-A +A

Kwijting voor toekomstige schade die onvoorzienbaar was bij het sluiten van de kwijting of dading maakt dwaling uit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 28/10/2013

De dading is immers een overeenkomst waarbij partijen een gerezen betwisting beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen door middel van wederzijdse toegevingen.

Of een toegeving werd gedaan, kan worden getoetst aan de oorspronkelijke bedoeling van de partijen en aan hun werkelijke rechten.

In deze zaak werd vastgesteld dat de verzekerde toegevingen deed doch de verzekeraar niet, hetgeen de dading nietig maakte.

Ook de kwijting werd niet aanvaard voor toekomstige gevolgen, deze is behept met een wilsgebrek wanneer de betrokkene volledig genezen werd verklaard en nadien toch nog letsels of gebreken in de toekomst gaat vertonen. In dit geval is de kwijting behept met een dwaling.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
234
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

CVBA F.V. t/ E.C.

Het geding tussen de partijen betreft de schadelijke gevolgen van een arbeidsongeval van 21 januari 2011, waaromtrent zij een document, genaamd “dading”, hadden ondertekend op 18 maart 2011. In dit document werd de schade die E.C. had geleden bepaald op 1.250 euro, bedrag dat haar werd uitbetaald.

Door brief van 6 maart 2012 van haar raadsman aan F.V. heeft E.C. aangevoerd dat de dadingsovereenkomst nietig was wegens dwaling en bedrog.

Op 23 april 2012 ging E.C. over tot dagvaarding van F.V. voor de politierechtbank te Antwerpen.

...

2.1. De essentiële vermeldingen in de “overeenkomst van dading” van 18 maart 2011 zijn de volgende:

“... wordt, na bespreking en na onderling en met kennis van zake toegevingen te hebben gedaan en met de wens een einde te maken aan elke huidige of latere betwisting, overeengekomen wat volgt:

Art. 1: De schade voortspruitend uit het ongeval van 21 januari 2011, waarvan ondergetekende anderzijds het slachtoffer was, wordt bepaald op de som van 1.250 euro (afgerond, alles inbegrepen en niets uitgezonderd). Ondergetekende anderzijds geeft de maatschappij door de ondertekening van dit document geldig kwijting.

Art. 2: De ondergetekenden erkennen dat met deze som forfaitair, definitief en transactioneel alle gevolgen van het ongeval worden vergoed, inzonderheid de stoffelijke en morele, bekende en onbekende, huidige en toekomstige, voorziene en onvoorziene schade die nog niet voorzienbaar of wetenschappelijk vast te stellen is. Ondergetekende anderzijds erkent door het aangaan van een dading af te zien van iedere loutere eis en aanvaardt de bovengenoemde som als definitieve regeling. Bijgevolg verklaart zij afstand te doen van iedere huidige of toekomstige rechtsvordering tegen ondergetekende enerzijds en haar verzekerde, op welke grond ook”.

De eerste rechter oordeelde dat dit stuk niet kan worden beschouwd als een dadingsovereenkomst, wegens het ontbreken van de daarvoor vereiste wederzijdse toegevingen. De dading is immers een overeenkomst waarbij partijen een gerezen betwisting beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen door middel van wederzijdse toegevingen (Cass. 26 september 1974, Pas. 1975, I, 111).

2.2. Na nieuw onderzoek in hoger beroep volgt de rechtbank de visie van de eerste rechter wat de verwerping van de kwalificatie als dadingsovereenkomst betreft. Het bestaan van wederzijdse toegevingen is inderdaad essentieel als constitutief bestanddeel van de dadingsovereenkomst (B. Tilleman, I. Claeys, C. Coudron en K. Loontjes, Dading in APR, Antwerpen, Kluwer, 2000, nr. 68).

Of een toegeving werd gedaan, kan worden getoetst aan de oorspronkelijke bedoeling van de partijen en aan hun werkelijke rechten (B. Tilleman e.a., o.c., nrs. 71-72).

