-A +A

Lasthebbers die dagelijks beheer van VZW's waarnemen en RSZ

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 25/03/2016
A.R.: 
2013/AR/288

Het Hof oordeelt ondermeer:

Artikel 3, 1° van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de RSZ-wet luidt als volgt:

“De toepassing van de wet wordt verruimd tot:

1° de personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een andere loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheer of aan de dagelijkse leiding van verenigingen en organisaties die geen industriële of handelsverrichtingen uitvoeren en die er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen, alsmede tot die verenigingen en organisaties. Bedoeld worden inzonderheid de ziekenfondsen, verbonden en landsbonden die erkend en gemachtigd zijn voor het verlenen van prestaties van vrijwillige en verplichte verzekering in geval van ziekte of invaliditeit en de organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen, de coöperatieve vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de coöperatie en haar uitvoeringsbesluiten en de verenigingen zonder winstoogmerk.”

Deze bepaling werd uitgevaardigd ingevolge artikel 2, § 1, 1° van de RSZ-wet dat als volgt luidt:

“De Koning kan, bij in ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen:

1° onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een andere persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst; alsdan wijst de Koning de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd.”

Terecht houden de geïntimeerden voor dat artikel 3, 1° van het KB van 28 november 1969 nietig is omdat het de grenzen te buiten gaat waarbinnen de Koning de toepassing van de RSZ-wet, zoals vastgelegd in artikel 2, § 1, 1° van de RSZ-wet, een besluit kan nemen.

Deze onwettigheid mag en moet zelfs ambtshalve door de rechter worden vastgesteld, in welk geval hij de toepassing van het reglementair besluit op grond van artikel 159 Gw. moet weigeren (J. Theunis, De exceptie van onwettigheid, Brugge, die Keure, 2011, 366, nr. 383 en 372, nr. 388).

Zoals op overtuigende wijze in extenso wordt uiteengezet door K. Nevens (“De wettigheid van de gelijkstelling van 'sociale lasthebbers' met werknemers”, JTT 2015, 177-179) en door het arbeidshof wordt beaamd:

kan de Koning van Zijn reglementaire bevoegdheid in casu slechts gebruik maken om het toepassingsgebied van de RSZ-wet uit te breiden tot de personen die “arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst”;
heeft deze bepaling tot doel constructies onderuit te halen die het ontduiken van socialezekerheidsbijdragen beogen, en de schijnzelfstandigheid te bestrijden, door personen die het statuut van zelfstandige hebben doch arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, hoe dan ook bijdrageplichtig te maken;

mist de Koning de bevoegdheid om op grond van de voornoemde bepaling personen aan de RSZ-wet te onderwerpen die geen arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, en is een bepaling die dit toch zou doen, in strijd met de wet;
gaat artikel 3, 1° van het KB van 28 november 1969 de grenzen van de wettelijke delegatie te buiten doordat het ook andere personen, inzonderheid enkel op grond van hun hoedanigheid van lasthebber, aan de RSZ-wet onderwerpt;

kan “noch het feit lasthebber te zijn, noch het feit daarvan zijn voornaamste bedrijvigheid te maken, noch het feit een loon ander dan kost en inwoon te ontvangen, noch het feit lasthebber te zijn van een welbepaalde vereniging of organisatie”, wijzen op het verrichten van arbeid in gelijkaardige voorwaarden als een arbeidsovereenkomst;

had artikel 3, l° voornoemd niet tot doel om schijnzelfstandigheid te bestrijden en gaat het terug op artikel 1 van de wet van 15 april 1965, dat tot doel had “sociale” lasthebbers te beschermen tegen de toenmalige restrictieve visie van de RMZ die de onderwerping aan de socialezekerheidswet van bedienden verwierp wanneer zij ook lasthebber van een vereniging waren.

De appellant kan niet op het uitvoeringsbesluit van 28 november 1969 steunen om de gegrondheid van zijn vordering te bewijzen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/3
Pagina: 
178
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(RSZ / H.M. en S. VZW - Rolnr.: 2013/AR/288)

1. De feiten
De eerste geïntimeerde is sinds 1 januari 2008 de oprichter, aandeelhouder, werkend vennoot en zaakvoerder van de commanditaire vennootschap “C.M.”, met zetel te (…). Zijn echtgenote, H.R. is medeoprichter en stille vennoot.

