-A +A

Kosten van éénpersoonskamer als schade wel of niet vergoedbaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 18/05/2015

Bij een verblijf in een éénpersoonskamer kunnen voor exact dezelfde medische behandeling een aantal supplementen worden aangerekend, louter en alleen omdat men op een éénpersoonskamer verblijft. 

Deze supplementen vinden aldus hun oorzaak dus niet in het ongeval of in de medische behandeling ten gevolge van dit ongeval, maar in het verblijf in de éénpersoonskamer.

Er wordt te dezen geen enkel element aangebracht op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verblijf in een éénpersoonskamer noodzakelijk was, door de aard van de letsels of de behandelingen. Nochtans wordt algemeen aanvaard dat dit een voorwaarde is om toch voor vergoeding in aanmerking te komen.

Naar onze mening kiest een slachtoffer niet voor de ongemakken verbonden aan een hospitalisatie. Zelfs op een éénpersoonskamer zijn die ongemakken groter dan bij een verblijf thuis, laat staan dat een slachtoffer er voor heeft gekozen om zijn herstellingsperiode door te brengen met rondom hem bezoek van en voor derden, geuren van lichaamsvochten en lichaamsgassen van andere ziekte patiënten, hun gekreun en gekerm, het over en weer geloop van (para)medici voor derden, al danniet in een noodtoestand. De vervelende  bloemen die een druipneus opleveren en het lawaai van spelende kinderen op zijn bed. De doorsnee zieke wil rust en heeft rust nodig, waarbij een éénpersoonskamer een minimum-minimorum is. Weliswaar heeft de rechtbak van Eerste Aanlzeg te Antwerpen er anders over geoordeeld in deze zaak.

We juichen echter het afwijkende vonnis toe van de politierechtbank te Gent van 29 februari 2016, RW 2017-2018, 1434, alhier eveneens verder weergegeven waarbij geoordeeld werd dat een dergelijk meerkost voor een éénpersoonskamer wel vergoedbaar is voor zover de keuze van de benadeelde voor een éénpersoonskamer niet onredelijk is en niet buiten proportie met het door het letsel veroorzaakte ongemak.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1433
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV D. t/ NV B.

I. Antecedenten

Het geding betreft de vergoeding die NV D. vordert van NV B. als gesubrogeerde in de rechten van J.D. voor kosten die zij betaalde naar aanleiding van een ongeval waarvoor de verzekerde van NV B. aansprakelijk was.

NV D. is op 1 oktober 2013 overgegaan tot dagvaarding van NV B.

...

II. Procedure

1. De eerste rechter, die de oorspronkelijke vorderingen en de respectieve standpunten van de partijen nauwgezet heeft weergegeven, heeft bij vonnis van 25 maart 2014: (...) de vordering van NV D. als gesubrogeerde in de rechten van J.D. ongegrond verklaard.

2. Het hoger beroep, ingesteld door NV D. bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 juli 2014, is gericht tegen NV B. en beoogt de toewijzing van haar oorspronkelijke vordering als gesubrogeerde in de rechten van J.D. (...).

NV B. besluit tot afwijzing van het hoger beroep als ongegrond (...).

III. Grond van de zaak

1. Feiten

Op 24 mei 2009 geraakte J.D. gewond bij een verkeersongeval.

NV B. is de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van C.O., die aansprakelijk was voor het ongeval.

NV D. is de hospitalisatieverzekeraar van J.D.

J.D. verbleef van 29 september 2009 tot 4 november 2009 in de Cliniques Universitaires Saint-Luc ter revalidatie. Zij verbleef op een éénpersoonskamer.

NV B. betwist gehouden te zijn tot betaling van de supplementen die verbonden zijn aan het verblijf op een éénpersoonskamer.

2. Beoordeling ten gronde

2.1. NV D. voert aan gesubrogeerd te zijn in de rechten van J.D. voor alle kosten die zij gemaakt heeft ten gevolge van het ongeval.

De subrogatie op zich staat niet ter discussie tussen partijen. Evenmin staat ter discussie dat het verblijf in het ziekenhuis van 29 september 2009 tot 4 november 2009 werd veroorzaakt door het ongeval waarvoor de verzekerde van de NV B. aansprakelijk is.

De NV B. weigert echter 11.111,59 euro te betalen, aangezien dit bedrag louter en alleen veroorzaakt werd door de keuze van J.D. om op een éénpersoonskamer te verblijven.

