen stappen in de bodemsaneringsprocedure. Deze enkele vaststelling volstaat om de ingeroepen overmacht, te begrijpen in een van het gemeen recht afwijkende uitleg waarbij als overmacht reeds kan gelden de leegstand te wijten aan redenen buiten de wil van de houder van het zakelijk recht, van wie redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat hij een einde stelt aan de leegstand (...), niet bewezen te verklaren (...)"(12).

Aldus stelden de appelrechters vast dat de leegstand in casu toerekenbaar is aan de curator.

Die niet aangevochten vaststelling volstaat opdat ook aan het functioneel criterium, vereist voor het bestaan van een schuld van de boedel, is voldaan.

Ook auteur A. DE WILDE kwalificeert vanuit die optiek de leegstandsheffing als een "boedelschuld": De leegstandsheffing kan volgens deze auteur worden aangemerkt als een boedelschuld, aangezien ze het gevolg is van een norm die rust op de boedel, vertegenwoordigd door de curator qualitate qua, nl. de norm een onroerend goed niet te laten leegstaan of te verwaarlozen. De belasting zal verschuldigd zijn omwille van de fiscale continuïteit na faillissement. De curator laat na het onroerend goed te gebruiken, terwijl er een verplichting bestaat tot gebruik. Door het nalaten van de curator van een bedrijfsgebouw gebruik te maken, doet hij een boedelschuld ontstaan. De fiscus is voor deze belasting onvrijwillig boedelschuldeiser. Het onvrijwillige karakter van de boedelschuld kan ook bestaan in hoofde van de curator: als gevolg van de fiscale continuïteit wordt de curator geconfronteerd met een norm die op de boedel weegt. Hij kan vrijwillig met deze boedelschuld worden geconfronteerd wanneer de leegstand een beheersbeslissing is in functie van de winstmaximalisatie(13).

Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen.

9. Deze casus doet de vraag rijzen of het voldoende is dat de fiscale schuld ontstaan is na datum van het faillissement of dat het bijkomend noodzakelijk is dat er een band of innige (rechtstreekse) band bestaat tussen de fiscale schuld en het beheer van het faillissement.

In het algemeen kan men wel stellen dat alle voorheffingen en belastingen die betrekking hebben op de activiteit van de belastingplichtige, die door de curator wordt voortgezet, boedelschulden zijn(14).

Auteur DE WILDE wijst bij haar onderzoek naar het begrip "boedelschuld" in dit verband terecht op de bijzondere aard van een fiscale vordering. Het ontstaan van een fiscale schuldvordering vereist vaak geen initiatief van de curator, maar is gebaseerd op een belastbare grondslag die soms gekoppeld wordt aan het genot of gebruik dat gemaakt wordt van een actiefbestanddeel. Soms gaat de wetgever uit van een fictie zoals een vermoeden van gebruik of genot. De rechtspraak van Uw Hof over de onroerende voorheffing(15) en de verkeersbelasting(16) is hiervan een illustratie. De functionele voorwaarde van een band tussen de fiscale schuld en het beheer van het faillissement wordt a.h.w. bevestigd in het wettelijke vermoeden van gebruik of genot(17).
Het ontstaan van de fiscale vordering vloeit inderdaad rechtstreeks voort uit de wet (cf. het grondwettelijk legaliteitsbeginsel).

In deze context kan verwezen worden naar de definitie die de Nederlandse Hoge Raad recent heeft gegeven van het begrip "boedelschulden": "Boedelschulden zijn die schulden die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij het gevolg zijn van het handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting"(18).

De taak van de curator bestaat er in het buitenbezit gestelde vermogen te beheren, hetgeen impliceert dat de curator zich moet onderwerpen aan de wettelijke verplichtingen die op dat vermogen rusten en die ontstaan zijn na het faillissement. Fiscale schulden kunnen bijgevolg onder bepaalde voorwaarden een boedelschuld zijn, inzonderheid wanneer ze ontstaan na het faillissement(19).

Ook vanuit die optiek kan het middel niet worden aangenomen worden.

Besluit: VERWERPING.
_________________________
(1) AR C.14.0324.N, AC 2015, nr. 60.
(2) Zie ook Cass. 26 oktober 2000, RG C.99.0324.F, AC 2000, nr. 579; Cass. 20 mei 2011, RW 2011-2012, 1299; Cass. 27 maart 2015, AR F.14.0141.N, AC 2015, nr. 227.
(3) AC 1987-88, nr. 642.
(4) Zie ook A. DE WILDE, "Boedelschulden en lopende overeenkomsten" in Curatoren en vereffenaars: actuele ontwikkelingen, H. BRAECKMANS e.a. (ed.), Antwerpen, Intersentia, 2006, nr. 13, 595-596.
(5) AR C.96.0271.N, AC 1997, nr. 213.
(6) Cf. voorziening, p. 6.
(7) Bestreden arrest, p. 7, nr. 4.
(8) Cf. verzoekschrift eisers, p. 7.
(9) AR C.00.0187.N, AC 2002, nr. 167.
(10) Cf. Cass. 16 juni 1988, AC 1988, nr. 642: de onroerende voorheffing is een boedelschuld; de omstandigheid dat de curatoren "tot de overdracht van de handelszaak in verband met de bedoelde onroerende goederen niets hebben gedaan" of m.a.w. het gebrek aan initiatief van de curatoren doet daaraan geen afbreuk.
(11) Cf. verzoekschrift, p. 8.
(12) Bestreden arrest, p. 9, nr. 6.
(13) A. DE WILDE, Boedelschulden in het insolventierecht, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 581, nr. 657.
(14) F. DESTERBECK en B. PEETERS, "De faillissementscurator en de fiscaliteit: enkele aandachtspunten", in Curatoren en vereffenaars. Actuele ontwikkelingen II, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2010, 315, nr. 49.
(15) Cass. 16 juni 1988, AC 1988, nr. 642.
(16) Cass. 26 oktober 2000, AR C.99.0324.F, AC 2000, nr. 579.
(17) A. DE WILDE, o.c. 312, nr. 335.
(18) HR, 19 april 2013 inzake Koot Beheer/Tideman q.q., NJ, 2013/291; zie in dit verband A.J. TEKSTRA, "Drie soorten boedelschulden in faillissement", Tijdschrift Financiering, Zekerheden en Insolventierechtpraktijk; 2013, 130; M.N.G. BROK, De vernieuwde criteria voor boedelschulden (masterscriptie 2014), 31-33; F. VERSTIJLEN, "Contract en boedelschuld tussen partijautonomie en paritas", NJB 2013, (2130), 2134.
(19) H. GEINGER en R. BÜTZLER, "Bedenkingen over het begrip "boedelschuld" inzake faillissementen", in Liber Amicorum Paul De Vroede II, Antwerpen, Kluwer, 1994, 840.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 20/05/2018 - 11:36
Laatst aangepast op: zo, 20/05/2018 - 11:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.