Op 28 december 2007 sloten de CV C.M. en de tweede geïntimeerde een “overeenkomst mandaat directiecomité” krachtens dewelke de eerstgenoemde er zich toe verbond om voor de tweede geïntimeerde de dagelijkse leiding van diens activiteiten uit te voeren, alsook “adviesverstrekking” en “vertegenwoordiging (intern en extern)”. Namens de CV C.M. zou de overeenkomst door de eerste geïntimeerde uitgevoerd worden. Soortgelijke overeenkomsten werden gesloten met de CV K. (met de heer G.H. als werkend vennoot) en de CV E. (met de heer T.Z. als werkend vennoot).

Bij schrijven van 26 maart 2009 liet de appellant de eerste geïntimeerde het volgende weten:

“Op basis van de door ons verzamelde elementen en nazicht van uw dossier, is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van oordeel dat u voor de prestaties die u vanaf 1 januari 2008 voor S. VZW (…) levert via uw vennootschap CV C.M., onderworpen dient te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers op basis van artikel 3, 1° van het KB van 28 november 1969. Dit artikel breidt de toepassing van de wet van 27 juni 1969 uit tot 'de personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een ander loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheer of aan de dagelijkse leiding van verenigingen en organisaties die geen industriële of handelsverrichtingen uitvoeren en die er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen, alsmede tot die verenigingen en organisaties. Bedoeld worden inzonderheid de ziekenfondsen, verbonden en landsbonden die erkend en gemachtigd zijn voor het verlenen van prestaties van vrijwillige en verplichte verzekering in geval van ziekte of invaliditeit en de organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen, de coöperatieve vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de coöperatie en haar uitvoeringsbesluiten en de verenigingen zonder winstoogmerk'.

Derhalve zal de Rijksdienst overgaan tot ambtshalve aangifte van uw prestaties en lonen vanaf 1 januari 2008, steunend op artikel 22 van de wet van 27 juni 1969. Hierbij wensen wij u te wijzen op artikel 26 van de hierboven vermelde wet, dat bepaalt dat de werkgever de werknemersbijdrage die hij heeft nagelaten ten gepaste tijde in te houden, niet op de werknemers mag verhalen.”

Bij schrijven van dezelfde datum liet de appellant de tweede geïntimeerde het volgende weten:

“Op basis van de door ons verzamelde elementen en nazicht van uw dossier is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van oordeel dat de drie in 'betreft' vermelde personen voor de prestaties die zij vanaf 1 januari 2008 voor u lever(d)en via hun respectievelijk vennootschappen CV C.M., CV E. en CV K. onderworpen dienen te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers op basis van artikel 3, 1° van het KB van 28 november 1969. Dit artikel breidt de toepassing van de wet van 27 juni 1969 uit tot 'de personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een ander loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheer of aan de dagelijkse leiding van verenigingen en organisaties die geen industriële of handelsverrichtingen uitvoeren en die er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen, alsmede tot die verenigingen en organisaties. Bedoeld worden inzonderheid de ziekenfondsen, verbonden en landsbonden die erkend en gemachtigd zijn voor het verlenen van prestaties van vrijwillige en verplichte verzekering in geval van ziekte of invaliditeit en de organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen, de coöperatieve vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de coöperatie en haar uitvoeringsbesluiten en de verenigingen zonder winstoogmerk'.

Derhalve zal de rijksdienst overgaan tot ambtshalve aangifte van hun prestaties en lonen vanaf 1 januari 2008, steunend op artikel 22 van de wet van 27 juni 1969.”

(…)

2. De procedure in eerste aanleg
2.1. Bij verzoekschrift, op 25 juni 2009 ter griffie van de arbeidsrechtbank Veurne neergelegd, tekende de eerste geïntimeerde beroep aan tegen de op 26 maart 2009 genomen beslissing.

Hij vroeg dat zij zou vernietigd worden. Hij vroeg de verwijzing van de appellant in de kosten van het geding. Ten slotte vroeg hij dat het vonnis voorlopig uitvoerbaar zou verklaard worden ondanks elk verhaal en zonder borgstelling, en met uitsluiting van de mogelijkheid van kantonnement.

(…)

2.3. Bij eindvonnis van 14 november 2013 werden de zaken, ingeschreven op de algemene rol onder nrs. 09/311/A en 12/206/A, samengevoegd. De vorderingen werden ontvankelijk en gegrond verklaard. De beslissingen van de appellant van 26 maart 2009 ten aanzien van de geïntimeerden en die van 19 juli 2011 ten aanzien van de tweede geïntimeerde tot ambtshalve onderwerping van de eerste geïntimeerde aan de regeling van sociale zekerheid voor werknemers voor de periode van 1 januari 2008 tot 31 december 2009, alsook het daaruit voortvloeiende bericht van wijziging van 29 juli 2011, werden vernietigd. De appellant werd veroordeeld tot het betalen aan de tweede geïntimeerde van 305.818,61 EUR, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke interest.

