-A +A

Lastgeving tussen echtgenoten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 18/02/2015

Het enkele feit dat een echtgenoot mandaat heeft op de rekeningen van de andere echtgenoot, houdt niet noodzakelijk in dat die ene echtgenoot daardoor het beheer heeft van de rekeningen van die andere echtgenoot (zie ook in dat verband o.a.: Cass. 17 juni 2007, NFM 2007, 161). In die optiek kan dan ook niet beweerd worden dat het hebben van een volmacht op een rekening van de andere echtgenoot de echtgenoot zou vrijstellen van elke verantwoordingsplicht voor geldtransacties die onder dekking van de beweerde volmacht op die rekening zouden zijn gebeurd.

Het bestaan van een lastgeving moet immers worden bewezen conform het gemene recht, ook tussen echtgenoten, wat impliceert dat een geschrift vereist is indien de betwiste zaak een waarde heeft die 375 euro overtreft. Dit houdt in dat in geval van betwisting over de volmacht een geschrift vereist is als bedoeld in art. 1341 BW. 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
661
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V. t/ O.

...

Wat voorafgaat

Partijen huwden op 16 juli 1994 te Gordes (Frankrijk) onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract van 13 juni 1994, verleden voor notaris A. te Antwerpen.

Uit hun huwelijk is één kind geboren, namelijk F. op 16 september 1999.

Op 15 september 2011 liet de heer S.V.D.B. (hierna: “de man”) mevrouw L.O. (hierna: “de vrouw”) dagvaarden in echtscheiding.

Het echtscheidingsvonnis van 18 december 2012 is inmiddels ook betekend op 31 januari 2013 en verkreeg kracht van gewijsde op 1 maart 2013.

De vereffening en verdeling van het ontbonden huwelijksstelsel werd bevolen. Notaris D. is daartoe aangesteld als notaris-vereffenaar. De vereffening-verdeling is thans nog steeds lopende.

Naar wat de vrouw beweert, zou de man bepaalde roerende goederen, die haar exclusieve eigendom zijn, onder zich houden of weigeren haar eigendomsrecht hierover te erkennen. Naast een personenwagen Mercedes zou de man ook nog verschillende huuropbrengsten van onroerende goederen die exclusieve eigendom zijn van de vrouw onder zich houden. Voorts zou de man de huurwaarborg van bepaalde huurovereenkomsten hebben weggemaakt. Ten slotte zou de man ook door de verzekering uitbetaalde bedragen voor schadegevallen aan de panden die eigendom zijn van de vrouw hebben weggemaakt.

De vrouw startte een procedure op tegen de man, bij dagvaarding van 23 februari 2012 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen.

Bij het bestreden vonnis van 28 januari 2013 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen werd de vordering van de vrouw gedeeltelijk gegrond verklaard. Meer bepaald werd de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van de som van 100.561 euro huuropbrengsten, de som van 21.678,26 euro huurwaarborgen en de som van 12.303,95 euro schadevergoedingen, uitbetaald door verzekeringen ingevolge schadegevallen aan de eigen panden van de vrouw. (...)

Het hoger beroep van de man, de appellant, strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis:

(1) (...), te zeggen voor recht dat de vorderingen het voorwerp dienen uit te maken van de vereffening en verdeling;

(2) minstens, ten gronde de vordering van de vrouw af te wijzen op grond van art. 1467 BW en te zeggen voor recht dat hij geen verantwoording is verschuldigd voor de gevorderde vruchten gebruikt voor de ontbinding van het stelsel, huurgelden, waarborgen en betaling van schadevergoedingen en voor wat betreft de nog bestaande huurwaarborgrekeningen op zijn naam, die eigen goederen van de vrouw zouden betreffen; akte te verlenen van het feit dat hij bereid is deze over te dragen aan de vrouw, tegen voorlegging door haar van een formulier tot wijziging van de huurwaarborgrekeninghouder;

(3) minstens, nog meer subsidiair, voor zover de vorderingen van de vrouw niet afgewezen worden op grond van art. 1467 BW, quod non, de vorderingen alleszins af te wijzen als ongegrond;

(4) minstens, in ondergeschikte orde, alvorens verder ten gronde recht te doen, een aan te stellen als deskundige, met een nader omschreven opdracht.

De geïntimeerde, de vrouw, concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

...

Beoordeling

Restitutie van huurgelden

1.1. De vrouw voert aan dat de man verschillende huuropbrengsten van onroerende goederen die exclusieve eigendom zijn van de vrouw onder zich zou houden. In wezen maakt de vrouw aanspraak op restitutie van eigen goederen.

