-A +A

Lasterlijke aangifte - vereiste spontaniteit van de aangifte

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 23/05/2017
A.R.: 
P.16.0719.N

De lasterlijke aangifte is slechts als misdrijf te weerhiuden mits de verklaringen spontaan werden afgelegd.

Dat een aangifte gebeurt naar aanleiding van een uitnodiging tot verhoor of als verweer, sluit niet uit dat zij spontaan is, namelijk wanneer op eigen initiatief elementen worden meegedeeld die tot doel hebben anderen te benadelen.

Artikel 445, eerste en tweede lid, Strafwetboek bestraft degene die schriftelijk bij de overheid een lasterlijke aangifte indient. Dat misdrijf vereist als constitutief bestanddeel onder meer dat de dader de aangifte spontaan doet, dit wil zeg-en op eigen initiatief en zonder daartoe te zijn genoopt door een wettelijke verplichting dan wel een vraagstelling of betichting uitgaande van de overheid.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1699
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.16.0719.N
J.-M.B. t/ L.N. en N.C.
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 mei 2016, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 10 februari 2015.
...
II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
...
Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van de artt. 193, 196, 213 en 214 Sw.: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verklaringen die de verweerders ten nadele van de eiser hebben afgelegd, geen stukken betreffen die zich aan het openbaar vertrouwen opdringen; met de stelling dat die verklaringen niet het voorwerp kunnen uitmaken van een intellectuele valsheid in geschriften omdat een verdachte niet moet meewerken aan het onderzoek en de waarheid niet moet vertellen, terwijl een slachtoffer enkel zijn versie van de feiten geeft die onderworpen blijft aan tegenspraak, miskent het arrest de definitie van het misdrijf valsheid in geschriften; die verklaringen hebben immers degenen die er kennis van hebben genomen kunnen overtuigen, hebben in zekere mate tot bewijs kunnen strekken en zijn opgenomen in processen-verbaal, dit zijn beschermde geschriften, op basis waarvan de eiser achteraf is veroordeeld.

5. Het misdrijf valsheid in geschriften als bedoeld in de artt. 193, 196 en 214 Sw. bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.

Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die er kennis van nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten.

6. Eensdeels dringen processen-verbaal die verklaringen van het slachtoffer of van de verdachte van een misdrijf bevatten, zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen. Die personen geven immers slechts een subjectieve versie van de feiten, die onderworpen is aan tegenspraak en gecontroleerd kan worden aan de hand van de gegevens van het strafonderzoek. Een verdachte mag bovendien tot zijn verweer alle feitelijke elementen aanvoeren die hij dienstig acht, ongeacht of zij waar of onwaar zijn.

7. Anderdeels is valsheid in geschriften een aflopend misdrijf. Een geschrift dat zich op het moment van de eventuele waarheidsvermomming, dit is vóór de controle ervan, uit zijn aard niet aan het openbaar vertrouwen opdrong en derhalve geen valsheid kon opleveren, wordt alsnog geen strafrechtelijk beschermd geschrift omdat na controle de onjuistheid van het erin opgenomen rechtsfeit blijkt.

8. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.

9. Met de redenen die het onderdeel aanhaalt, miskent het arrest niet de definitie van het misdrijf valsheid in geschriften, maar verantwoordt het de beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
...
Derde middel in zijn geheel

16. Het eerste onderdeel voert schending aan van art. 445 Sw.: het arrest oordeelt dat de verklaringen van de verweerders geen lasterlijke aangiften uitmaken, omdat het vereiste spontane karakter onvoldoende aanwezig is; het feit dat een aangifte gebeurt naar aanleiding van een uitnodiging tot verhoor of als verweer, sluit niet uit dat zij spontaan is, namelijk wanneer op eigen initiatief elementen worden meegedeeld die tot doel hebben anderen te benadelen; de verweerster 1 deed in haar verklaringen bij de politie spontaan valse beschuldigingen tegen de eiser en verschafte valse elementen die nog niet gekend waren, dit met het kwaadwillig opzet om te schaden en om een verblijfsrecht te verkrijgen; de verweerder 2 deed dit eveneens tegen zijn ondergeschikte; in het bijzondere geval van art. 445, derde lid Sw. is spontaniteit bovendien niet vereist.

Het tweede onderdeel voert schending aan van art. 149 Gw: het arrest oordeelt dat de verklaringen van de verweerster 1 geen lasterlijke aangifte uitmaken omdat het vereiste spontane karakter onvoldoende aanwezig is; het deelt evenwel niet mee op grond van welke elementen het tot dat besluit komt; aldus is de beslissing niet met redenen omkleed en wordt eisers verweer niet beantwoord.

17. Art. 445, eerste en tweede lid, Sw. bestraft degene die schriftelijk bij de overheid een lasterlijke aangifte indient. Dat misdrijf vereist als constitutief bestanddeel onder meer dat de dader de aangifte spontaan doet, d.w.z. op eigen initiatief en zonder daartoe te zijn genoopt door een wettelijke verplichting dan wel een vraagstelling of beschuldiging uitgaande van de overheid.

18. In zoverre het eerste onderdeel aanvoert dat de verweerders de eiser spontaan hebben beschuldigd in de zin van die bepalingen, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van het tegendeel door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.

19. Art. 149 Gw. is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen, ook niet in geval van een beslissing tot buitenvervolgingstelling.
In zoverre het tweede onderdeel schending van die grondwetsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.

20. Zo het onderzoeksgerecht weliswaar verplicht is zijn beslissing te motiveren en de conclusies van de partijen te beantwoorden, is het er niet toe gehouden de redenen van zijn redenen aan te geven.
In zoverre het tweede onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

21. Het arrest oordeelt: «De verklaringen die door [de verweerster 1] en [de verweerder 2] werden afgelegd, maken geen lasterlijke aangiften uit, omdat het vereiste spontaan karakter onvoldoende aanwezig is.» Aldus oordeelt het dat de verweerders hun verklaringen aan de politie niet spontaan hebben afgelegd en beantwoordt het eisers verweer.

In zoverre kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen.

22. In zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat de feiten als laster gekwalificeerd, voor wat de verweerder 2 betreft, ook dienden te worden omschreven als het door art. 445, derde lid Sw. bedoelde wanbedrijf van lasterlijke aantijging aan een meerdere m.b.t. zijn ondergeschikte en dat dit misdrijf geen spontaniteit vereist. Het arrest beantwoordt dit verweer niet.

In zoverre is het tweede onderdeel gegrond.

Noot: 

• L. Van den Steen, De spontaneïteit van de aangifte als constitutief bestanddeel van het misdrijf lasterlijke aangifte, RW 2017-2018, 1699, noot onder Cass. 23/05/2017

• COPPENS, J., [Lasterlijke aangifte], T.Strafr. 2015, afl. 4-5, 249-250

• VAN VOLSEM, F., Over laster en lasterlijke aangifte en de bewijslast van het waar of vals karakter van de aantijging of de aangifte, RABG 2013, afl. 14, 1028-1034

• ARNOU, P., De Wet van 4 juli 2001 en het prejudicieel geschil inzake laster en lasterlijke aangifte, RW 2001-02, 833-840 en http://www.rw.be (26 februari 2002).

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/06/2018 - 14:54
Laatst aangepast op: ma, 18/06/2018 - 14:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.