-A +A

Lastgeving en décharge

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 16/06/2014
A.R.: 
C.13.0527.F

Uit de artikelen 1993 en 1341 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat het uitdrukkelijk of stilzwijgend bewijs van de decharge door de lastgever dat de lasthebber aanvoert om rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht, dient te geschieden op de manier bepaald bij artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek wanneer het een som betreft die 375 euro te boven gaat

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.13.0527.F
A. M.,
tegen
1. M. T.,
2. Y. T.,
 

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 juli 2013.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1338, 1340, 1341, 1347, 1348 en 1993 van het Burgerlijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel waarbij de afstand van een recht stilzwijgend kan zijn voor zover die zeker is en kan worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere interpretatie vatbaar zijn.

Aangevochten beslissingen

Nadat het arrest vastgesteld heeft dat niet wordt "betwist dat mevrouw B. aan haar volle nicht, de eiseres, vanaf 2002 een volmacht op haar bankrekeningen gegeven heeft en dat die lastgeving geen einde nam zolang de overledene nog leefde" en erop gewezen heeft "dat, de eiseres, buiten de geldopnemingen voor de lopende uitgaven van mevrouw B., de lasten van de mede-eigendom van de gebouwen waarvan zij eigenaar was, onroerende voorheffingen en belastingschulden, de volgende geldopnemingen heeft verricht:
tussen 1 augustus 2002 en 20 oktober 2005 :

- 154.704,03 euro van de zichtrekening 310-0750980-92
- 1.250 euro van het spaarboekje 310-4757888-27
- 5.500 euro van de zichtrekening 432-9135881-79
tussen oktober 2005 en oktober 2008 :
- 97.710 euro van de zichtrekening 310-0750980-92
- 4.500 euro van het spaarboekje 310-4757888-27
- 58.036,68 euro van het spaarboekje 310-4757888-27
- 5.577,80 euros van de zichtrekening 432-9135881-79
- 6.250 euro van de spaarrekening 432-9135889-37

Het arrest "verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; vernietigt ver-volgens het beroepen vonnis, behalve in zoverre het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart" en, "bij wege van nieuwe beschikkingen voor het overige [...], veroordeelt het de eiseres om aan de verweerders 333.528,48 euro te betalen, vermeerderd met de verwijlinterest vanaf de datum van de verschillende geldopnemingen, tot de daadwerkelijke betaling" en ook de "kosten van de twee rechtsplegingen".

Het steunt die beslissing op de volgende redenen:

"6. Krachtens artikel 1993, Burgerlijk Wetboek, is de lasthebber gehouden (i) aan de lastgever, of als hij komt te overlijden, aan zijn erfgenamen, rekenschap te geven van de uitvoering van zijn lastgeving, en (ii) hem alles terug te geven dat hij in het kader daarvan heeft ontvangen of, bij ontstentenis, het feit aantonen die zijn bevrijding rechtvaardigt (teruggave van de gelden aan de lastgever, schenking, schuldvergelijking met een schuld van de lastgever jegens de lasthebber, enz.).

7. De eiseres voert aan dat zij rekenschap gegeven heeft van haar lastgeving aan mevrouw B. naarmate deze werd uitgevoerd en dat laatstgenoemde haar kwijting heeft verleend toen ze nog leefde of, met andere woorden, dat mevrouw B., toen ze nog leefde, afstand zou hebben gedaan van de teruggave van de tegoeden of bedragen die haar lasthebber of de door haar in het kader van haar lastgeving aangewezen derden hadden ontvangen.

Wat de kwijting betreft, moet het bewijs van een dergelijke bewering in een akte worden vastgelegd overeenkomstig de artikelen 1341 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, aangezien het gaat om een bedrag dat de som van 375 euro te boven gaat.

De eiseres beroept zich hierbij ten onrechte op een morele onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen van de opeenvolgende kwijtingen die mevrouw B. haar zou hebben verleend, terwijl ze, niettegenstaande de kennelijk bevoorrechte betrekkingen die ze met haar onderhield, stukken overlegt die aantonen dat ze het schriftelijk bewijs van sommige betalingsopdrachten van haar lastgever wel bewaarde.