Het is in dat verband alleszins niet betwist dat de vrouw reeds vóór het huwelijk eigenaar was van verschillende panden en tijdens het huwelijk nog een aantal panden bijkocht: de onroerende goederen, telkenmale gelegen te Antwerpen, zijn blijkbaar allemaal verhuurd. Deze huuropbrengsten zouden, aldus de vrouw, zelfs de gezinsinkomsten van partijen hebben uitgemaakt, aangezien de vennootschap verlieslatend was en de leningslasten op de onverdeelde panden de huurinkomsten overtroffen. Dat deze panden of een aantal ervan gerenoveerd zouden zijn, doet aan het bovenstaande geen afbreuk; deze werken beïnvloeden het eigendomsstatuut immers niet.

1.2. De man verweert zich tegen de vordering van de vrouw met het argument dat hij gedurende veertien jaar het beheer van zowel de eigen onroerende goederen van de vrouw als van de onverdeelde onroerende goederen verricht heeft, talloze huurcontracten ondertekend heeft en de daarmee samenhangende financiën voor zijn rekening genomen heeft, en hiertoe ook de nodige bankverrichtingen heeft gedaan. Dit zou kaderen in een taakverdeling die afgesproken werd binnen het gezin; dit zou nooit enig probleem hebben opgeleverd, tenzij na het vonnis van echtscheiding. Naar wat de man beweert, wordt een en ander bevestigd door het feit dat hij volmacht had op de persoonlijke bankrekeningen van de vrouw.

Voorts beroept de man zich op het vermoeden van eerlijk gebruik, dat elke verantwoording(splicht) ten aanzien van de andere echtgenoot zou uitsluiten. Ten slotte verwijst de man, meest subsidiair, naar stuk 5 van zijn dossier, namelijk een door hem geannoteerde en becommentarieerde kopie van het stuk 3 van de vrouw, waar hij voor elke post van de huur zou aanduiden waarvoor de gelden zijn gebruikt (renovatiewerken, betaling van de hypotheek en levensonderhoud).

1.3. In de eerste plaats roept de man in dat hij het beheer heeft uitgeoefend krachtens een lastgeving, wat impliceert dat hij zich beroept op art. 1467 BW. Hij voert in dat verband aan dat hij het beheer had van de goederen van zijn (ex-)echtgenote en slechts gehouden is tot oplevering van de aanwezige vruchten, wat hij bereid is te doen in het kader van de vereffening-verdeling.

Het voormelde art. 1467 BW bepaalt: “Wanneer een echtgenoot het beheer van zijn goederen aan de andere echtgenoot heeft gelaten, is deze, hetzij op verzoek van de eerstgenoemde, hetzij bij de ontbinding van het stelsel, slechts gehouden tot het opleveren van de aanwezige vruchten, en hij is geen verantwoording schuldig van die welke tot dan toe zijn gebruikt.”

De vrouw betwist het beheer van de man en voert aan dat dit niet is af te leiden uit de enkele omstandigheid dat hij een volmacht had over de rekeningen.

De vrouw wordt in haar stelling gevolgd door het hof. Het enkele feit dat een echtgenoot mandaat heeft op de rekeningen van de andere echtgenoot, houdt niet noodzakelijk in dat die ene echtgenoot daardoor het beheer heeft van de rekeningen van die andere echtgenoot (zie ook in dat verband o.a.: Cass. 17 juni 2007, NFM 2007, 161). In die optiek kan dan ook niet beweerd worden dat het hebben van een volmacht op een rekening van de andere echtgenoot de echtgenoot zou vrijstellen van elke verantwoordingsplicht voor geldtransacties die onder dekking van de beweerde volmacht op die rekening zouden zijn gebeurd.

Het bestaan van een lastgeving moet immers worden bewezen conform het gemene recht, ook tussen echtgenoten, wat impliceert dat een geschrift vereist is indien de betwiste zaak een waarde heeft die 375 euro overtreft, zoals in casu het geval is. Dit houdt in dat in geval van betwisting over de volmacht een geschrift vereist is als bedoeld in art. 1341 BW. Een dergelijk geschrift ontbreekt. De notariële volmacht (die door de man als zodanig ook niet voorgelegd wordt, maar enkel de notariële akte zelf die ernaar verwijst) volstaat niet als bewijs. Deze volmacht betreft een beperkte en bijzondere volmacht, beperkt tot de aankoop van een onroerend goed, om welke reden deze trouwens notarieel diende verleden te worden.

Enige volmacht tot beheer van gelden van de vrouw kan hieruit geenszins worden afgeleid. Voorts wordt ook geen morele onmogelijkheid tot het opstellen van een geschrift ingeroepen door de man. Een begin van bewijs door geschrift wordt evenmin geleverd. De man faalt in zijn bewijslast.