De appellant werd veroordeeld tot het betalen van de kosten van het geding.

(…)

3. De procedure in hoger beroep
In zijn akte van hoger beroep vordert de appellant dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaard worden, dat het bestreden vonnis zou worden tenietgedaan en dat het arbeidshof, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vorderingen ongegrond zou verklaren. Gevraagd wordt de geïntimeerden in de kosten van de beide aanleggen te verwijzen.

In zijn syntheseconclusie, op 26 november 2015 ter griffie neergelegd, vordert de eerste geïntimeerde dat het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond zou verklaard worden, één en ander met verwijzing van de appellant in de kosten van het geding.

In haar syntheseconclusie, ter openbare terechtzitting van 27 november 2015 neergelegd, vordert de tweede geïntimeerde in hoofdorde dat het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond zou verklaard worden, één en ander met verwijzing van de appellant in de kosten van het geding. Zij vraagt echter dat de op een volledig jaar betrekking hebbende interest gekapitaliseerd zou worden, wat een van haar uitgaand incidenteel beroep impliceert.

De partijen worden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 27 november 2015.

4. De grieven van het hoofdberoep
De appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis.

Hij stelt inzonderheid:

dat het de geïntimeerden toekomt aan te tonen dat er voor de jaren 2008 en 2009 geen onderwerping aan de socialezekerheidsregeling voor werknemers was;
dat alle voorwaarden voor de toepassing van artikel 3, 1° van het KB van 28 november 1969 vervuld waren;
dat overigens ook de toepassing van de arbeidsrelatiewet tot het besluit leidt dat er een arbeidsovereenkomst bestond;
dat de arbeidsovereenkomst die voorheen bestond tussen de eerste geïntimeerde en de VZW V., hiermee werd voorgezet;
dat de vorderingen ongegrond zijn.
5. Bespreking
5.1. De ontvankelijkheid van de hoger beroepen
Het hoofdberoep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk. De geïntimeerden verduidelijken overigens niet waarom dit niet het geval zou zijn.

Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

5.2. De gegrondheid van de hoger beroepen
5.2.1. Artikel 3, 1° van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de RSZ-wet luidt als volgt:

“De toepassing van de wet wordt verruimd tot:

1° de personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een andere loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheer of aan de dagelijkse leiding van verenigingen en organisaties die geen industriële of handelsverrichtingen uitvoeren en die er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen, alsmede tot die verenigingen en organisaties. Bedoeld worden inzonderheid de ziekenfondsen, verbonden en landsbonden die erkend en gemachtigd zijn voor het verlenen van prestaties van vrijwillige en verplichte verzekering in geval van ziekte of invaliditeit en de organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen, de coöperatieve vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de coöperatie en haar uitvoeringsbesluiten en de verenigingen zonder winstoogmerk.”

Deze bepaling werd uitgevaardigd ingevolge artikel 2, § 1, 1° van de RSZ-wet dat als volgt luidt:

“De Koning kan, bij in ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen:

1° onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een andere persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst; alsdan wijst de Koning de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd.”

5.2.2. Terecht houden de geïntimeerden voor dat artikel 3, 1° van het KB van 28 november 1969 nietig is omdat het de grenzen te buiten gaat waarbinnen de Koning de toepassing van de RSZ-wet, zoals vastgelegd in artikel 2, § 1, 1° van de RSZ-wet, een besluit kan nemen.

Deze onwettigheid mag en moet zelfs ambtshalve door de rechter worden vastgesteld, in welk geval hij de toepassing van het reglementair besluit op grond van artikel 159 Gw. moet weigeren (J. Theunis, De exceptie van onwettigheid, Brugge, die Keure, 2011, 366, nr. 383 en 372, nr. 388).

Zoals op overtuigende wijze in extenso wordt uiteengezet door K. Nevens (“De wettigheid van de gelijkstelling van 'sociale lasthebbers' met werknemers”, JTT 2015, 177-179) en door het arbeidshof wordt beaamd:

