-A +A

Kosteloze borgstelling noodzakelijk onderzoek naar vermogen en inkomsten van de borg

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 03/04/2017
A.R.: 
2006/AR/536

Artikel 2043sexies, § 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere kosteloze borgtocht door een fysieke persoon waarvan het bedrag kennelijk niet in verhouding staat tot zijn financiële mogelijkheden, nietig is.

De aflossingscapaciteit moet worden beoordeeld aan de hand van zowel de inkomsten als het vermogen. De peildatum is het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst. Het onevenwicht moet "kennelijk" zijn; er mag met andere woorden over het bestaan ervan geen redelijke discussie kunnen rijzen (in deze zin: E. Dirix, "Art. 2043 sexies BW", in Comm.Bijz.Ov. 2008).

De grens van het onevenwicht is pas bereikt, wanneer dit voor de kredietgever "zonneklaar" diende te zijn bij de afsluiting van het borgcontract (in deze zin: E. Dirix, "Art. 2043sexies BW", in Comm. Bijz.Ov. 2008). De bewijslast van de disproportionaliteit berust bij de borg.

Zoals voor de mogelijke bevrijding van de borg in geval van faillissement van de hoofdschuldenaar, moet voor de nietigheidsanctie de proportionaliteitstoets gebeuren aan de hand van zowel de inkomsten als het vermogen. De peildatum is echter verschillend. Artikel 2043sexies, § 2 van het Burgerlijk Wetboek betreft de rechtsgeldigheid en dus de totstandkoming van de borgtocht, zodat men zich op dat tijdstip dient te plaatsen (in deze zin: E. Dirix, "Art. 2043sexies BW", in Comm.Bijz.Ov. 2008). De sanctie is de nietigheid van de borgtocht, een partiële nietigheid is niet mogelijk.

Artikel 2043sexies, § 2 van het Burgerlijk Wetboek legt aan de schuldeiser de verplichting op om de solvabiliteit van de borg te onderzoeken. Van de schuldeiser wordt dus verwacht de borg tegen zichzelf te beschermen door hem te behoeden voor onbezonnen verbintenissen (in deze zin:

E. Dirix, "Art. 2043sexies BW", in Comm. Bijz.Ov. 2008). Artikel 2043sexies, § 2 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gezien tegen de achtergrond van de leerstukken van de wilsgebreken en van de gekwalificeerde benadeling. De vraag is dus of de borg het door hem opgenomen risico wel correct heeft kunnen inschatten (in deze zin: E. Dirix, "Art. 2043sexies BW", in Comm. Bijz.Ov. 2008).

 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
483
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. De heer B.J., [ ... ] en

2. Mevrouw V.M., [ ... ] appellanten,

[ ... ]

tegen:

CVBA ABK Bank, [ ... ] geïntimeerde,

[ ... ]

2. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

Bij verstekvonnis van de eerste rechter van 18 juni 2014 werden de heer B.J. en zijn echtgenote, mevrouw V.M. (appellanten, hierna "de heer en mevrouw B." genoemd) hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan CVBA ABK Bank (geïntimeerde, hierna "ABK" genoemd) van 35.000 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten tegen de rentevoet van 8,89 % op de som van 10.676,80 euro, tegen de rentevoet van 8,87 % op de som van 19.457,82 euro en tegen de rentevoet van 6,45 % op de som van 6.334,47 euro vanaf 5 maart 2012 tot aan de datum van de gedinginleidende dagvaarding en vanaf dan met de gerechtelijke intresten tegen dezelfde rentevoeten tot aan de datum van de volledige betaling. De heer en mevrouw B. werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten.

Hiertegen tekenden de heer en mevrouw B. op 18 augustus 2014 verzet aan, wat aanleiding gaf tot het bestreden vonnis.

In het bestreden vonnis werd het verzet ontvankelijk, maar ongegrond verklaard en werden de heer en mevrouw B. veroordeeld tot betaling van de kosten van het verzet.

3. EIS IN HOGER BEROEP

De heer en mevrouw B. hebben hoger beroep ingesteld om het bestreden vonnis te horen hervormen en:

- voor recht te horen zeggen dat de hoofdeis ongegrond is omdat zij bevrijd werden van hun borgstelling voor de heer B.R.;

- hen te horen bevrijden van hun schuld wat betreft mevrouw D.J.K. overeenkomstig de bepalingen van de wet op de kosteloze borgstelling;

- ABK te horen veroordelen tot betaling van de gerechtskosten.

