-A +A

Kwalificatie handelsagentuur gebeurt aan de hand van de inhoud van de opdracht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 18/06/2007
A.R.: 
2006/AR/498

In toepassing van art. 1156 B. W is het aan de rechter om de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen na te gaan waarbij de letterlijke zin van de woorden die partijen gebruikt hebben om hun overeenkomst te benoemen niet doorslaggevend kan zijn.

De essentiële voorwaarden van een agentuurovereenkomst zijn

a) de agent bemiddelt bij het totstandkomen van zaken en sluit ze eventueel af;

b ) hij doet dit niet in een gezagsverhouding;

c) er bestaat een permanente band tussen de agent en de principaal;

d) de activiteit van de agent wordt vergoed;

e) de agent treedt op in naam en voor rekening van de principaal (cfr art. 1 Agentuurwet en zie E. DuRSIN en K. VÁN DEN BROECK, Handelsagentuur, Mys & Breesch 1997, 31, nr. 35).

Zelfs als men zich houdt aan de letterlijke woorden van de overeenkomst laat de taakomschrijving van de consultant er niet de minste twijfel over bestaan dat aan alle voorwaarden van de wet is voldaan [b.v.b.a. Wim Lyssens} moest immers nieuwe klanten aanbrengen (wat heel wat anders is dan technisch adviseren), het bestaande cliënteel behouden en uitbreiden met andere artikelen en de regio en het cliënteel rentabiliseren. Er is meer dan gehamerd op het feit dat er geen gezagsverhouding bestond (cfr art. 8 van de wet). Er is ook een vaste vergoeding toegekend.

Als er nog twijfel zou kunnen bestaan wil de rechtbank er nog op wijzen wat bemiddelen inhoudt : het tussenbeide komen om een overeenkomst tot stand te brengen, die weten te bewerken (zie de definitie in de Van Dale). Dat was juist de kernactiviteit van [b. v.b.a. Wim Lyssens} : een potentiële koper bewerken met zijn technische know-how om hem tot een aankoop over te halen [n. v. LDL Equipment} erkent met zoveel woorden op p. 2 van haar synthesebesluiten zelf dat het de taak was van tegenpartij om ter plaatse de klant op deze vlakken te overtuigen en dat ze het pad moest effenen voor de eigenlijke verkopers.

Het is dan niet belangrijk of de agent de uiteindelijke bestelling ontvangt. Hij kan die voor verdere afhandeling overmaken aan de principaal of diens vertegenwoordiger (zie o.c., p. 33). De bevoegdheid van de agent om zaken af te sluiten behoort dus niet tot het wezen van de agentuur.
 

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2007/84
Pagina: 
445
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Feiten en procedure in eerste aanleg

2. Tussen partijen kwam op 1 maart 2003 een als « aannemingsovereenkomst voor Sales Consulting» betitelde overeenkomst tot stand.

Deze overeenkomst, die in een vaste maandvergoeding voorzag, werd aangegaan voor bepaalde duur maar met een mogelijkheid tot opzegging mits het respecteren van een opzegtermijn van zes maanden.

Bij aangetekend schrijven van 5 augustus 2004 betwistte n.v. LDL Equipment de op 31 juli 2 004 opgestelde factuur voor de vergoeding van de maand juli, en verwees zij naar een aantal tekortkomingen in hoofde van b.v.b.a. Wim Lyssens, welke handelwijze zij als een verbreking van de overeenkomst bestempelde.

Nadat b.v.b.a. Wim Lyssens op 28 augustus 2004 hierop schriftelijk reageerde, bleek uit het antwoordschrijven van n.v. LDL Equipment dat geen vergelijk mogelijk was.

Op 8 november 2004 nam b.v.b.a. Wim Lyssens het initiatief tot de procedure en vorderde zij de veroordeling van n.v. LDL Equipment tot betaling van :

- de openstaande en niet geprotesteerde facturen,

- de betwiste facturen,

- een schadevergoeding wegens vroegtijdige

verbreking,

- een uitwinningsvergoeding.