kan de Koning van Zijn reglementaire bevoegdheid in casu slechts gebruik maken om het toepassingsgebied van de RSZ-wet uit te breiden tot de personen die “arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst”;
heeft deze bepaling tot doel constructies onderuit te halen die het ontduiken van socialezekerheidsbijdragen beogen, en de schijnzelfstandigheid te bestrijden, door personen die het statuut van zelfstandige hebben doch arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, hoe dan ook bijdrageplichtig te maken;
mist de Koning de bevoegdheid om op grond van de voornoemde bepaling personen aan de RSZ-wet te onderwerpen die geen arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, en is een bepaling die dit toch zou doen, in strijd met de wet;
gaat artikel 3, 1° van het KB van 28 november 1969 de grenzen van de wettelijke delegatie te buiten doordat het ook andere personen, inzonderheid enkel op grond van hun hoedanigheid van lasthebber, aan de RSZ-wet onderwerpt;
kan “noch het feit lasthebber te zijn, noch het feit daarvan zijn voornaamste bedrijvigheid te maken, noch het feit een loon ander dan kost en inwoon te ontvangen, noch het feit lasthebber te zijn van een welbepaalde vereniging of organisatie”, wijzen op het verrichten van arbeid in gelijkaardige voorwaarden als een arbeidsovereenkomst;
had artikel 3, l° voornoemd niet tot doel om schijnzelfstandigheid te bestrijden en gaat het terug op artikel 1 van de wet van 15 april 1965, dat tot doel had “sociale” lasthebbers te beschermen tegen de toenmalige restrictieve visie van de RMZ die de onderwerping aan de socialezekerheidswet van bedienden verwierp wanneer zij ook lasthebber van een vereniging waren.
De appellant kan niet op het uitvoeringsbesluit van 28 november 1969 steunen om de gegrondheid van zijn vordering te bewijzen.

5.2.3. Subsidiair stelt de appellant dat de vordering gegrond is omdat de eerste en de tweede geïntimeerde door een arbeidsovereenkomst verbonden waren en hij verwijst hiervoor naar de bepalingen van de arbeidsrelatiewet, waarbij het arbeidshof meteen opmerkt dat het enkel om de bepalingen kan gaan zoals toepasselijk in de relevante periode.

Artikel 331 van deze wet luidt als volgt:

“Zonder de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden, kiezen de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie waarbij de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenkomen met de aard van de arbeidsrelatie. Er moet voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit.”

Artikel 332 van deze wet luidt als volgt:

“Indien de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die, beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven, zal er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie gebeuren en wordt er een overeenstemmend stelsel van sociale zekerheid toegepast (…).

De elementen die in het eerste lid worden bedoeld, worden beoordeeld op basis van de algemene criteria zoals gedefinieerd in artikel 333 en, desgevallend, van de specifieke criteria van juridische of socio-economische aard die overeenkomstig de adviesprocedure van Hoofdstuk V worden vastgesteld.”

Artikel 333, § 1 van deze wet luidt als volgt:

“De algemene criteria waarvan sprake in vorig artikel en die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen zijn:

de wil der partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt, voor zover deze laatste overeenkomstig de bepalingen van artikel 331 wordt uitgevoerd;
de vrijheid van organisatie van de werktijd;
de vrijheid van organisatie van het werk;
de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen.”
Het is niet noodzakelijk dat al deze criteria in dezelfde richting wijzen (zie Ph. Dewulf, S. Diels en M.-A. Staar, “De Arbeidsrelatiewet: 5 jaar rechtspraak”, Or. 2012, (179) 183-184; T. Messiaen en K. Van Den Langenbergh, “Contractvrijheid en de ontwijking van het werknemerschap: is de Arbeidsrelatiewet een afdoende remedie tegen de schijnzelfstandigheid?” in M. Rigaux en A. Latinne (eds.), Actuele problemen van het arbeidsrecht, 9, Antwerpen, Intersentia, 2014, (115) 138-140, nr. 40), zij het dat, zoals blijkt, dit in casu wél het geval is.

De beoordeling gebeurt exclusief op grond van de voormelde vier criteria. Of de eerste geïntimeerde vóór of ná de in casu in betwisting zijnde periode, volgens de wil van de partijen (of van die van de rechtsvoorganger van de tweede geïntimeerde) wél een werknemersstatuut heeft gehad, is niet relevant. Met het statuut van de heren H. en Z. kan dit hof evenmin rekening houden.

5.2.4. Eerste element is “de wil der partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt, voor zover deze laatste overeenkomstig de bepalingen van artikel 331 wordt uitgevoerd”. De partijen hebben zonder enige mogelijke betwisting gekozen voor een zelfstandig samenwerkingsverband (wat enkel al blijkt uit het feit dat de overeenkomst niet met de eerste geïntimeerde doch met diens managementvennootschap werd afgesloten). De bedingen van de geschreven overeenkomst zijn helemaal niet onverenigbaar met het zelfstandig statuut. Zoals de eerste rechter heeft geoordeeld, hebben de partijen bovendien steeds de geschreven overeenkomst nageleefd.