4. BEOORDELING

4.1. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het bestreden vonnis werd op 15 mei 2015 betekend.

Het hoger beroep dat werd ingesteld met de akte van hoger beroep die op 15 juni 2017 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan ABK werd betekend, is tijdig en regelmatig naar de vorm.

Het hoger beroep is ook ontvankelijk.

4.2. Over de gegrondheid van het hoger beroep

Er bestaat geen betwisting tussen partijen dat de heer en mevrouw B. zich kosteloos borg hebben gesteld voor hun zoon, de heer B.R., en de vrouw met wie hij toen feitelijk samenwoonde, mevrouw D.J.K.

Hoewel het krediet bij ABK hoofdelijk werd aangegaan door het koppel B.R.D.J.K. om een bakkerij te renoveren en uit te baten, heeft blijkbaar enkel de heer B.R. de hoedanigheid van handelaar aangenomen.

Aldus kon enkel de heer B.R. failliet worden verklaard en heeft dit er in dit geschil specifiek toe geleid dat de bevrijding van de heer en mevrouw B. van hun borgstelling voor de heer B.R. beoordeeld werd in het licht van het faillissement van deze laatste en met toepassing van de relevante wetsbepalingen, terwijl de gehoudenheid van de borgen ten aanzien van mevrouw D.J.K. voor eenzelfde hoofdelijke hoofdschuld enkel beoordeeld kan worden door toepassing te maken van de relevante bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel Antwerpen, afdeling Antwerpen van 27 september 2016 werden de heer en mevrouw B. bevrijd van hun borgstelling voor de heer B.R. ten aanzien van ABK.

De rechtbank van koophandel stelde vast dat de heer en mevrouw B. respectievelijk invalide en arbeidsongeschikt waren en van uitkeringen moesten leven, terwijl op hun woonst een hypothecaire lening rustte. Bijgevolg oordeelde de rechtbank van koophandel dat zij van hun borgstelling bevrijd moesten worden om een menswaardig bestaan te kunnen leiden.

ABK heeft klaarblijkelijk berust in het voormelde vonnis van de rechtbank van koophandel, aangezien zij geen enkele aanspraak meer maakt op de borgstelling van de heer en mevrouw B. voor hun zoon, B.R.

In de mate dat de heer en mevrouw B. door de eerste rechter ook veroordeeld werden uit hoofde van hun borgstelling voor B.R., is het hoger beroep in ieder geval gegrond.

De heer en mevrouw B. vorderen om ook bevrijd te worden van hun borgstelling voor mevrouw D.J.K., omdat "de last van de borgstelling verder kennelijk onevenredig is met de eigen financiële middelen van de borgstellers" en dit "overeenkomstig de bepalingen van de wet op de kosteloze borgstelling".

Aldus vorderen de heer en mevrouw B. dat hun borgstelling voor mevrouw D.J.K. nietig zou worden verklaard op basis van artikel 2043sexies, § 2 van het Burgerlijk Wetboek.

In conclusie en ter terechtzitting geeft ABK duidelijk aan dat zij het verweer van de heer en mevrouw B. zo begrijpt en dat zij zowel mondeling als schriftelijk standpunt heeft ingenomen over dit verweer en deze (impliciete) tegeneis van de heer en mevrouw B.

Artikel 2043sexies, § 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere kosteloze borgtocht door een fysieke persoon waarvan het bedrag kennelijk niet in verhouding staat tot zijn financiële mogelijkheden, nietig is.

De aflossingscapaciteit moet worden beoordeeld aan de hand van zowel de inkomsten als het vermogen. De peildatum is het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst. Het onevenwicht moet "kennelijk" zijn; er mag met andere woorden over het bestaan ervan geen redelijke discussie kunnen rijzen (in deze zin: E. Dirix, "Art. 2043 sexies BW", in Comm.Bijz.Ov. 2008).

De grens van het onevenwicht is pas bereikt, wanneer dit voor de kredietgever "zonneklaar" diende te zijn bij de afsluiting van het borgcontract (in deze zin: E. Dirix, "Art. 2043sexies BW", in Comm. Bijz.Ov. 2008). De bewijslast van de disproportionaliteit berust bij de borg.