Benevens het feit dat het hof geen lastgeving bewezen acht (zodat ook art. 1467 BW geen toepassing kan vinden), zij nog opgemerkt dat art. 1467 BW een onredelijke bepaling zou zijn in de interpretatie die de man voorstaat. Het uitsluiten van elke mogelijkheid om rekenschap te eisen, is niet billijk en spoort trouwens ook niet met de fundamentele regels van gelijkheid en autonomie die tussen van goederen gescheiden echtgenoten moeten gelden. Er bestaat geen redelijke verantwoording voor een regel die enerzijds het verlenen van bevoegdheid op eigen goederen toelaat, maar die anderzijds verbiedt om tot verantwoording te roepen over de wijze waarop deze bevoegdheid werd uitgeoefend. Vandaar dat een doelgebonden en redelijke wetsuitlegging aangewezen is. Het behoort overigens ook tot de essentie van elke lastgeving(sopdracht) dat de lasthebber rekenschap en verantwoording dient af te leggen. De juridische grondslag van deze substantiële plicht, die rust op de schouders van elkeen die belast is met het beheer van andermans vermogen, is te vinden in het eigendomsrecht van diegene wiens vermogen wordt beheerd en het hieraan gekoppelde recht voor de lastgever om zelf nog steeds over diens eigen rechtssfeer te beschikken (zie o.a.: A. Van Oevelen, “De verplichting van de lasthebber om rekenschap en verantwoording af te leggen” in Verantwoordelijkheid en recht, Mechelen, Kluwer, 2008, (90), p. 106, nrs. 22 e.v.).

Een gebeurlijke volmacht door die de vrouw aan haar man zou zijn gegeven, zoals de man beweert maar niet afdoende bewijst, verleende hem dan ook niet de bevoegdheid om de vruchten af te wenden van het vermogen van de andere echtgenoot.

1.4. Naar het oordeel van het hof komt het bij echtgenoten gehuwd onder scheiding van goederen niet toe om naar eigen inzichten de inkomsten van de andere echtgenoot te besteden aan levensonderhoud. Pas nadat een echtgenoot zelf kan beschikken over zijn inkomen, beslist deze zelf welke bestemming hij hieraan geeft, met dien verstande dat hij ook moet bijdragen in de lasten van het huwelijk. Dit volgt trouwens ook uit de bepalingen van het primair stelsel (o.a. art. 221 BW).

Overigens bewijst de man geenszins dat hij ook mandaat zou hebben gehad om, naast de inning van de huurinkomsten (aangenomen dat hij hiervoor zijn mandaat reeds zou bewijzen, quod non, zoals hierboven reeds is overwogen), deze naar eigen goeddunken of eigen inzichten te investeren dan wel te besteden.

Hier zij enkel nog aan toegevoegd dat indien de man meent dat hij, wegens betalingen voor rekening van het vermogen van de vrouw dan wel ten behoeve van bepaalde onverdeeldheden, bepaalde vorderingen heeft op de vrouw, hij deze als zodanig ook dient in te stellen, hetzij in de vereffening-verdeling, hetzij in een procedure die hier los van staat (bij verschuivingen tussen de eigen vermogens). Dit kan evenwel niet als verweer worden gehanteerd tegen de vorderingen van de vrouw die thans het voorwerp van betwisting uitmaken en voorliggen ter beoordeling aan dit hof.

1.5. Te dezen blijkt uit de door de vrouw overgelegde stukken dat de man zich huurgelden die aan de vrouw toekwamen (als vruchten van eigen goederen in een stelsel van scheiding van goederen) heeft toegeëigend. Aangezien het bestaan van een volmacht niet bewezen wordt geacht, zijn alle bedragen te restitueren door de man.

Restitutie van huurwaarborgen

2.1. Inzake de huurwaarborgen voor de onderscheiden panden die exclusieve eigendom van de vrouw zijn (kennelijk zes panden met ongeveer 25 verhuurbare units: in haar syntheseconclusies geeft de vrouw in dat verband een overzicht) heeft de vrouw een omstandig overzicht, gestaafd met stukken, opgesteld waaruit blijkt welke waarborgen de man zou hebben ontvreemd of afgewend.

2.2. Het staat niet ter betwisting dat de huurwaarborgen betrekking hebben op eigen onroerende goederen die de vrouw verhuurt.

Dat het waarborgen (en dus telkens een vorm van reële zekerheid) betreft, doet niets af aan het feit dat de vrouw er in beginsel belang bij heeft deze waarborgen terug te krijgen.