Bijgevolg stond het haar vrij om niet voor elke verrichting een schriftelijke kwijting te eisen, maar deze ten minste op regelmatige basis te vragen, zonder de affectieve relatie die ze met de overledene had in het gedrang te brengen. Des te meer aangezien het onderwerp 'rekeningen' als we het schriftelijk attest mogen geloven dat de heer Be. op 20 oktober 2009 heeft opgemaakt, geenszins een taboe was tussen de partijen bij de lastgevingsovereenkomst.

Behoudens het overleggen van een begin van bewijs door geschrift, dat de opeen-volgende aangevoerde kwijtingen aannemelijk maakt, heeft die 'getuigenis' evenwel geen enkele bewijswaarde.

De eiseres moet dus wel degelijk verantwoording afleggen aan de erfgenamen van mevrouw B. (hier de verweerders) en, desgevallend, wat ze ontvangen heeft teruggeven of, als ze beweert te zijn bevrijd, de oorzaak van de bevrijding die ze inroept, aantonen".

Grieven

1. De kwijting (of decharge) is een eenzijdige akte van afstand waardoor de lastgever, die tevreden is over het beheer van zijn lasthebber, afziet van het recht om de vordering die voortvloeit uit de lastgeving uit te oefenen. Deze kan stilzwijgend zijn voor zover ze zeker is en kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn (de artikelen 1338, 1340 en 1993, Burgerlijk Wetboek, en het in het middel bedoelde algemeen rechtsbeginsel).

2. Zo, krachtens artikel 1341, Burgerlijk Wetboek, "een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaan", is die regel enkel van toepassing op de partijen bij die akte, terwijl derden het bewijs daarvan met andere rechtsmiddelen kunnen leveren.

De derden ten aanzien van een eenzijdige akte, zelfs als deze voor hen bedoeld is, kunnen aldus het bewijs daarvan leveren door getuigenissen of vermoedens zonder zich te moeten beroepen op een begin van bewijs door geschrift in de zin van artikel 1347, Burgerlijk Wetboek, of van één van de redenen bedoeld in artikel 1348 daarvan (de artikelen 1341 en, voor zoveel nodig, 1347 en 1348, Burgerlijk Wet-boek).

3. Daaruit volgt dat het arrest, doordat het zijn beslissing steunt op de overweging dat de eiseres overeenkomstig de artikelen 1341 en volgende, Burgerlijk Wetboek, het bewijs door geschrift moest leveren van de kwijting waarop zij zich beriep, dat zij ten dezen dat bewijs door geschrift niet leverde en evenmin het bestaan aantoonde van een morele onmogelijkheid om zich een bewijs te verschaffen (artikel 1348, Burgerlijk Wetboek) of van een begin van bewijs door geschrift (artikel 1347, Burgerlijk Wetboek):

1° het beginsel miskent volgens hetwelk de kwijting, in navolging van iedere afstand, stilzwijgend kan zijn en bijgevolg op een andere manier kan worden aangetoond dan door een geschrift (schending van de artikelen 1338, 1340 en 1993, Burgerlijk Wetboek en van het in het middel bedoelde algemeen rechtsbeginsel);

2° de draagwijdte miskent van artikel 1341, Burgerlijk Wetboek, door het toe te passen op het bewijs door de lasthebber van de kwijting terwijl deze een derde is in die eenzijdige akte en artikel 1341 slechts geldt voor de partijen bij een akte (schending van het genoemde artikel 1341, en voor zoveel nodig, van de artikelen 1347 en 1348, Burgerlijk Wetboek);

3° en bijgevolg zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van alle in het middel bedoelde bepalingen en inzonderheid van de artikelen 1338, 1340, 1341 en 1993, Burgerlijk Wetboek, miskenning van het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk de afstand van een recht stilzwijgend kan zijn voor zover de afstand zeker is en kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Luidens artikel 1993, Burgerlijk Wetboek, is iedere lasthebber gehouden reken-schap te geven van de uitvoering van zijn lastgeving, en aan de lastgever verant-woording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht ontvangen heeft, al was ook het door hem ontvangene aan de lastgever niet verschuldigd.

Artikel 1341, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaan.

Daaruit volgt dat het bewijs van de uitdrukkelijke of stilzwijgende kwijting van de lastgever, die de lasthebber aanvoert om de uitvoering van zijn verbintenissen te rechtvaardigen, dient geleverd te worden op de wijze bepaald bij artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek wanneer het een som betreft die 375 euro te boven gaat.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Dictum,
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 07/10/2016 - 17:09
Laatst aangepast op: vr, 07/10/2016 - 17:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.