-A +A

Kortgedingrechter bevoegd voor vordering tot behandeling uitgaande van geïnterneerde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 18/11/2015

De kortgedingrechter beschikt over rechtsmacht om uitspraak te doen over de vordering in kortgeding uitgaande van een geïnterneerde seksueel delinquent die in vrijheid op proef op een passende therapeutische begeleiding en behandeling vordert.

De rechter in kortgeding overschrijdt immers geenszins zijn bevoegdheid en spreekt zich niet ten gronde uit, indien hij om een maatregel tot bewaring van recht te bevelen, zeker toe beperkt de ogenschijnlijke rechten van partijen te onderzoeken en met andere woorden “prima facie” nagaat of het bestaan van een recht voldoende waarschijnlijk is om het nemen van een maatregel tot bewaring van recht te verantwoorden.

 

Het kortgeding is een bijzondere rechtspleging, waarbij gebruik wordt gemaakt van een versnelde en vereenvoudigde procedure om tegemoet te komen aan de nood om een spoed eisende gevallen preventief en onmiddellijk beslissingen te kunnen nemen, wanneer schade of ernstige ongemakken zich dreigende woorden doen en wanneer de normale procesgang geen soelaas kan bieden.

Wie een kortgeding instelt dient hoogdringendheid te bewijzen en dient aan te tonen dat er niet kan gewacht worden met een procedure ten gronde. Minstens dient hij onmiddellijk reeds een procedure ten gronde in te stellen. Hij dient in de procedure diligent en spoedeisen op te treden. Verder dient de eiser in kortgeding aan te tonen dat het behoud van de bestaande toestand in afwezigheid van de voorlopige bewarende maatregel die hij in kortgeding vordert geen optie is, meer zelfs onhoudbaar is, dan wel onherstelbare blijvende schade zou veroorzaken.

De voorgeschiedenis, de feitelijke onbehandelbaarheid, de seksuele deviantie, het gevaar op brandstichting, het gevaar voor medepatiënten, de maatschappij of recidive in het algemeen, kunnen omstandigheden uitmaken om een behandeling of verlof te weigeren.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2016
Pagina: 
867
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

M.I., […], appellant, hierna eisende partij (te dezen) genoemd
Tegen:
1. De Belgische Staat
2. De Vlaamse Gemeenschap

De kortgedingrechter beschikt over rechtsmacht om uitspraak te doen over de vordering in kortgeding uitgaande van een geïnterneerde seksueel delinquent die in vrijheid op proef op een passende therapeutische begeleiding en behandeling vordert.

In toepassing van artikel 144 van de grondwet hebben de rechtbanken en de hoven de bevoegdheid om geschillen over burgerlijke rechten te beoordelen. Vertaald naar de kortgedingrechter impliceert dit aldus dat deze bevoegdheid is om kennis te nemen van dringende voorlopige maatregelen met betrekking tot deze burgerlijke rechten.

In een geschil met de overheid moet de rechter in kortgeding wel ook kunnen vaststellen dat het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het geschil betrekking heeft op de schending door de overheid van een rechtsplicht die op haar rust.

De vordering te dezen strekt er in essentie toe te doen voorzien in een prestatieverbintenis in de zin van artikel 20 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van seksueel strafbare feiten (hierna de WBM), dan wel in een passende therapeutische begeleiding en behandeling voor het seksueel deviant gedrag, vermits de eiser te dezen van oordeel is dat hij in de gevangenis van Merksplas niet over de vereiste begeleiding en behandeling beschikt.

De Belgische staat zou deze therapeutische ten lasteneming tijdens de internering dienen te voorzien, terwijl de Vlaamse Gemeenschap er zou dienen op toe te zien dat deze therapeutische ten laste nemen ook effectief worden uitgevoerd.

De eiser te dezen beroept zich aldus op een beweerde aanpassing door deze overheden van zijn subjectief recht op een effectieve begeleiding en behandeling binnen een redelijke termijn en hij wijst op een beweerde schending door die overheden van de artikelen 3 en 5.1 van het EVRM. Het geschil heeft op deze wijze wel degelijk rechtstreeks betrekking op een subjectief recht waaraan een hoogte van de beide overheden en rechtsplicht beantwoord, die zij volgens de eisen te dezen niet nakomen.

Door dit geschil te beoordelen, oordeelt de kortgedingrechter niet over een zaak die aan de gewone rechterlijke macht werd onttrokken en stelt zij zich bovendien geenszins in de plaats van de commissie tot bescherming van de maatschappij (hierna CBM) en/of van de hoge commissie tot bescherming van de maatschappij (hierna de HCBM).