Bij tegeneis vorderde n.v. LDL Equipment in hoofdorde de toekenning van een schadevergoeding van 7 5 000 EUR, waarop de factuur nr. 04/004 van 30 juni 2004 voor een bedrag van 241,04 EUR mocht worden gecompenseerd.

Ondergeschikt werd de voorlegging van de boekhouding van b.v.b.a. Wim Lyssens en de aanstelling van een gerechtsdeskundige gevorderd, teneinde na te gaan of de in de periode van maart 2003 tot juli 2004 verkregen informatie niet werd misbruikt en om, in bevestigend geval, de daardoor geleden schade te begroten.

3. Bij het thans bestreden en uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis werd de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst als een handelsagentuurovereenkomst gekwalificeerd.

Naar het oordeel van de eerste rechter heeft n.v. LDL Equipment terecht en met onmiddellijke ingang, een einde gemaakt aan deze overeenkomst op grond van een zware tekortkoming van b.v.b.a. Wim Lyssens.

Aldus werden de aanspraken van laatstgenoemde op een vergoeding wegens vervroegde beëindiging én op een uitwinningsvergoeding als ongegrond afgewezen.

Voor wat de uitstaande facturen betreft werden enkel de factuur 03/086 (i.v.m. de verkoop van een tweedehands wasmachine) én de factuur 04/117 (i.v.m. de vergoeding voor de maand juli) gegrond bevonden.

De aanspraken uit hoofde van factuur 04/ 117 (i.v.m. de vergoeding voor de maand augustus 2 004) werden als ongegrond afgewezen.

Ook de door n.v. LDL Equipment geformuleerde tegeneis werd als ongegrond afgewezen.

Tenslotte werd n.v. LDL Equipment in de gedingkosten verwezen.

Grieven/voorwerp van het hoger beroep

B.v.b.a. Wim Lyssens is van oordeel dat de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst als een handelsagentuurovereenkomst dient te worden gekwalificeerd en zij met de verkoop aan Rideau Press geen enkele wettelijke noch contractuele verplichting heeft geschonden.

Indien mocht worden aangenomen dat dit wél het geval is, dan meent zij dat de schending van de wettelijke of contractuele normen enkel als een onvoorzichtigheid en niet als een zware fout of ernstige tekortkoming kan worden bestempeld.

Zij stelt verder dat n.v. LDL Equipment niet te goeder trouw gehandeld bij de beëindiging van de overeenkomst en zij, zonder b.v.b.a. Wim Lyssens te interpelleren omtrent de ter discussie staande verkoop aan Rideau Press, niet kon spreken van een definitieve vertrouwensbreuk.

B.v.b.a. Wim Lyssens is tenslotte van oordeel dat, in tegenstelling tot de beoordeling door de eerste rechter, ook de factuur 04/117 voor de maand augustus 2004 verschuldigd is, minstens tot beloop van één vierde van de overeengekomen maandvergoeding dient te worden toegekend.

Tevens vordert zij de toekenning van de door de eerste rechter afgewezen schadevergoeding wegens onrechtmatige vroegtijdige beëindiging én een uitwinningsvergoeding, welke vergoedingen zij elk op een bedrag van 49.513,20 EUR begroot.

5. N.v. LDL Equipment stelt - zoals hiervoor reeds aangestipt - incidenteel beroep in.

Zij is het niet eens met de bestreden beslissing in de mate dat :

- de overeenkomst tussen partijen als een handelsagentuurovereenkomst werd gekwalificeerd;

- zij werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van 1.331 EUR uit hoofde van factuur nr. 03/086, en de factuur nr. 04.107 voor de vergoeding voor de maand juli;

- haar tegeneis tot betaling van een schadevergoeding werd afgewezen.

N.v. LDL Equipment vordert dan ook dat het bestreden, vonnis op de hiervoor vermelde punten zou worden hervormd en haar tegeneis tot betaling van een verbrekingsvergoeding van 7 5 000 EUR. minstens 4 7 7 40 EUR, meer vergoedende en gerechtelijke intresten, gegrond zou worden verklaard.

In ondergeschikte orde herneemt n.v.