2.3. Ook hier geldt eenzelfde overweging als hiervoor, zodat het hof kan volstaan ernaar te verwijzen.

De man bewijst niet dat hij een volmacht had van de vrouw en evenmin dat de betreffende gelden door hem aan de vrouw werden gerestitueerd.

Overtuigende of dienende bewijzen van kwijtingen liggen niet voor. Met eigen aantekeningen of notities van de man wordt geen rekening gehouden, want niemand kan zichzelf een titel verschaffen tot bewijs van zijn eigen beweringen die door de wederpartij worden betwist.

Restitutie van verzekeringsgelden

3.1. Inzake de terugbetaling door de verzekeraar wegens bepaalde schadegevallen (vordering door de vrouw begroot op 12.303,95 euro) werpt de man op dat het ging om schadegevallen waarvoor de herstelling steeds opgedragen werd aan de vennootschap van partijen. Uit het feit dat de briefwisseling betreffende deze dossiers aan hem was gericht, leidt hij af dat bewezen is dat hij belast was met het beheer van deze onroerende goederen.

De (herstel)offertes en navolgende facturen zouden zijn toegezonden aan de verzekeringsmakelaar. Gelet op de herstellingen, diende de man naar eigen zeggen de vergoedingen niet over te maken aan de vrouw, aangezien hij de hersteller diende te betalen; deze betaling bewijst de man naar eigen zeggen, onder verwijzing naar de rekeninguittreksels van de bank.

3.2. Ook hier geldt eenzelfde overweging als hiervoor, zodat het hof kan volstaan ernaar te verwijzen.

De man bewijst niet dat de gelden door hem aan de vrouw werden gerestitueerd.

Met de door de man gedane investeringen of betalingen (o.a. voor renovatie) kan geen rekening worden gehouden, nog los van de vraag naar de juistheid van deze beweringen.

Door deze beweerde betalingen te doen eigende de man zich eveneens gelden toe die hij aan de vrouw had moeten doen toekomen. Daar zij nog aan toegevoegd dat de man, luidens zijn eigen verklaringen ter zitting van 27 januari 2015, gedelegeerd bestuurder is in de bedoelde NV (thans in vereffening), zodat hij de organieke vertegenwoordiger was van de wederpartij van zichzelf, toen de beweerde opdrachten zouden zijn verstrekt en de navolgende betalingen zouden zijn gebeurd aan deze vennootschap, waarvan hij bovendien zelf de helft van de aandelen in bezit had, zoals bevestigd is ter zitting van 27 januari 2015.

Hoewel ook hier geen lastgeving bewezen wordt geacht, merkt het hof louter volledigheidshalve op, in antwoord op de argumentatie van de man, dat de lasthebber fiduciaire verplichtingen heeft, die verbieden de hem verleende doelgebonden bevoegdheden in zijn eigen belang aan te wenden of hieruit enig persoonlijk voordeel te halen. Een van de centrale fiduciaire plichten is de loyauteitsplicht, die geënt wordt op het essentieel vertrouwenskarakter van de lastgeving. Voor de lasthebber moet elk (belangen)conflict met zijn lastgever worden vermeden. Deze regel houdt o.a. in dat een lasthebber zich niet in een positie mag plaatsen waardoor zijn eigen persoonlijk belang ook maar enigszins zou kunnen conflicteren met de plichten die hij verschuldigd is ten aanzien van de lastgever. De verbintenissen ten aanzien van zijn lastgever sluiten voor de lasthebber elke mogelijkheid uit om – bij de uitvoering van zijn lastgevingsopdracht – tegelijk ook zijn eigen belangen in acht te nemen (zij het, in voorkomend geval, slechts onrechtstreeks). Een scrupuleuze getrouwheid van de lasthebber behoort tot het legitieme en normale verwachtingspatroon van de lastgever.

Daar de man bovendien ook een belangrijke aandelenparticipatie had in de NV H. & C., aan wie de gelden zouden zijn overgemaakt (althans een belangrijk gedeelte ervan) ter betaling van bepaalde facturen, zij opgemerkt dat in zijn verhouding met derden de lastgeving geen bron van voordelen mag vormen voor de lasthebber (vgl. o.a. met F. Laurent, Principes de droit civil, XXVII, Brussel, Bruylant, 1877, p. 560-561, nr. 502).

Dat de vrouw ook aandelen in de NV H. & C. zou hebben of de betalingen de panden van de vrouw ten goede zouden zijn gekomen, doet aan het bovenstaande geen afbreuk; deze vaststellingen zijn niet relevant in het licht van de principiële terugbetalingsplicht die op de man rust.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 07/02/2017 - 12:50
Laatst aangepast op: di, 07/02/2017 - 12:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.