De voorhanden zijnde wetgeving (onder andere de WBM) laat de CBM en de HCBM en/of de voorzitter van deze commissies immers niet toe, tussen te komen indien de door de overheid een onrechtmatigheid zal zijn begaan bij de uitoefening van haar bevoegdheid en plicht om in te staan voor de passende behandeling van de geïnterneerde.

Er is bijgevolg geen enkele reden de voorhanden om te besluiten tot een gebrek aan rechtsmacht in hoofde van de kortgedingrechter om kennis te nemen van de vordering van de eiser te dezen.

Of de Belgische staat en de Vlaamse Gemeenschap kennelijk tekortschieten in het nakomen opzichtens de eiser te dezen van een rechtsplicht die op hen rust, zal verder worden beoordeeld.

De door eiser te dezen gevorderde maatregelen leiden – indien zij zouden worden toegekend – niet automatisch tot een definitieve en permanente wijziging van zijn juridische situatie.

Het Hof merkt op dat indien de gevorderde maatregelen zouden worden opgelegd, zei immers steeds afhankelijk zouden blijven van de verdere beslissingen van de CBM en/of de HCBM en met een tijdsbeperking zouden opgelegd kunnen worden.

De gevorderde maatregelen vergen evenmin van de kortgedingrechter een beoordeling te van de rechten van partijen.

De rechter in kortgeding overschrijdt immers geenszins zijn bevoegdheid en spreekt zich niet ten gronde uit, indien hij om een maatregel tot bewaring van recht te bevelen, zeker toe beperkt de ogenschijnlijke rechten van partijen te onderzoeken en met andere woorden “prima facie” nagaat of het bestaan van een recht voldoende waarschijnlijk is om het nemen van een maatregel tot bewaring van recht te verantwoorden.

De verzoeker te dezen beroept zich op de schending van zijn voormelde subjectieve rechten en doett bijgevolg blijken van het rechtens vereiste belang, dat zijn vordering toelaatbaar maakt.

Of zijn subjectieve rechten ogenschijnlijk geschonden worden door toedoen van de Belgische staat en de Vlaamse Gemeenschap en/of hetgeen hij vordert al dan niet onmogelijk kan worden toegekend zal verder ten gronde beoordeeld worden.

Het kortgeding is evenwel een bijzondere rechtspleging, waarbij gebruik wordt gemaakt van een versnelde en vereenvoudigde procedure om tegemoet te komen aan de nood om een spoed eisende gevallen preventief en onmiddellijk beslissingen te kunnen nemen, wanneer schade of ernstige ongemakken zich dreigende woorden doen en wanneer de normale procesgang geen soelaas kan bieden.

Deze essentiële voorwaarden zijn te dezen evenwel niet vervuld, zelfs niet indien rekening gehouden wordt de kwetsbare positie waarin de eiser te dezen zich als geïnterneerde bevindt:

• eisende partij te dezen werd voor het eerst geïnterneerd op 5 januari 1995. In juni 2003 werd hij opgenomen in de IBM te Merksplas en sedertdien is zijn toestand in essentie niet gewijzigd.

• Daar waar de eisende partij te dezen zich weliswaar beklaagt over het feit dat de overheid het volkomen zou verzuimen om hem een passende behandeling aan te bieden en hij zich zelfs beroept op fundamentele schendingen van de artikelen 3 en 5.1 EVRM, stemt zijn procesgedrag geenszins over een met dat van een rechtzoekende, die dringend nood heeft aan een onmiddellijke beslissing om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstig ongemakken te voorkomen;

• De inleidende dagvaarding in kort geding dateert van 15 november 2013. Indien op deze datum ten gronde gedagvaard was, was er wellicht al een vonnis ten gronde, doch tot op heden werd geen dagvaarding ten gronde uitgebracht;

• Na tussenkomst van de beschikking van 28 oktober 2014 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, wachtte hij tot 16 december 2014 om rechtsbijstand te vragen om tegen deze beschikking hoger beroep in te stellen;

• Dit proces handelen is niet compatibel met het handelen van een rechtzoekende die een urgente vordering heeft;

• Eisende partij te dezen toont daarenboven niet aan wat nu plots een urgente vordering verantwoordt. Er wordt geen enkel stuk voorgebracht dat enige urgentie aantoont. Hij beperkt zich tot het voortbrengen van een attest van gevangenschap. Een procedure ten gronde was dus perfect mogelijk geweest;

• In het PSD verslag van 6 november 2013 wordt uitdrukkelijk vermeld dat PSD de indruk krijgt dat de eisende partij te dezen zich heeft aangepast aan het gevangenisleven en dat hij zich weinig druk maakt over zijn huidige situatie, dat hij zelfs geen concrete vraag heeft naar de reclassering toe, dat hij weliswaar de gevangenis wil verlaten maar zeker weinig vragen stelt in welke woonvorm dit zal gebeuren en dat hij zegt desgevallend akkoord te zullen gaan met een opname in een instelling.