Zoals voor de mogelijke bevrijding van de borg in geval van faillissement van de hoofdschuldenaar, moet voor de nietigheidsanctie de proportionaliteitstoets gebeuren aan de hand van zowel de inkomsten als het vermogen. De peildatum is echter verschillend. Artikel 2043sexies, § 2 van het Burgerlijk Wetboek betreft de rechtsgeldigheid en dus de totstandkoming van de borgtocht, zodat men zich op dat tijdstip dient te plaatsen (in deze zin: E. Dirix, "Art. 2043sexies BW", in Comm.Bijz.Ov. 2008). De sanctie is de nietigheid van de borgtocht, een partiële nietigheid is niet mogelijk.

Artikel 2043sexies, § 2 van het Burgerlijk Wetboek legt aan de schuldeiser de verplichting op om de solvabiliteit van de borg te onderzoeken. Van de schuldeiser wordt dus verwacht de borg tegen zichzelf te beschermen door hem te behoeden voor onbezonnen verbintenissen (in deze zin:

E. Dirix, "Art. 2043sexies BW", in Comm. Bijz.Ov. 2008). Artikel 2043sexies, § 2 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gezien tegen de achtergrond van de leerstukken van de wilsgebreken en van de gekwalificeerde benadeling. De vraag is dus of de borg het door hem opgenomen risico wel correct heeft kunnen inschatten (in deze zin: E. Dirix, "Art. 2043sexies BW", in Comm. Bijz.Ov. 2008).

Onder stuk 10 van haar stukkenbundel, brengt ABK een kopie voor van het inlichtingenblad dat zij door de heer en mevrouw B. heeft laten invullen en ondertekenen op 9 november 2010 vóór de sluiting van de betwiste borgtochten op 30 november 2010.

Hieruit blijkt in de eerste plaats dat de heer en mevrouw B. slechts over een maandelijks gezinsinkomen van 3.500 euro beschikte, zonder dat werd nagegaan, noch verduidelijkt of dit over een bruto, semi-netto of netto gezinsinkomen ging. Bovendien bleek uit dat inlichtingenblad dat de heer en mevrouw B. nog een hypothecaire schuld van ongeveer 25.000 euro op hun woning hadden openstaan. Meest belangrijk van al, verklaarden de heer en mevrouw B. zich in dit inlichtingenformulier slechts bereid om zich gezamenlijk borg te stellen ten belope van 17.500 euro.

Niettegenstaande de beperkte financiële mogelijkheden van de heer en mevrouw B. en hun uitgedrukte wil om zich slechts gezamenlijk voor 17.500 euro borg te stellen, heeft ABK de heer en mevrouw B. zich afzonderlijk hoofdelijk borg laten stellen voor 35.000 euro in hoofdsom, nog te vermeerderen met de intresten en kosten.

Aldus heeft ABK de heer en Mevrouw B. een verbintenis als borg laten aangaan die reeds enkel in hoofdsom het viervoudige is van de borgverbintenis die zij wensten aan te gaan en die in alle redelijkheid financieel voor hen haalbaar was. Bijgevolg bewijzen de heer en mevrouw B. dat op het ogenblik waarop de borgovereenkomsten werden gesloten, zonneklaar moest zijn voor ABK dat deze borgverbintenissen volkomen disproportioneel waren ten aanzien van het vermogen van de heer en mevrouw B. en had ABK de heer en mevrouw B. moeten behoeden voor het aangaan van deze onverantwoorde en onbezonnen borg-verbintenissen.

De borgtochten van de heer en mevrouw B. voor mevrouw D.J.K. dienen nietig te worden verklaard.

Het hoger beroep is ook in deze mate gegrond.

[ ... ]

5. BESLISSING

[ ... ]

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt.

Hervormt het bestreden vonnis en opnieuw rechtsprekende.

Verklaart het verzet van de heer B.J. en mevrouw V.M. ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het verstekvonnis van de eerste rechter van 18 juni 2014 en opnieuw rechtsprekende;

Verleent akte aan de heer B.J. en mevrouw V.M. dat zij bevrijd werden van hun borgstelling voor de heer B.R.

Zegt voor recht dat de borgtochten van de heer B.J. en mevrouw V.M. voor mevrouw D.J.K. nietig zijn.

Verklaart de eis van CVBA ABK Bank ontvankelijk, maar ongegrond.