LDL Equipment haar reeds voor de eerste rechter geformuleerde vordering tot voorlegging van de boekhouding van b.v.b.a. Wim Lyssens en de aanstelling van een gerechtsdeskundige teneinde na te gaan of de in de periode van maart 2003 tot juli 2004 door b.v.b.a. Wim Lyssens «verkregen informatie niet werd misbruikt voor eigen doeleinden en, in bevestigend geval, de daardoor geleden schade te begroten.

Beoordeling

6. Op volgende relevante overwegingen oordeelde de eerste rechter dat partijen wel degelijk een handelsagentuurovereenkomst afsloten:

«In toepassing van art. 1156 B. W is het aan de rechter om de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen na te gaan waarbij de letterlijke zin van de woorden die partijen gebruikt hebben om hun overeenkomst te benoemen niet doorslaggevend kan zijn.

De essentiële voorwaarden van een agentuurovereenkomst zijn

a) de agent bemiddelt bij het totstandkomen van zaken en sluit ze eventueel af;

b ) hij doet dit niet in een gezagsverhouding;

c) er bestaat een permanente band tussen de agent en de principaal;

d) de activiteit van de agent wordt vergoed;

e )de agent treedt op in naam en voor rekening van de principaal (cfr art. 1 Agentuurwet en zie E. DuRSIN en K. VÁN DEN BROECK, Handelsagentuur, Mys & Breesch 1997, 31, nr. 35).

Zelfs als men zich houdt aan de letterlijke woorden van de overeenkomst laat de taakomschrijving van de consultant er niet de minste twijfel over bestaan dat aan alle voorwaarden van de wet is voldaan [b.v.b.a. Wim Lyssens} moest immers nieuwe klanten aanbrengen (wat heel wat anders is dan technisch adviseren), het bestaande cliënteel behouden en uitbreiden met andere artikelen en de regio en het cliënteel rentabiliseren. Er is meer dan gehamerd op het feit dat er geen gezagsverhouding bestond (cfr art. 8 van de wet). Er is ook een vaste vergoeding toegekend.

Als er nog twijfel zou kunnen bestaan wil de rechtbank er nog op wijzen wat bemiddelen inhoudt : het tussenbeide komen om een overeenkomst tot stand te brengen, die weten te bewerken (zie de definitie in de Van Dale). Dat was juist de kernactiviteit van [b. v.b.a. Wim Lyssens} : een potentiële koper bewerken met zijn technische know-how om hem tot een aankoop over te halen [n. v. LDL Equipment} erkent met zoveel woorden op p. 2 van haar synthesebesluiten zelf dat het de taak was van tegenpartij om ter plaatse de klant op deze vlakken te overtuigen en dat ze het pad moest effenen voor de eigenlijke verkopers.

Het is dan niet belangrijk of de agent de uiteindelijke bestelling ontvangt. Hij kan die voor verdere afhandeling overmaken aan de principaal of diens vertegenwoordiger (zie o.c., p. 33). De bevoegdheid van de agent om zaken af te sluiten behoort dus niet tot het wezen van de agentuur.

Dat op verschillende verkopen die [b v.b.a. Wim Lyssens} voorlegt alleen de handtekening van een vertegenwoordiger van [n. v. LDL Equipment} voorkomt belet derhalve helemaal niet dat [b. v.b.a. Wim Lyssens} toch als een agent kan gekwaliftceerd worden. Consultancy kan evengoed bemiddeling inhouden.

De rechtbank vraagt zich ten andere af waarom [b. v.b.a. Wim Lyssens} actieplannen moest voorleggen als haar rol zich beperkte tot louter technische adviezen».

Het Hof verwijst partijen maar voormelde overwegingen die het juist bevindt en bijtreedt.

In antwoord op de door n.v. LDL Equipment in graad van beroep ontwikkelde argumentatie kan hieraan nog het navolgende worden toegevoegd.

N.v. LDL Equipment kan niet worden bijgetreden in haar stelling waar zij, in strijd met de duidelijke bewoordingen van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst voorhoudt dat de door b.v.b.a. Wim Lyssens te verrichten en daadwerkelijk verrichte prestaties zich beperkten tot loutere consultancydiensten en dat laatstgenoemde niet diende te bemiddelen en/of als verkoper op te treden.