Tweede element is “de vrijheid van organisatie van de werktijd”, wat, zoals de eerste rechter stelde, slaat op de vrijheid om te beslissen wanneer de arbeid zal worden verricht, inzonderheid wat de uur- en de vakantieregeling betreft (zie T. Messiaen en K. Van Den Langenbergh, “Contractvrijheid en de ontwijking van het werknemerschap: is de Arbeidsrelatiewet een afdoende remedie tegen de schijnzelfstandigheid?” in M. Rigaux en A. Latinne (eds.), Actuele problemen van het arbeidsrecht, 9, Antwerpen, Intersentia, 2014, (115) 148-149, nr. 47). De overeenkomst bepaalt uitdrukkelijk dat de eerste geïntimeerde vrij is te bepalen wanneer hij zijn taken zal verrichten. De appellant toont niet aan dat het er in de praktijk anders aan toe is gegaan. Artikel 6 dat een beschikbaarheid gedurende een aantal kalenderdagen oplegt tijdens de kantooruren (minstens telefonisch), is geen belemmering van de vrijheid van organisatie van de werktijd, zoals door de wet bedoeld.

Derde element is “de vrijheid van organisatie van het werk”. Zoals de eerste rechter aangaf, toont de appellant niet aan dat enig orgaan van de tweede geïntimeerde de eerste geïntimeerde richtlijnen heeft gegeven die de inhoud van zijn werkzaamheden bepaalden, buiten de zgn. “organisatorische noodzakelijkheden”. Artikel 6 van de overeenkomst stelt precies het omgekeerde en ook haar artikel 3 bepaalt dat de eerste geïntimeerde zijn opdracht “volgens zijn eigen wensen en inzichten” zal uitoefenen (duidelijker kan toch niet?). Ten overvloede: de eerste geïntimeerde was lid van het driekoppige directiecomité van de tweede geïntimeerde.

Laatste element is “de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen”. De eerste rechter heeft ook hier terecht geoordeeld dat zelfs deze “mogelijkheid” niet werd bewezen (en die “mogelijkheid” volstaat, zonder dat effectieve controle vereist is). Een controle die enkel op de kwaliteit van het geleverde werk slaat, wordt met dit criterium niet bedoeld (zie Cass. 6 december 2010, RABG 2011, 1024, noot K. Nevens). Het gaat om de controle op “wat moet worden gedaan, hoe en wanneer dit moet worden gedaan” (zie T. Messiaen en K. Van Den Langenbergh, “Contractvrijheid en de ontwijking van het werknemerschap: is de Arbeidsrelatiewet een afdoende remedie tegen de schijnzelfstandigheid?” in M. Rigaux en A. Latinne (eds.), Actuele problemen van het arbeidsrecht, 9, Antwerpen, Intersentia, 2014, (115) 151-152, nr. 50).

5.2.5. Het arbeidshof komt aldus, zoals de eerste rechter dat voor hem deed, tot het besluit dat de appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast doordat hij onvoldoende elementen naar voor heeft kunnen brengen die onverenigbaar zijn met de door de partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie.

5.2.6. De vordering van de geïntimeerden is gegrond (waarbij moet opgemerkt worden dat de eerste rechter wel ultra petita heeft geoordeeld, zonder dat de appellant zich hieraan echter stoort).

(…)

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de bovenstaande gronden.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en inzonderheid op artikel 24 van die wet.

Gelet op het andersluidende schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie, gegeven door substituut-generaal Geert Creemers en op 23 december 2015 ter griffie neergelegd.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpende.

Rechtdoende op tegenspraak.

Verklaart het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk.

Verklaart het hoofdberoep ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep gegrond.

Bevestigt het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de 2de kamer van de arbeidsrechtbank Veurne d.d. 14 november 2013 (AR nrs. 09/311/A en 12/206/A), behalve waar het de vordering tot kapitalisatie van de interest impliciet ongegrond verklaart.

Opnieuw wijzende, zegt voor recht dat de op 26 augustus 2011 vervallen interest bij het bedrag van de door de appellant verschuldigde hoofdsom zal gevoegd worden en dat hij overeenkomstig artikel 1154 BW op de aldus bekomen som interest zal verschuldigd zijn vanaf 27 augustus 2011.

(…)

Noot: 

Van Strijthem, D., « De uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet voor mandatarissen van VZW's – einde verhaal? », R.A.B.G., 2017/3, p. 185-193

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 18/07/2017 - 18:57
Laatst aangepast op: di, 18/07/2017 - 18:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.