Op basis van het wettelijk bepaalde recht op subrogatie kan een verzekeraar echter niet meer terugvorderen dan wat er effectief aan de verzekerde werd uitbetaald, maar ook niet meer dan wat de verzekerde zelf had kunnen terugvorderen van de aansprakelijke partij.

De vraag is dus of J.D. zelf de meerkost voor het verblijf in een éénpersoonskamer tijdens haar revalidatie had kunnen verhalen op de NV B. Dit is niet het geval.

Allereerst dient te worden opgemerkt dat het hier gaat om een opname voor revalidatie vier maanden na het ongeval en dus geenszins om een urgentie-opname.

Voorts blijkt uit de aard van de zorgen die aan J.D. werden toegediend, niet dat deze de hogere privacy van een éénpersoonskamer noodzakelijk maakten.

Indien J.D. ervoor opteert om tijdens deze opname te verblijven in een éénpersoonskamer, zijn de supplementen die dit meebrengt, niet verhaalbaar op de aansprakelijke partij. De medische behandeling bij het verblijf in een meerpersoonskamer is immers identiek dezelfde en bijgevolg even adequaat als de behandeling bij een verblijf in een éénpersoonskamer.

Het is enkel zo dat bij een verblijf in een éénpersoonskamer voor exact dezelfde behandeling een aantal supplementen kunnen worden aangerekend, louter en alleen omdat men op een éénpersoonskamer verblijft. Bij verblijf in een meerpersoonskamer zou het aandeel van J.D. persoonlijk 314,99 euro zijn, terwijl dit nu 10.791,71 euro bedraagt.

Deze supplementen vinden hun oorzaak dus niet in het ongeval of in de medische behandeling ten gevolge van dit ongeval, maar in het verblijf in de éénpersoonskamer.

Er wordt geen enkel element aangebracht op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verblijf in een éénpersoonskamer noodzakelijk was, door de aard van de letsels of de behandelingen. Nochtans wordt algemeen aanvaard dat dit een voorwaarde is om toch voor vergoeding in aanmerking te komen (zie in deze zin: A. Van Oevelen, G. Joqué, C. Persyn en B. De Temmerman, «Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad: schade en schadeloosstelling (1993-2006)», TPR 2007, 1306).

J.D. heeft met NV D. een verzekeringsovereenkomst gesloten om de kosten van hospitalisatie, met inbegrip van de supplementen bij het verblijf in een éénpersoonskamer, te dekken. NV D. was ten aanzien van haar verzekerde, J.D., gehouden tot betaling van deze supplementen, maar is wat dit betreft niet gesubrogeerd in haar rechten.

...

Anders (en volgens ons beter):

• Politierechtbank te Gent van 29 februari 2016, RW 2017-2018, 1434,

Samenvatting

Een meerkost voor een éénpersoonskamer is als schade wel vergoedbaar voor zover de keuze van de benadeelde voor een éénpersoonskamer niet onredelijk is en niet buiten proportie met het door het letsel veroorzaakte ongemak.

Tekst van het vonnis

NV D. t/ NV B.

Eiseres zet in de dagvaarding uiteen dat zij ten gevolge van een verkeersongeval te Aalter op 31 juli 2010 als verzekeraar hospitalisatie en medische kosten aan mevr. T. De K. 4.522,03 euro uitkeerde.

Verweerster is de WAM-verzekeraar van de aansprakelijke partij. Noch het subrogatierecht van eiseres, noch de aansprakelijkheid van verweersters verzekerde voor het ongeval worden betwist.

Verweerster betaalde aan eiseres 3.004 euro. Met het thans voorliggende geding vordert eiseres het saldo van wat zij aan haar verzekerde betaalde, 1.523,10 euro, vermeerderd met de interest, terug.

Het thans gevorderde, niet-terugbetaalde gedeelte van eiseres’ prestatie heeft betrekking op de meerdere uitgave aan ziekenhuiskosten en medische verzorging ten gevolge van de keuze van eiseres’ verzekerde voor een éénpersoonskamer.

De rechtbank vermoedt dat er een kleine rekenfout in de vordering gesloten is. Er is echter cijfermatig (subsidiair) geen betwisting.

Verweerster betwist de vordering en wijst allereerst op de begrenzing van eiseres’ subrogatoire vordering tot wat in gemeen recht aan de benadeelde zou verschuldigd zijn, betwist vervolgens de verhaalbaarheid in de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering van de verschillende uitgaven voor een éénpersoonskamer, waarbij verwezen wordt naar de schadebeperkingsplicht, en werpt ten slotte op basis van de contractuele verzekeringsdekking tussen eiseres en mevr. De K. de doorbreking van het causale verband op. Louter cijfermatig wordt er geen betwisting opgeworpen.

