-A +A

Kosten van politietussenkomst naar aanleiding van een misdrijf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 01/02/2016

In het algemeen – los van de onderhavige zaak (zie verder) – is het hof van oordeel dat de kosten van het optreden van politiediensten ten laste moeten blijven van de overheid – ook als deze kosten prestaties betreffen die, achteraf bekeken, nutteloos waren.

Het uitgangspunt is dat de kosten voor orde- en veiligheidstaken van algemeen belang definitief ten laste van de overheid blijven. Het gaat hier immers om de kerntaken van de overheid.

Er zijn uitzonderingen op de voormelde regel namelijk: in geval van wettelijke bepalingen en uitzonderingen (dus als een wettelijke bepaling voorschrijft hetzij dat een dienst gratis is, hetzij dat een verhaalsrecht van de overheid voorzien wordt), en bij opzettelijke fout: “Wanneer iemand met opzet het overheidsapparaat op kosten jaagt, moet men daar zelf de gevolgen van dragen. De plicht van de overheid om voor de kosten van de ordehandhaving in te staan, is niet onbegrensd. Het lijkt redelijk een grens te plaatsen daar waar met opzet de normale gang van zaken of de maatschappelijke orde wordt verstoord. Wie de politie opzettelijk verkeerd tipt over een gezochte misdadiger, moet zelf instaan voor de nutteloze kosten. Wie met opzet loos alarm slaat ... moet voor de kosten instaan.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
826
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Politiezone Mira t/ V.C.

...

Bij vonnis van 25 november 2013, gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk – thans Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk – rechtsprekend in correctionele zaken, werd de verweerster schuldig bevonden aan het plegen van de feiten die voorwerp zijn van de hierna omschreven tenlasteleggingen A en B:

“A. op herhaalde tijdstippen in de periode van 6 november 2009 tot 20 juni 2012, en minstens op (...), bij schending van art. 145 § 3bis van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, een elektronisch communicatienetwerk of -dienst of andere elektronische communicatiemiddelen gebruikt te hebben om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen ten nadele van de lokale politiezone MIRA.

...

Tegen voormeld vonnis tekende de verweerster op 29 november 2013 hoger beroep aan, “enkel op burgerlijk gebied”.

...

De verhaalbaarheid van de kosten voor politietussenkomsten

Daar de feiten voorwerp van de tenlastelegging A in de persoon van de verweerster bewezen werden verklaard, staat vast dat zij telkenmale elektronische communicatie gebruikte met de wil om overlast te veroorzaken of om schade te berokkenen (dit is het constitutief moreel bestanddeel van het betreffende misdrijf). Met andere woorden, telkens wanneer de herhaalde schendingen van art. 145, § 3bis van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie bewezen werden verklaard, staat vast dat die bepaalde oproepen niet nodig waren, noch wegens gevaar voor suïcide, noch wegens andere aanvaardbare redenen.

Ook de ernstige psychiatrische problemen van de verweerster doen geen afbreuk aan de vaststelling dat zij definitief strafrechtelijk werd veroordeeld, wat haar toerekeningsvatbaarheid voor de gepleegde misdrijven inhoudt.

Om voormelde reden, en gelet op de definitieve strafrechtelijke veroordeling van de verweerster, kan geen gunstig gevolg worden verleend aan haar stelling, waarbij wordt aangevoerd dat het telkens, of toch frequent, zou gaan:

– om controleerbaar handelen van de verweerster;

– om oproepen die noodzakelijk waren (wegens suïcidegevaar).

Het hof herhaalt derhalve en beklemtoont dat, aangezien de strafrechtelijke veroordeling van de verweerster ten genoegen van recht vaststaat dat zij te

Zwevegem, op herhaalde tijdstippen in de periode van 6 november 2009 tot 20 juni 2012, en minstens op (...)

, naar de politiediensten heeft getelefoneerd met het bijzonder oogmerk overlast te veroorzaken of schade te berokkenen.
De vraag rijst evenwel of politietussenkomsten, -inspanningen en -kosten die noodzakelijk worden gemaakt door het plegen van een misdrijf, te beschouwen zijn als vergoedbare schade.

In het algemeen – los van de onderhavige zaak (zie verder) – is het hof van oordeel dat de kosten van het optreden van politiediensten ten laste moeten blijven van de overheid – ook als deze kosten prestaties betreffen die, achteraf bekeken, nutteloos waren. Naar het oordeel van het hof volgt immers uit de strekking van de ter zake geldende wetgeving op politie en justitie dat de prestaties van overheidsdiensten in het kader van de opsporing en de bestrijding van (vermeende) misdrijven definitief ten laste van de overheid moeten blijven.

Het hof verwijst in dit verband naar de terechte zienswijze van T. Vansweevelt en B. Weyts in het Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, die in voormeld verband schrijven (p. 858): “Het uitgangspunt is dat de kosten voor orde- en veiligheidstaken van algemeen belang definitief ten laste van de overheid blijven. Het gaat hier immers om de kerntaken van de overheid. Hierbij kan o.i. gedacht worden aan de orde- en veiligheidshandhavingskosten, zoals kosten ter bestrijding van de criminaliteit, ...”