Gelet op voormelde vaststellingen is het Hof van oordeel dat de eisende partij te dezen veel te traag heeft gehandeld, zodat de aard van zijn situatie en de aangeklaagde inbreuken geenszins volstaan om te besluiten tot het voorhanden zijn van een hoogdringende situatie.
Niets belet hem trouwens om in de tussentijd een procedure ten gronde te voeren. Tot op heden startte hij een dergelijke procedure ten gronden nog niet eens op.

Alleen al op grond van deze vaststellingen, is zijn vordering ongegrond.

Ten overvloede voegde het Hof hier nog aan toe dat in casu geenszins vaststaat dat de overheden kennelijk tekortschieten in hun wettelijke verplichting ter zake en dat te dezen met andere woorden geenszins aangetoond wordt dat de eisende partij te dezen in zijn specifieke concrete situatie zomaar aan zijn lot wordt overgelaten en ten onrechte nog in Merksplas verblijft.

Het Hof merkt vooreerst op dat de onderscheiden arresten van het Europese Hof van de rechten van de mens – waarnaar de eisende partij te dezen uitvoerig verwijst – immers steeds voortvloeien uit de beoordeling van een specifieke casus en bijgevolg niet zomaar als algemene regel kunnen toegepast worden op de concrete situatie te dezen. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan bijgevolg geenszins afgeleid worden dat het enkele feit dat de eisende partij te dezen als geïnterneerde in een gevangenis is opgesloten en niet verblijft in een aangepaste instelling, volstaat om te besluiten dat de detentie in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Te dezen kan bovendien niet voorbijgegaan worden aan de vaststelling dat het verblijf van eisende partij in Merksplas ogenschijnlijk weloverwogen is en voortvloeit uit de hierna volgende specifieke gegevenheden:

• Het hof van beroep stelde op basis van het deskundigenverslag vast dat er sprake is van een zeer fundamentele persoonlijkheidsproblematiek waaruit het maatschappelijk gevaar volgt;

• Alle vorige invrijheidsstelling op proef zijn slecht afgelopen: tussen 10 januari 1985 en 14 april 2003 waren er 14 invrijheidsstelling op proef. Geen enkele behandeling of reclasseringspiste heeft soelaas geboden. Het kwam opnieuw tot ernstig seksueel misbruik.

• In de instelling te Merksplas heeft de PSD dienen vast te stellen dat de aangeboden hulp niet tot enige verbetering leidt. De pretherapie bij ITER is stilgevallen. De PSD bedenkt daarbij of echte inzichten bijbrengen mogelijk is en het niet eerder getalsmatig dient aangepakt te worden;

• De PSD levert talrijke inspanningen bij het zoeken naar een mogelijkheid van plaatsing van de eisende partij in een andere setting. Elk verzoek tot opname wordt evenwel steeds geweigerd onder meer door zijn persoonlijkheid en voorgaanden;

• Uit het gespecialiseerd advies verslag van 6 november 2013 van de PSD blijkt dat in de instellingen gespecialiseerd in de behandeling van seksueel deviant gedrag voor de eisende partij te dezen geen aangepaste behandeling gegeven kan worden;

• Deze instellingen weigeren eisende partij te dezen het zij op basis van de gepleegde seksuele feiten, soms omwille van het feit dat men geen behandelaanbod ter beschikking heeft en dat er geen mogelijkheid is inzake resocialisatie, hetzij omwille van de combinatie van seksuele feiten en brandstichting;

• Ook via de piste van het VAPH is geen onmiddellijke oplossing voorhanden. Er is geen behandeling mogelijk, enkel sturing is noodzakelijk;

• Het blijkt dat geen efficiënte therapie kan geboden worden, daar de eisende partij te dezen therapeutisch onbereikbaar is, en er alleen gedragsmatig kan gewerkt worden via sterke sturing en controle;

• de kans op recidive wordt zeer groot ingeschat, zodat de eisende partij te dezen een ernstig gevaar voor de maatschappij uitmaakt en derhalve in een beveiligde setting dient te worden opgesloten;

• Inmiddels geldt de beslissing van de commissie ter bescherming van de maatschappij dat Merksplas de geschikte plaats is voor de internering in afwachting van de overplaatsing naar het FPC te Gent, dan wel een opname in een forensische instelling van het VAPH of een FPVT. De eisende partij te dezen wordt er verder ondersteund en de zorgequipe blijft hem de pretherapie aanbieden.