Deze argumentatie - waarmee n.v. LDL Equipment voorhoudt dat b.v.b.a. Wim Lyssens enkel advies diende te verstrekken op elk gebied van de vennootschap, en voor optimalisatie en uitbreiding diende te zorgen, met bijkomende technische ondersteuning van de verkopers - staat immers haaks op de taakomschrijving zoals deze in de overeenkomst werd vermeld, alsook op het feit dat :-van meet af aan een bepaalde regio (op exclusieve basis) aan b.v.b.a. Wim Lyssens werd toegewezen;

- n.v. LDL Equipment in een Power-Pointpresentatie van 17 april 2003 - zowat anderhalve maand na de totstandkoming van de overeenkomst - de heer Wim Lyssens zelf als «verkoper» aanduidt en zelfs een te behalen verkoopcijfer vooropstelt;

- n.v. LDL Equipment in een werkdocument van 15 mei 2003, hetzij amper een maand later, de heer Wim Lyssens andermaal de hoedanigheid van «verkoper» toemeet en als te behalen objectief een bedrag van « 3 0 mio BEF» vermeld;

- bepaalde verkoopcontracten door de heer Wim Lyssens werden ondertekend of medeondertekend;

- n.v. LDL Equipment zich er in haar schrijven van 5 augustus 2004 over beklaagt dat in de aanvankelijk toevertrouwde regio, met name Nederland, geen enkele machine werd verkocht en geen enkele klant werd gerealiseerd;

- n.v. LDL Equipment in graad van beroep andermaal bevestigt dat b.v.b.a. Wim Lyssens de markt diende te verkennen, klanten diende te bezoeken en vak- en productkennis het pad diende te effenen om hen tot een aankoop over te halen.

De vaststelling dat de b.v.b.a. Wim Lyssens de zaken niet steeds zelf afsloot en deze meestal doorgaf aan de vertegenwoordigers van n.v. LDL Equipment staat de kwalificatie van een handelsagentuurovereenkomst niet in de weg.

Overeenkomstig art. 1 Handelsagentuurwet van 13 april 1995 bestaat de kerntaak van de handelsagent in het bemiddelen en is het «eventueel» afsluiten van de zaken geen decisief beoordelingscriterium.

N.v. LDL Equipment kan tenslotte niet worden bijgetreden dat de b.v.b.a. Wim Lyssens slechts occasionele prestaties zou hebben geleverd. De voor een bepaalde duur afgesloten overeenkomst en de maandelijkse facturatie die, behoudens de thans nog ter discussie staande facturen, door n.v. LDL Equipment zonder enig voorbehoud of opmerking werden betaald, tonen het tegendeel aan.

Gelet op wat voorafgaat dient het bestreden vonnis dan ook te worden bevestigd waar het de tussen partijen op 1 maart 2003 tot stand gekomen overeenkomst als een handelsagentuurovereenkomst kwalificeert.

7. Op volgende relevante overwegingen heeft de eerste rechter - gelet op de bepaling van art. 19 Handelsagentuurwet - de door b.v.b.a. Wim Lyssens gedane verkoop van een wasmachine en droger aan Rideau Press als een zware tekortkoming bestempeld, op grond waarvan n.v. LDL Equipment terecht de overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigde :

«De verkoop aan Rideaupress [b.v.b.a. Wim Lyssens} ontkent niet dat zij aan deze klant van LDL een wasmachine verkocht heeft. Er wordt ook niet betwist dat de termijnen van art. 19 Agentuurwet inzake deze tekortkoming wel degelijk gerespecteerd geworden zijn.

In besluiten beklemtoont [b. v.b.a. Wim Lyssens} echter dat ze deze verkopen pas gedaan heeft nadat Rideaupress niet met LDL in zee wou gaan en ze daarom zelf de verkoop afhandelen om te vermijden dat deze naar de concurrentie zou overstappen.

In haar brief van 23 augustus 2004 klinkt de uitleg echter gans anders: daarin stelt [b. v.b.a. Wim Lyssens} dat Rideaupress buiten de regio ligt die aan haar toegekend werd voor natwassystemen, te weten Wallonië en dat ze terzake derhalve vrlJ was.