Alsdan blijkt voor E.C. een toegeving op haar oorspronkelijke vordering van 1261,75 euro, namelijk een vermindering van de administratie- en vervoerskosten, maar ook – en veel belangrijker – het erkennen dat met het bedrag van 1.250 euro niet alleen de huidige maar ook de toekomstige, voorziene en onvoorziene schade werd vergoed, met inbegrip van eventuele schade die nog niet voorzienbaar of wetenschappelijk vast te stellen was.

Aan de zijde van E.V. daarentegen valt geen enkele toegeving te bespeuren.

...

2.3. Anders dan de eerste rechter impliciet oordeelde, kan de overeenkomst van 18 maart 2011 maar het oordeel van de rechtbank niet worden beschouwd als een kwijting tot gedeeltelijke of finale afrekening. Een vergoedingskwijtschrift is immers niets anders dan de schriftelijke vaststelling van een door de verzekeraar aan de benadeelde gedane betaling tot vergoeding (Ph. Colle, “Over de dading en de vergoedingskwijting in de praktijk van de verzekeringen”, RW 1999-2000, 969 e.v.).

Te dezen wordt in de overeenkomst weliswaar kwijting gegeven door de benadeelde maar wordt ook overeengekomen dat alle toekomstige gevolgen van het ongeval worden vergoed, wat een vaststellingsovereenkomst is (L. Schuermans, Grondslagen van het Belgisch Verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 467). Net als de dading beoogt een vaststellingsovereenkomst een definitief einde te maken aan een bestaand of toekomstig geschil, maar in tegenstelling tot de dading berust zij niet op toegevingen van beide partijen (P. Colle, o.c., RW 1999-2000, p. 970, nr. 4). Op de vaststellingsovereenkomst, die partijen tot wet strekt, kan niet worden teruggekomen, behalve in geval van wilsgebreken.

...

2.5. E.C. voert (...) aan dat de overeenkomst nietig is wegens dwaling.

...

E.C. voert aan dat een “tweede dwaling” bij haar bestond omtrent de opgelopen letsels doordat zij, terwijl haar dokter haar genezen had verklaard vanaf 5 maart 2011, in de maanden na 18 maart 2011 werd geconfronteerd met bijkomende gevolgletsels. Volgens de medische attesten van 16 mei 2011 en 6 juli 2011 had zij een “stekende pijn” ter hoogte van de wond. In een verslag van 6 maart 2012 van dr. De W. is er sprake van oedeem en forse pijn ronde de geheelde wonde. In dit uitgebreide verslag wordt tevens uiteengezet dat rond de wonde talrijke insufficiënte perforanten aanwezig zijn, vermoedelijk op de plaats waar zich posttraumatische tromboflebitis heeft voorgedaan, en dat daardoor veneuze overdruk op de wondregio ontstaat, die de pijn chronische huidontsteking kan verklaren. Het verslag besluit dat het te vroeg is om het dossier af te sluiten.

Ook in latere attesten van mei, juli, september en december 2012 wordt melding gemaakt van voortdurende pijnklachten en toename van de zwelling. De hoofdraadsgeneesheer van de arbeidsongevallenverzekeraar betuigde op 7 mei 2012 zijn akkoord met een operatie als gevolg van het ongeval van 21 januari 2011.

In een verslag van 6 juli 2011 ten behoeve van de arbeidsongevallenverzekeraar wordt 100% arbeidsongeschiktheid van 22 januari 2011 tot 24 februari 2011 aangenomen, maar ook wordt vermeld dat er pas genezing is opgetreden op 22 juni 2011, met blijvende restletsels die weliswaar geen blijvende arbeidsongeschiktheid tot gevolg hebben.

Op grond van de afweging van deze verslagen tegen het attest van de huisarts van 18 februari 2011, op basis waarvan de rechtsbijstandsverzekeraar het voorstel van 23 februari 2011 heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat er bij E.C. op de datum van de ondertekening van de overeenkomst van 18 maart 2011 sprake is van dwaling, niet zozeer over de omvang van de letsels, maar vooral over de werkelijke aard ervan, namelijk posttraumatische tromboflebitis niettegenstaande aanvankelijk geen diep veneuze trombose was aangetoond.