De eisende partij toont bovendien niet aan dat de Belgische staat en de Vlaamse Gemeenschap te dezen gehouden zouden zijn tot het voorzien in een prestatieverbintenis ingevolge artikel 20 WBM en/of het samenwerkingsakkoord van 8 oktober 1998.

Ogenschijnlijk lijkt het toepassingsgebied van artikel 20 WBM immers strikt beperkt te zijn tot de personen, geïnterneerd wegens een feit bedoeld in de artikelen 372-377 strafwetboek, die op proef in vrijheid zijn gesteld. In dat geval organiseert de wet de sociale geneeskundige voogdij voor zowel residentiële als ambulante behandeling.

Ook het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord is ogenschijnlijk beperkt tot enkel ambulante behandelingen, hetgeen onmogelijk is voor niet (op proef) in vrijheid gestelden.

Tot op heden besliste de CBM echter nog niet tot de invrijheidstelling van de eisende partij te dezen op proef, zodat hij zich ten onrechte op dit artikel 20 WB en het samenwerkingsakkoord van 8 oktober 1998 beroept. Artikel 88 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden doet aan voormelde vaststellingen geen enkele afbreuk.

Tenslotte geeft de eisende partij te dezen zelf niet aan de welke specifieke therapie hij – rekening houdende met zijn concrete individuele situatie – zou moeten krijgen en die hem thans wordt onthouden. Hij beperkt zich daarentegen – na al die tijd en het parcours dat hij aflegde – tot het vorderen van een zeer vage, niet concrete maatregel.

Gelet op hetgeen voorafgaat, wordt de bestreden beschikking bevestigd, zij het deels op andere motieven.

[…]

Beslissing

[…]

Het Hof,

Verklaart het hoger beroep van de eisende partij te dezen ontvankelijk, maar ongegrond.

[…]

Noot: 

Rechtsleer

• Y. Van den Berge, De behandeling van geïnterneerden: een "zorg" van lange duur. Safety first. RABG 2012/8, 495

• Sofie Royer, NJW 2016, 868, Rechtsmacht

• EHRM 02/10/20012,  RABG 2013/01, p. 4, met noot onder dit arrest in het RABG, K. Hannoille, Straatsburg gunt België geen respijt meer: interneren moet gelijk staan met behandelen

Rechtspraak

• Cassatie, 20/12/2011, RABG, 2011/8, 493

Samenvatting

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de artikelen 5.1.e en 5.4 E.V.R.M., blijkt dat: - de "rechtmatigheid" niet alleen de gevangenhouding zelf maar ook haar verdere tenuitvoerlegging betreft; - de gevangenhouding in overeenstemming moet zijn, niet alleen met het interne recht maar ook met de limitatief bepaalde gronden van artikel 5.1 E.V.R.M. teneinde elke vorm van willekeur te voorkomen en er een band tussen die gronden en de plaats en wijze waarop de gevangenhouding geschiedt, moet bestaan; - de gevangenhouding op grond van artikel 5.1.e E.V.R.M. zowel de bescherming van de geesteszieke zelf als van de samenleving beoogt en enkel rechtmatig kan zijn wanneer zij in een kliniek, hospitaal of andere daartoe geschikte instelling wordt uitgevoerd  (E.H.R.M., 30 juli 1998, Aerts t./ België; 6 dec. 2011, De Donder t./ België; R.P.D.B., compl. VII, v° Convention européenne des droits de l'homme, nrs. 329 en 311).

Tekst arrest

Nr. P.11.1912.N
E J E V D B,
geïnterneerde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij van 30 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Krachtens artikel 19bis, eerste en tweede lid, Wet Bescherming Maatschappij kan de advocaat van de geïnterneerde tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om invrijheidstelling, binnen vijftien dagen na de kennisgeving van die beslissing, hoger beroep instellen bij de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij.

2. Krachtens artikel 19ter Wet Bescherming Maatschappij kan alleen door de advocaat van de geïnterneerde cassatieberoep worden ingesteld tegen een door de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij genomen beslissing die de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot invrijheidstelling van de geïnterneerde bevestigt of die het verzet van de procureur des Konings tegen de beslissing tot invrijheidstelling van de geïnterneerde gegrond verklaart.