Voor deze rechtbank is het dan ook zonneklaar dat de uitleg die [b.v.b.a. Wim Lyssens} thans in besluiten geeft opgezet is door haar raadsman die een uitleg geeft die uiteraard tot een bepaald resultaat moet leiden, maar totaal niet kopt met de echte reden die [b.v.b.a. Wim Lyssens} ab initio zelf gaf, zonder voorafgaand advies van een advocaat.

[. . .}

Veelzeggend is ook te zinnetje van b v.b.a. Wim Lyssens} op p. 14 van haar besluiten : 'nog vooraleer concluante [n. v. LDL Equipment] over de omstandigheden van deze bestelling kon informeren, ontving [n. v. LDL Equipment] toevallig van leverancier Girbau op haar faxtoestel reeds de bevestiging van de door concluante geplaatste bestelling'. Het is naar aanvoelen van deze rechtbank zonneklaar dat [b. v.b.a. Wim Lyssens} de bestelling totaal zou verzwegen hebben als de bestelling niet per abuis bij fax aan [n. v. LDL Equipment] gemeld was. [N. v. LDL Equipment] bewijst immers een uitvoerig telefoonverkeer tussen beiden zodat [b v.b.a. Wim Lyssens} genoeg de gelegenheid gehad heeft deze zaak ter sprake te brengen, maar het toch niet deed.

De agent mag uiteraard geen nevenactiviteit ontplooien inzake producten die in concurrentie staan met de producten die het voorwerp uitmaken van de agentuurovereenkomst. Dergelijk concurrerende nevenactiviteit is immers strijdig met het beginsel van de loyauteit en de goede trouw die elke agent moet betonen (cfr art. 6 Agentuurwet). [B. v.b.a. Wim Lyssens} weet maar al te goed dat [n. v. LDL Equipment} over het ganse grondgebied van België. dezelfde machines verkoopt en moet zich dan ook onthouden van concurrentie.

Terecht heeft [n. v. LDL Equipment} dan ook met onmiddellijke ingang een einde gemaakt aan de overeenkomst op grond van deze zware tekortkoming die [b. v.b.a. Wim Lyssens} volledig ten onrechte afdoet als een akkefietje zonder de minste kwade bedoeling. Het is niet aan haar om daarover te oordelen maar aan degene die bedrogen is in zijn rechtmatige verwachting van loyauteit. Terecht spreekt [n. v. LDL Equipment] dan ook van een totale vertrouwensbreuk die elke verdere samenwerking met onmiddellijke ingang onmogelijk maakte».

Het hof verwijst partijen naar voormelde overwegingen die het juist bevindt en bijtreedt.

In antwoord op de in graad van beroep terzake ontwikkelde argumentatie kan hieraan nog het volgende worden toegevoegd.

7 .1. De argumentatie van b.v.b.a. Wim Lyssens dat zij tijdens de uitvoering van de overeenkomst buiten de haar toegewezen regio geen loyauteit ten aanzien van n.v. LDL Equipment verschuldigd was, en dus - mede gelet op de niet nader gepreciseerde regels van de vrije mededinging - wel degelijk gerechtigd was om de wasmachine en droger aan n.v. Rideau Press te Brussel te verkopen, kan niet worden bijgetreden.

De kwestieuze verkoop van wasmachine en droger betreffen onmiskenbaar goederen die in concurrentie staan met de goederen, die het voorwerp uitmaken van de tussen partijen tot stand gekomen handelsagentuurovereenkomst.

Het wordt algemeen aanvaard, dat dergelijke concurrende nevenactiviteit strijdig is met het beginsel van de loyauteit en de goede trouw. Men kan immers bezwaarlijk aannemen dat een agent zijn verbintenissen uit de agentuurovereenkomst nog loyaal en te goeder trouw kan uitvoeren wanneer hij, zoals in casu, terzelfdertijd met zijn principaal concurreert en het cliënteel van de principaal zonder medeweten van deze laatste rechtstreeks belevert (E. DuRSIN, Handelsagentuur, 112-113, nrs. 186-188).