Deze dwaling betreft aldus de zelfstandigheid van de zaak die het voorwerp van de vaststellingsovereenkomst uitmaakte, hieronder verstaan zijnde elke gegeven dat doorslaggevend is geweest om de overeenkomst aan te gaan (in die zin: Cass. 24 september 2007, RW 2009-10, 1735). Als zodanig komt dit in aanmerking voor nietigverklaring van de overeenkomst (vgl. Cass. 27 september 1979, Arr.Cass. 1979, nr. 65, dat de voorziening verwierp tegen een arrest dat een feitelijke dwaling had aangenomen op grond dat partijen niets afwisten van een breuk van een odontoïde die niet bleek uit de röntgenfoto’s, zodat de toestemming van het slachtoffer ongeldig was wegens onbekendheid met de werkelijke letsels).

Het is duidelijk dat indien E.C. kennis had gehad van de aard van het letsel dat in de maanden na 18 maart 2011 leidde tot verslechtering van haar toestand, zij de overeenkomst niet zou hebben ondertekend.

2.6. Vervolgens dient te worden onderzocht of de dwaling verschoonbaar is, wat eveneens een voorwaarde is opdat de toestemming gebrekkig zou zijn. Verschoonbaar is de dwaling die door ieder redelijk, nauwlettend en voorzichtig mens zou zijn begaan (zie o.m.: Cass. 25 oktober 1999, RW 2001-02, 1320).

De rechtbank is van oordeel dat in casu de dwaling aan dit vereiste voldoet. De dwaling lijkt immers deels te verklaren door een zekere miscommunicatie tussen de huisarts en de vaatchirurg naar wie E.C. was verwezen: het door het verkeersongeval opgelopen letsel bestond aanvankelijk enkel uit een klein wondje, maar toen een Duplex op 2 februari 2011 het beeld van een diepe veneuze trombose opleverde, verwees de huisarts zijn patiënte naar vaatchirurg D. voor bijkomend onderzoek, dat werd uitgevoerd op 17 februari 2011. In het verslag daarvan staat te lezen dat de patiënte werd gerustgesteld, daar er geen diepe veneuze trombose meer te zien was en gezien de gunstige evolutie. Het verslag bevestigt nochtans ook de aanwezigheid van een posttraumatisch oedeem en beveelt een nieuwe controle aan in geval van toenemende zwelling. De huisarts heeft dit verslag echter niet onder ogen gehad toen hij E.C. op 18 februari 2011 opnieuw zag; het werd immers pas opgesteld op 25 februari 2011.

Alles wijst er dus op dat de huisarts zich voor zijn attest dat aan de rechtsbijstandsverzekeraar werd bezorgd, heeft gebaseerd op het feit van de geruststelling van de patiënte door de vaatchirurg over de diepe veneuze trombose (zie ook de latere verklaring van E.C. op 16 mei 2011 aan de geneesheer van V., dat het onderzoek van 17 februari 2011 geen veneuze trombose kon aantonen). De rechtsbijstandsverzekeraar, die de schade-eis verzond op 23 februari 2011, had evenmin kennis van het verslag van 25 februari 2011. Voor het overige blijkt uit niets dat E.C. nog vór 18 maart 2011 kennis heeft gehad van het verslag van 25 februari 2011, dat bovendien globaal geruststellend was.

In deze omstandigheden kan noch aan E.C., noch aan haar artsen en de rechtsbijstandsverzekeraar worden verweten dat hun optreden niet dat van een redelijk en nauwgezet persoon was. De dwaling is derhalve naar het oordeel van de rechtbank verschoonbaar.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 15/10/2016 - 15:07
Laatst aangepast op: za, 15/10/2016 - 15:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.