3. Uit die bepalingen volgt dat de beslissing tot behoud van de internering in een welbepaalde inrichting, die slechts een uitvoeringsmodaliteit van de internering uitmaakt, niet vatbaar is voor cassatieberoep.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Middel

4. Het middel voert aan dat de bestreden beslissing niet nagaat of eisers detentie aangepast is aan zijn geestestoestand en de redelijke termijn in afwachting van het overbrengen van de eiser naar een geschikte instelling al dan niet overschreden is; overeenkomstig artikel 5.1 en 5.4 EVRM moet de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij, die een nationale instantie is voor dewelke de geïnterneerde daadwerkelijke rechtshulp kan krijgen, dit nochtans nagaan.

De eiser verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt de wet van 9 april 1930 tot Bescherming van de Maatschappij artikel 5.1 en artikel 5.4 EVRM, gelezen in samenhang met artikel 10 en 11 Grondwet, nu deze wet niet bepaalt wat de maximaal toegelaten redelijke termijn is dat een geïnterneerde geesteszieke delictpleger in aan zijn geestesziekte onaangepaste omstandigheden mag worden opgesloten, en nu deze wet geen sanctie voorziet eens deze maximaal toegelaten redelijke termijn overschreden is?"

5. Artikel 5.1 EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in een van de navolgende gevallen en langs wettelijke weg: (...) e) in het geval van rechtmatige gevangenhouding (...) van geesteszieken (...)".

Artikel 5.4 EVRM bepaalt: "Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is."

6. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat:

- de "rechtmatigheid" niet alleen de gevangenhouding zelf maar ook haar verdere tenuitvoerlegging betreft;

- de gevangenhouding in overeenstemming moet zijn, niet alleen met het interne recht maar ook met de limitatief bepaalde gronden van artikel 5.1 EVRM teneinde elke vorm van willekeur te voorkomen en er een band tussen die gronden en de plaats en wijze waarop de gevangenhouding geschiedt, moet bestaan;

- de gevangenhouding op grond van artikel 5.1.e EVRM zowel de bescherming van de geesteszieke zelf als van de samenleving beoogt en enkel rechtmatig kan zijn wanneer zij in een kliniek, hospitaal of andere daartoe geschikte instelling wordt uitgevoerd.

7. Zoals de internering zelf van een geesteszieke noodzakelijk en evenredig moet zijn, zo ook moet de begane onrechtmatigheid bij de uitvoering van de interneringsmaatregel evenredig worden gesanctioneerd: een onaangepaste verzorging kan een onrechtmatigheid in de zin van artikel 5.1.e en 5.4 EVRM opleveren, zonder daarom de invrijheidstelling van de geesteszieke te kunnen verantwoorden indien de samenleving daardoor in gevaar komt.

8. Het middel faalt naar recht in zoverre het aanvoert dat, ongeacht het gevaar dat hierdoor voor de samenleving zou ontstaan, de eiser in vrijheid moet worden gesteld omdat hij niet binnen een redelijke termijn naar een geschikte verzorgingsinstelling wordt overgebracht.

9. In zoverre de bestreden beslissing oordeelt dat de eiser niet in vrijheid kan worden gesteld daar "uit het onderzoek van het dossier en de debatten blijkt dat de geestestoestand van de (eiser) onvoldoende is verbeterd en dat de voorwaarden voor zijn reclassering niet zijn vervuld; meer bepaald tekenen zich onvoldoende concrete mogelijkheden tot reclassering af wat betreft nuttige werkzaamheden, vast verblijfplaats en inkomen, die voor de maatschappij voldoende waarborgen tegen gevaar veroorzaakt door [de eiser] bieden", is de bestreden beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Voor het overige is het middel gericht tegen de beslissing dat geen onmiddellijke overbrenging van de eiser naar een gepaste psychiatrische instelling kan worden bevolen.

In zoverre is het middel gericht tegen een beslissing die niet vatbaar is voor een ontvankelijk cassatieberoep en behoeft het geen antwoord.

Prejudiciële vraag

10. De voorgestelde prejudiciële vraag die erom verzoekt de bestaanbaarheid van de Wet Bescherming Maatschappij met artikel 5.1 en 5.4 EVRM, gelezen in samenhang met artikel 10 en 11 Grondwet, te onderzoeken, houdt geen verband met een grondrecht dat op gelijkaardige wijze door de Grondwet en door het EVRM wordt beschermd.

Zij preciseert evenmin welke bepalingen van de Wet Bescherming Maatschappij leiden tot een ongelijke behandeling van personen die zich in een vergelijkbare rechtstoestand bevinden noch waarin die ongelijke behandeling bestaat.

Er is bijgevolg geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de invrijheidstelling

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 24/07/2017 - 18:21
Laatst aangepast op: ma, 24/07/2017 - 18:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.