Weliswaar zijn de voornoemde auteurs de mening toegedaan dat er mogelijke uitzonderingen op de voormelde regel zijn, namelijk: in geval van wettelijke bepalingen en uitzonderingen (dus als een wettelijke bepaling voorschrijft hetzij dat een dienst gratis is, hetzij dat een verhaalsrecht van de overheid voorzien wordt), en bij opzettelijke fout: “Wanneer iemand met opzet het overheidsapparaat op kosten jaagt, moet men daar zelf de gevolgen van dragen. De plicht van de overheid om voor de kosten van de ordehandhaving in te staan, is niet onbegrensd. Het lijkt redelijk een grens te plaatsen daar waar met opzet de normale gang van zaken of de maatschappelijke orde wordt verstoord. Wie de politie opzettelijk verkeerd tipt over een gezochte misdadiger, moet zelf instaan voor de nutteloze kosten. Wie met opzet loos alarm slaat ... moet voor de kosten instaan ...” (T. Vansweevelt en B. Weyts, o.c., 860).

Met deze laatste stelling (dus met het aanvaarden van een uitzondering voor (alle) daders van opzettelijke fouten) is het hof het niet eens.

Ten eerste houden de meeste misdrijven een opzettelijke fout in. Toepassing van de loondoorbetalingsarresten zou dan impliceren dat iedere dader van een opzettelijk gepleegd misdrijf zou kunnen worden aangesproken voor de overheidskosten die door dat misdrijf zijn ontstaan (en veroorzaakt). Dat is een maatschappelijke keuze, die volgens het hof door de wetgever moet worden gemaakt. Naar het oordeel van het hof is een dergelijke quasi automatische aansprakelijkheid voor overheidskosten, in de huidige stand van de wetgeving, in strijd met het (naar het oordeel van het hof terechte) uitgangspunt van T. Vansweevelt en B. Weyts, nl. dat uit de strekking van de ter zake geldende wetgeving op politie en justitie volgt dat “de kosten voor orde- en veiligheidstaken van algemeen belang definitief ten laste van de overheid blijven”.

Voorts leidt naar het oordeel van het hof een onderscheid in aansprakelijkheid tussen diegenen die “nutteloze” overheidskosten (o.a. kosten voor politie-interventies) veroorzaken, en zij die “nuttige” kosten veroorzaken, tot perverse tegenstrijdigheden. Zo zou het naar het oordeel van het hof bijzonder onrechtvaardig zijn de verspreider van een vals bericht over het bestaan van gevaar voor een aanslag op personen of eigendommen, waarop een criminele straf is gesteld (schending van art. 328 Sw.) aansprakelijk te stellen voor “nutteloze politiekosten”, terwijl diegene die écht een aanslag pleegt op personen of eigendommen, waarop een criminele straf is gesteld, zou vrijgesteld zijn van die vergoeding voor politietussenkomsten (die immers in dat geval “nuttig” zouden geweest zijn). Kan men bijvoorbeeld de dader van een valse bom-melding laten betalen voor nutteloze politiekosten, terwijl de echt bommenlegger daarvoor niet zou kunnen worden aangesproken?

Naar het oordeel van het hof moeten om dergelijke tegenstrijdigheden te vermijden, de kosten van politietussenkomst ofwel altijd verhaalbaar zijn op diegenen die ze veroorzaakt (dus op de pleger(s) van een misdrijf) ofwel nooit (met uitzondering voor wettelijke bepalingen ter zake, en in het geval zoals hierna verder besproken).

Afgezien van de voormelde overwegingen is het hof evenwel van oordeel dat deze zaak anders moet worden beoordeeld dan zoals hiervoor uiteengezet, en wel om reden dat in deze zaak in de persoon van de verweerster een bijzonder opzet tot het veroorzaken van overlast of berokkenen van schade aanwezig was. Het zou naar het oordeel van het hof intern tegenstrijdig zijn om enerzijds iemand op strafrechtelijk gebied te veroordelen wegens het met bijzonder oogmerk veroorzaken van overlast of het berokkenen van schade en daarna op burgerrechtelijk gebied te beslissen dat er van vergoedbare schade geen sprake kan zijn. Dit zou bovendien maatschappelijk onaanvaardbaar zijn.

Derhalve is het hof, samengevat, van oordeel, tot nadere wetgeving ter zake, de strekking van de ter zake geldende wetgeving op politie en justitie te moeten interpreteren in die zin dat kosten van de overheid voor (vermeende) criminaliteitsbestrijding en -opsporing steeds ten laste van de overheid dienen te blijven, behalve in geval van andersluidende wettelijke bepalingen en met uitzondering van de situatie – zoals in de onderhavige zaak – waarin de veroorzaker van de kosten van politietussenkomst(en) een misdrijf pleegt met het bijzonder opzet tot het veroorzaken van overlast of berokkenen van schade.

De raming van de schade van de burgerlijke partij Politiezone Mira.

Het hof stelt vast dat er niet bewezen is hoeveel oproepen van verweerster precies onder de ten aanzien van haar bewezen tenlastelegging vallen (enerzijds werden niet al haar oproepen naar de politie gedaan met het oogmerk om overlast te veroorzaken of schade te berokkenen, en anderzijds hebben niet alle “strafbare” oproepen naar de politie effectief geleid tot kosten aan de zijde van de burgerlijke partij).

Wel blijkt uit de aan het hof voorliggende gegevens dat het aantal “geïncrimineerde” oproepen van de verweerster voornoemd talrijk was.

In aansluiting op voorgaande overwegingen, en gelet op de concrete gegevens van onderhavig strafdossier, raamt het hof de schade van de burgerlijke partij voornoemd ex aequo et bono op 2 500 euro.

Een grotere schade veroorzaakt door de ten laste van verweerster bewezen misdrijven, komt niet bewezen voor.

...
Contra: Gent 5 mei 2014, RW 2015-16, 1268 noot.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 16/02/2017 - 15:41
Laatst aangepast op: do, 16/02/2017 - 15:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.