Dit geldt des te meer nu b.v.b.a. Wim Lyssens, zoals zij overigens zelf bevestigt, op de hoogte was van het feit dat in Brussel andere handelsagenten van n.v. LDL Equipment actief waren.

Ook de door b.v. b.a. Wim Lyssens zelf aangehaalde rechtsleer bevestigt dat de goede trouw vereist dat de handelsagent zich tijdens de uitvoering van de handelsagentuurovereenkomst zou onthouden van elke daad van concurrentie ten aanzien van zijn principaal.

In tegenstelling tot wat b.v.b.a. Wim Lyssens voorhoudt heeft zij zich met de verkoop van de wasmachine en droger aan n.v. Rideau Press wel degelijk bezondigd aan een ernstige inbreuk op de loyauteitsverplichting die elke verdere samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakte.

B.v.b.a. Wim Lyssens kan bezwaarlijk ernstig voorhouden dat zij met deze verkoop die zij buiten medeweten van n.v. LDL Equipment heeft gerealiseerd, te goeder trouw heeft gehandeld.

7.2. Ook de door b.v.b.a. Wim Lyssens in graad van beroep voorgelegde aanvullende verklaring van Rideau Press is niet van aard om afbreuk te doen aan de beoordeling van de eerste rechter.

Deze verklaring bevestigt integendeel dat b.v.b.a. Wim Lyssens wel degelijk op de hoogte was van haar loyauteitsverplichting ten aanzien van n.v. LDL Equipment en in strijd hiermee naderhand toch de wasmachine en droger aan n.v. Rideau Press heeft verkocht.

De heer Adelin Demeyer van n.v. Rideau Press verklaart immers :

«Ik contacteerde rechtstreeks Wim Lyssens, in wie ik nog wel vertrouwen had. Ik zei hem wat ik nodig had en dat ik niet meer bij LDL wilde aankopen. Wim Lyssens antwoordde mij dat hij niet anders kon dan via LDL te werken (eigen onderlijning). Ik kreeg toen Lieven Vereecken, die ik ken als verkoper hij LDL aan de lijn».

De argumentatie van b.v.b.a. Wim Lyssens dat zij niet goed wist hoe zij met de vraag van n.v. Rideau Press diende om te gaan mist dan ook overtuigingskracht.

Verder is het ongetwijfeld, correct dat Lieven Vereecken en n.v. LDL Equipment op de hoogte waren van het feit dat n.v. Rideau Press niet langer met n.v. LDL Equipment wenste samen te werken, maar dit houdt geenszins in dat zij op de hoogte waren van het feit dat b.v.b.a. Wim Lyssens achteraf de bestelling van n.v. Rideau Press op een sluikse wijze in eigen naam heeft uitgevoerd en gefactureerd.

De enkele vaststelling dat b.v.b.a. Wim Lyssens de bestelling bij de leverancier Girbau plaatste met het uitdrukkelijk verzoek om de facturen aan Wim Lyssens toe te sturen en deze laatste - voor verdere informatie - op

diens mobiele telefoon te contacteren, toont op zich reeds voldoende aan dat bij b.v.b.a. Wim Lyssens de bedoeling voorlag om n.v. LDL Equipment elke informatie met betrekking tot deze verkoop te onthouden.

Er ligt geen enkel bewijs voor dat b.v.b.a.

Wim Lyssens - alhoewel zij daartoe, wel degelijk de gelegenheid had - n.v. LDL Equipment op enig ogenblik voorafgaandelijk op hoogte heeft gebracht van deze verkoop.

B.v.b.a. Wim Lyssens hoeft zich dan ook niet te verwonderen over de reactie van n.v. LDL Equipment wanneer zij toevallig via haar leverancier Girbau op 4 augustus 2004 op haar faxtoestel de bevestiging ontvangt van de door b.v.b.a. Wim Lyssens buiten haar weten om geplaatste bestelling.

B.v.b.a. Wim Lyssens die omtrent de voor eigen rekening geplaatste en gefactureerde bestelling een omstandig stilzwijgen heeft bewaard en alles in het werk heeft gesteld opdat n.v. LDL Equipment hiervan geen kennis zou krijgen, is bijzonder slecht geplaatst om het op 5 augustus 2004 verstuurde verbrekingsschrijven als een miskenning van de goede trouw van n.v. LDL Equipment te bestempelen.