Beoordeling

1. Het is als zodanig correct dat eiseres van verweerster geen groter bedrag kan terugvorderen dan wat door de benadeelde in gemeen recht gevorderd zou kunnen worden.

2. De te beoordelen rechtsvraag is derhalve of de verschillende kosten ingevolge de keuze door eiseres’ verzekerde voor een éénpersoonskamer in het ziekenhuis in gemeen aansprakelijkheidsrecht verhaalbare schade zijn of niet.

De vordering is een vordering op basis van burgerlijke aansprakelijkheid, niet contractueel. Het gaat om een subrogatoire aansprakelijkheidsvordering, door de gesubrogeerde verzekeraar bij wijze van rechtstreekse vordering ingesteld tegen de WAM-verzekeraar van de aansprakelijke.

De rechtbank verwijst naar het belangwekkende cassatiearrest van 14 mei 1992: binnen het juridische kader van de aquiliaanse aansprakelijkheid rustte op eiseres’ verzekerde geen algemene verplichting de schade te beperken; alleen mocht eiseres’ verzekerde zich niet schuldig maken aan een schuldig verzuim, d.w.z. een eigen fout, een eigen schuld die de schade vergrootte (Cass. 14 mei 1992, RW 1993-94, 1395, noot A. Van Oevelen).

Aan de benadeelde kan niet als eigen schuld ten aanzien van de omvang van de schade aangerekend worden dat zij niet het goedkoopste herstel heeft gekozen, op voorwaarde dat zij redelijk handelde; de benadeelde is derhalve niet verplicht de voor de aansprakelijke (of diens verzekeraar) minst zware vorm van herstel te kiezen, en naargelang de feitelijke omstandigheden kan de rechtbank kostenverhogende factoren in aanmerking nemen (J. Ronse, Schade en schadeloosstelling, I, in APR, Gent, Story-Scientia, 1984, nr. 467).

Er is als zodanig geen aanwijsbare reden om eiseres’ verzekerde bovenop de belevenis van het ongeval en de opgelopen letsels met ziekenhuisopname nog te bezwaren met het ongemak van het delen van een kamer met derden, terwijl dat ongemak eenvoudig vermeden kan worden. Het supplement per dag hospitalisatie voor een éénpersoonskamer (die een vorm van schadeherstel in natura is) en de daarmee gepaard gaande verschillende kosten zijn derhalve in principe verhaalbare schade (Pol. Brussel, 20 september 2010, T.Pol. 2010, 169).

3. De rechtbank moet thans nog in concreto beoordelen of eiseres’ verzekerde door te kiezen voor een éénpersoonskamer niet onredelijk of buiten proportie met haar ongemak handelde.

Van de lichamelijk schade die mevr. De K. ten gevolge van het ongeval opliep, wordt een evalutatieverslag van dr. X. J., adviserende arts van verweerster, voorgelegd. Uit dat verslag blijkt dat mevr. De K., die blijkbaar recentelijk vóór het ongeval bevallen was, door het ongeval een gordelcontusio ter hoogte van de onderbuik met vaginaal bloedverlies opliep.

De rechtbank is van oordeel dat mevr. De K., gelet op de uiterst persoonlijke en intieme aard van het ondergane ongemak, helemaal niet onredelijk handelde door voor een éénpersoonskamer te kiezen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat wat thans wordt gevorderd in gemeen aansprakelijkheidsrecht, verhaalbare schade is.

4. Eiseres baseert haar subrogatierecht op art. 41 Wet Landverzekeringsovereenkomst, thans art. 95 Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, en op art. 36 van haar algemene voorwaarden.

Art. 36 van eiseres’ algemene voorwaarden bedingt in het geval dat de verzekerde persoon aanspraak kan maken op herstel van schade (wat te dezen het geval is), een subrogatie in de rechten van de verzekerde persoon ten belope van de door eiseres geleverde prestaties.

Uit niets blijkt dat eiseres’ subrogatierecht meer beperkt zou zijn dan tot de vergoeding waarop haar verzekerde in gemeen recht aanspraak kon maken en dat eiseres een fractie van die vergoeding (in casu de verschillende uitgaven ten gevolge van de éénpersoonskamer) definitief ten laste genomen zou hebben.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 03/05/2018 - 18:32
Laatst aangepast op: do, 03/05/2018 - 18:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.