[ ... ]

Noot: 

Johanna Waelkens, Kosteloze borg, NJW 2018, 485

uittreksel uit het burgerlijk wetboek

HOOFDSTUK V. - Kosteloze borgtocht. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 3; Inwerkingtreding : 01-12-2007>

Art. 2043bis. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 4; Inwerkingtreding : 01-12-2007> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

a) kosteloze borgtocht : de handeling waarmee een natuurlijke persoon kosteloos een hoofdschuld verzekert ten gunste van een schuldeiser. De kosteloze aard van de borgtocht slaat op het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling;

b) schuldeiser : iedere verkoper in de zin van artikel 1 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument;

c) schuldenaar : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Art. 2043ter. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 5; Inwerkingtreding : 01-12-2007> De bewijslast om aan te tonen dat de borgtocht niet kosteloos werd verstrekt, ligt bij de schuldeiser. In dat geval zijn de bepalingen van dit hoofdstuk niet van toepassing.

Art. 2043quater. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 6; Inwerkingtreding : 01-12-2007> Op de borgtocht bedoeld in artikel 2043bis zijn, met uitzondering van de artikelen 2014, eerste lid, 2018 en 2019, de hoofdstukken I tot IV van toepassing, tenzij als de regels die zij bevatten onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk.

Art. 2043quinquies.<Ingevoegd W 2007-06-03/69, art. 7; Inwerkingtreding : 01-12-2007> § 1. Op straffe van nietigheid moet de borgtocht in de zin van dit hoofdstuk het voorwerp uitmaken van een geschreven overeenkomst die verschilt van de hoofdovereenkomst.

§ 2. De duur van de hoofdverplichting moet worden vermeld in de borgtochtovereenkomst, en in het geval van een borgtocht voor een hoofdverplichting die werd afgesloten voor onbepaalde duur, mag de duur van de borgtochtovereenkomst vijf jaar niet overschrijden.

§ 3. Op straffe van nietigheid moet de borgtochtovereenkomst ten minste de volgende vermeldingen bevatten, door de borg met de hand geschreven :

" door me borg te stellen voor ... voor de som beperkt tot ... (in cijfers) als dekking van de betaling van de hoofdsom en interesten voor een duur van ..., verbind ik me ertoe aan de schuldeiser van ... de verschuldigde sommen terug te betalen op mijn goederen en inkomsten, indien, en in de mate dat, ... er niet zelf aan heeft voldaan ".

§ 4. Na advies van de [1 bijzondere raadgevende commissie Onrechtmatige bedingen]1 bedoeld in de artikelen 35 en 36 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, kan de Koning bepalen welke vermeldingen moeten voorkomen in de overeenkomst, alsook de informatie met betrekking tot de hoofdverplichting die het voorwerp uitmaakt van de borgtocht.

§ 5. Artikel 1326 is niet van toepassing.

----------

(1)<KB 2017-12-13/13, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

Art. 2043sexies. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 8; Inwerkingtreding : 01-12-2007> § 1. Op straffe van nietigheid en wanneer de borg in de zin van artikel 2043bis een bepaalde schuld verzekert, wordt de omvang van de borgtocht beperkt tot de som die is vermeld in de overeenkomst, verhoogd met interesten tegen de wettelijke of conventionele rente zonder dat deze interesten evenwel hoger mogen zijn dan 50 % van de hoofdsom.

§ 2. Op straffe van nietigheid kan er geen borgtocht worden afgesloten waarvan het bedrag kennelijk niet in verhouding is tot de terugbetalingsmogelijkheden van de borg, waarbij deze mogelijkheid beoordeeld moet worden in het licht van de roerende en onroerende goederen en inkomsten van deze laatste.

Art. 2043septies. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 9; Inwerkingtreding : 01-12-2007> In geval van regelmatige uitvoering van de overeenkomst door de schuldenaar brengt de schuldeiser de borg daar op zijn minst eenmaal per jaar van op de hoogte.

Elke mededeling inzake niet uitvoering die wordt gedaan aan de schuldenaar door de schuldeiser met betrekking tot de betaling van de schuld moet gelijktijdig en in dezelfde vorm worden gedaan aan de borg. Bij gebrek daaraan kan de schuldeiser zich niet beroepen op de aangroei van de schuld, vanaf de datum waarop hij ter zake in gebreke blijft.

Art. 2043octies. <Ingevoegd bij W 2007-06-03/69, art. 10; Inwerkingtreding : 01-12-2007> De verbintenissen van de erfgenamen van een borg inzake de borgtocht zijn beperkt tot het erfdeel dat aan elk van hen toekomt.

Niettegenstaande enige andersluidende overeenkomst bestaat er geen hoofdelijkheid tussen de erfgenamen van een borg voor de verbintenissen van de borg.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 29/06/2018 - 17:32
Laatst aangepast op: vr, 29/06/2018 - 17:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.