B.v.b.a. Wim Lyssens kan evenmin worden bijgetreden in haar argumentatie dat deze verbreking haar de kans heeft ontnomen om tekst en uitleg te verschaffen met betrekking tot de kwestieuze verkoop. Deze tekst en uitleg had zij voorafgaandelijk aan n.v. LDL Equipment kunnen en dienen te verschaffen.

7 .3. Vermits het bestreden vonnis moet worden bevestigd waar het de verkoop aan Rideau Press als een zware tekortkoming in de zin van art. 19 Handelsagentuurwet bestempelt dient niet verder te worden ingegaan op de andere aangehaalde tekortkomingen temeer deze reeds meer dan zeven dagen door n.v. LDL Equipment gekend waren en derhalve niet als een ernstige tekortkoming die een onmiddellijke beëindiging maakt, in aanmerking kunnen worden genomen.

Gelet op wat voorafgaat dient het bestreden vonnis ook te bevestigd waar het vaststelde, dat de weerhouden zware tekortkoming op grond waarvan n.v. LDL Equipment terecht en met onmiddellijke ingang een einde maakte aan de overeenkomst, tot gevolg heeft dat b.v.b.a. Wim Lyssens ten onrechte aan-

spraak maakt op een vervangende opzegvergoeding en op een uitwinningsvergoeding.9. De facturen nrs. 04/107 en 04/117 met betrekking tot de maandelijkse vergoeding van respectievelijk juli en augustus 2004 - waarvan b.v.b.a. Wim Lyssens betaling vorderde - werden om de eerste rechter als volgt beoordeeld :

«Bij art. 6 van de overeenkomst is bedongen dat de agent aanspraak kan maken op een vaste maandelijkse vergoeding van 6 820 EUR.

Er is geen enkele rechtsgrond die de principaal toelaat de betaling van deze vergoeding op te schorten, laat staan te weigeren.

Vermits de overeenkomst pas op S augustus 2004 beèïndigd werd is ze gedurende de maand juli 2004 blijven bestaan zodat het principiële recht op vergoeding bleef bestaan en de principaal derhalve gehouden bleef de vaste vergoeding voor deze maand uit te betalen.

Er mag op gewezen worden dat de vaste vergoeding onafhankelijk is van het totstandkomen en de uitvoering van verkoopsovereenkomsten en de agent volledig vrij over de organisatie van zijn werkzaamheden beslist. Een permanente activiteit is dus zelfs niet nodig.

Deze factuur nr. 04/107 is derhalve wel degelijk betaalbaar en kan verhoogd worden met de conventionele sancties voor laattijdige betaling van een verwijlrente van 10% en een schadebeding van eveneens 10%. De factuurvoorwaarden zijn immers reeds van in het verleden bekend en op dat punt nooit geprotesteerd zodat ze tegenstelbaar zijn.

Dit deel van de vordering is derhalve gegrond ad 8 252,20 + 82S,22 = 9 077,42 EUR meer de verwijlrente op 82S2,20EUR vanaf 8 augustus 2004 (datum vervaldag factuur) tot de algehele betaling. Er is immers beletsel dat de gerechtelijke rente bepaald wordt volgens de conventionele verwijlrente. De gerechtelijke rente is immers gewoon de voortzetting van de verwijlrente, en het is niet aanvaardbaar dat een ingebreke blijvende schuldenaar zou gehouden zijn tot een lagere rente enkel omdat zijn verzuim in een rechterlijke beslissing vastgesteld wordt (Antwerpen 21feburari 199S, R.W 199S-1996, 11S).

De factuur nr. 04/117 is niet verschuldigd nu de overeenkomst met onmiddellijke ingang beeindigd werd per S augustus 2004 en er dan ook geen maand meer hoefde gepresteerd te worden. De eerste vijf dagen vallen in volle vakantieperiode kunnen dan ook geen aanleiding geven tot enige vergoeding».

9 .1. Het hof verwijst partijen naar voormelde overwegingen, die het juist bevindt en bijtreedt voor wat de beoordeling van de vergoeding voor de maand juli (factuur nr. 04/ 107) betreft.

In antwoord op de door n.v. LDL Equipment op incidenteel beroep ontwikkelde argumentatie stelt het Hof vast dat deze factuur wel degelijk werd geprotesteerd, maar dit protest niet gegrond voorkomt.

Terzake beweert n.v. LDL Equipment enkel dat b.v.b.a. Wim Lyssens de facto geen prestaties meer leverde en zich nog uitsluitend bezighield met de afwerving van cliënteel.

Daarenboven staat deze niet bewezen bewering haaks op de vaststelling dat eind mei tussen partijen nog besprekingen plaatsvonden waarin sprake was van een verderzetting van de commerciële relatie tegen een deels vast, deels variabele vergoeding; hetgeen geenszins wijst op enige ontevredenheid omtrent de door b.v.b.a. Wim Lyssens geleverde prestaties.

Tenslotte heeft de eerste rechter er terecht op gewezen dat de in de overeenkomst voorziene vaste maandelijkse vergoeding onafhankelijk is van het tot standkomen en de uitvoering van verkoopsovereenkomsten en de agent volledig vrij over de organisatie van zijn werkzaamheden beslist.

9.2. Het bestreden vonnis dient te worden hervormd voor zover het de aanspraken van b.v.b.a. Wim Lyssens met betrekking tot factuur nr. 04/117 volledig van de hand wijst.

Deze op 15 oktober 2004 opgestelde factuur werd door n.v. LDL Equipment bij aangetekend schrijven van 28 oktober 2004 betwist om reden dat :

- in augustus reeds een eind werd gemaakt aan de overeenkomst;

- geen enkele prestatie werd geleverd in augustus.

Uit de voorliggende stukken blijkt vooreerst dat de overeenkomst pas bij aangetekend schrijven van 5 augustus 2004 werd beeindigd.

Daarenboven dient ook hier te worden vastgesteld dat n.v. LDL Equipment enkel beweert dat er geen prestaties meer werden verricht en de in de overeenkomst voorziene vaste vergoeding hoe dan ook onafhankelijk is van het tot stand komen en de uitvoering van verkoopsovereenkomsten en de agent volledig vrij over de organisatie van zijn werkzaamheden beslist.

In de gegeven omstandigheden komt het factuurprotest niet gegrond voor.

Het enkele feit dat de vaste vergoeding op maandbasis werd vastgesteld, laat b.v.b.a. Wim Lyssens niet toe om, per begonnen maand, de volledige maandvergoeding op te strijken.

In de overeenkomst is immers niet voorzien dat de vergoeding per begonnen maand verschuldigd en opeisbaar is, hetgeen wordt bevestigt door de facturatie van de vergoeding voor de maand juli die van 31 juli 2004 dateert.

De vordering van b.v.b.a. Wim Lyssens tot betaling van factuur nr. 04/11 7 van 15 oktober 2004 komt dan ook slechts tot beloop van een pro rata bedrag van 1 100 EUR in hoofdsom toewijsbaar voor, te vermeerde-

ren met de ook voor de factuur 04/ 107 in aanmerking genomen sancties voor laattijdige betalingen, waarnaar in art. 6 van de tussen partijen op 1 maart 2003 tot stand gekomen overeenkomst is verwezen.

De vordering met betrekking tot factuur nr. 04/117 komt dan ook gegrond voor tot beloop van 1100 EUR+ 110 EUR= 1 210 EUR, meer de verwijlrente op 1 1000 EUR vanaf 22 oktober 2004 (datum vervaldag factuur).

 

Noot: 

B. LAMBRECHT, «Kroniek van 12 jaar rechtspraak over het toepassingsgebied van de handelsagentuurwet, met bijzondere aandacht voor de bemiddelingsopdracht en voor het onderscheid met ander overeenkomsten (management, consultancy, opleidings- of proefovereenkomst)», DAOR 2007/84, blz. 359.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 26/07/2016 - 14:37
Laatst aangepast op: di, 26/07/2016 - 14:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.