-A +A

Kortgeding mag geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 12/01/2007
A.R.: 
C.13.0309.N

Het voeren van de burgerlijke valsheidsprocedure is van aard de rechten van de partijen definitief en onherroepelijk aan te tasten; deze procedure is bijgevolg uitgesloten in kort geding. Immers, de wetsbepaling (artikel 584, 3°, Gerechtelijk Wetboek) die voorziet dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf verbiedt de rechter in kort geding maatregelen te bevelen waardoor de rechten van partijen op een definitieve en onherroepelijke wijze worden aangetast.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

• Cass. 12/11/2015, juridat

Nr. C.13.0309.N
1. A. F.,
2. N. A.,
eisers,
tegen
1. Ph. V. M.,
verweerder,
2. M. K.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 december 2012.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechters oordelen dat niet voldaan was aan de voorwaarde van volstrekte noodzakelijkheid om op eenzijdig verzoekschrift maatregelen te bevelen en dat de oorspronkelijke vordering van de eerste eiser dan ook op niet-ontvankelijke wijze werd ingeleid op grond van artikel 584, 3°, Gerechtelijk Wetboek.

2. Gelet op dit oordeel dienden de appelrechters niet te antwoorden op het niet meer dienstig verweer inzake het belang dat de gevorderde maatregel nog ver-toonde.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

3. Het is niet tegenstrijdig, enerzijds, te oordelen dat er geen risico was op de materiële verdwijning van de betrokken aandelen op naam en, anderzijds, vast te stellen dat de betrokken aandelen volgens de tweede verweerder al rechtsgeldig verkocht waren op 1 juli 2011 door Micko nv.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

4. De appelrechters stellen vast dat de tweede verweerder ab initio betwistte dat lastens hem persoonlijk werd gevorderd, terwijl hij steeds optrad als gedele-geerd bestuurder van Micko nv.

5. Zij geven aldus louter het verweer van de tweede verweerder weer, zonder een uitlegging te geven van het eenzijdig verzoekschrift van de eerste eiser of de conclusie van de tweede eiseres.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

6. De appelrechters oordelen dat volstrekte noodzakelijkheid vereist is om op ontvankelijke wijze de rechter in kortgeding op éénzijdig verzoekschrift te adiëren op basis van artikel 584 Gerechtelijk Wetboek en dat aan die voorwaarde van volstrekte noodzakelijkheid niet was voldaan.

7. Deze zelfstandige, niet-bekritiseerde reden schraagt de beslissing van de ap-pelrechters dat de oorspronkelijke vordering van de eerste eiser op niet-ontvankelijke wijze werd ingeleid op grond van artikel 584, 3°, Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Vijfde onderdeel

8. De niet-ontvankelijkheid van het aanvankelijk verzoekschrift wordt, zoals gesteld onder r.o. 7, geschraagd door een zelfstandige, niet-bekritiseerde reden.

9. Het onderdeel dat opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat de eerste eiser het vereiste van urgentie niet gemotiveerd heeft in het initieel eenzijdig verzoekschrift, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Zesde onderdeel

10. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, doen de appelrechters de bestre-den beschikkingen niet teniet omdat de voorwaarden voor de volstrekte noodzakelijkheid en urgentie sedert de uitspraak door de eerste rechter waren gewijzigd.

Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feite-lijke grondslag.

Tweede middel

Eerste onderdeel

11. De appelrechters stellen vast dat de eerste eiser voor de eerste rechter op derdenverzet vorderde dat de tweede verweerder de omstandigheden van de overdracht van aandelen zou bewijzen met een reeks stukken met het oog op zijn aangekondigde vordering tot nietigverklaring van de aandelenoverdracht.

12. Zij oordelen niet alleen dat deze vordering in elk geval een volledig nieuwe vordering is ten opzichte van het verzoek tot aanstelling van een sekwester, zij oordelen in de eerste plaats dat het debat omtrent de rechtsgeldigheid van de be-trokken overdracht van aandelen behoort tot de bodemprocedure en de voorwaar-den van urgentie en volstrekte noodzakelijkheid desbetreffend manifest ontbre-ken.

13. Het onderdeel dat geheel opkomt tegen een ten overvloede gegeven reden is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

14. Artikel 1039 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de beschikkingen in kort ge-ding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf.
Deze bepaling verbiedt de rechter in kort geding maatregelen te bevelen waardoor de rechten van de partijen op een definitieve en onherroepelijke wijze worden aangetast.

Het voeren van de burgerlijke valsheidsprocedure is van aard de rechten van de partijen definitief en onherroepelijk aan te tasten. Deze procedure is bijgevolg uit-gesloten in kort geding.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel

15. Een grief waarbij de miskenning van de bewijskracht van een akte wordt aangevoerd, is niet ontvankelijk wanneer de eiser de akte niet regelmatig tot sta-ving van zijn cassatieberoep overlegt en de bestreden beslissing de bewoordingen van die akte ook niet overneemt.

16. De eisers leggen het proces-verbaal van de algemene vergadering van 28 juli 2011 waarvan de miskenning van de bewijskracht wordt aangevoerd niet neer, terwijl het arrest evenmin de bewoordingen ervan overneemt.

Het onderdeel is mitsdien niet ontvankelijk.

Derde middel

17. Krachtens artikel 799 Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing mag de rechter een beslissing enkel verbeteren in zover ze niet is bestreden.

Deze bepaling laat geen vordering tot verbetering toe zolang een hoger beroep of een voorziening in cassatie hangende is en hierop nog geen beslissing is gewezen.

Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 699,52 euro en voor de eerste verweerder op 444,98 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

Rechtspraak

Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, Kort geding – 11 juli 2016, RW 2017-2018, 311

Bij voorraad» («par provision») betekent historisch gezien «bij wijze van voorschot». Het voorlopig karakter van de uitspraak in kort geding duidt aan dat deze gevolgd kan worden door een andere uitspraak die een definitieve beslechting van het bodemgeschil inhoudt.

De voorzitter kan slechts uitspraak doen bij voorraad, zonder nadeel toe te brengen aan de zaak zelf. Dit betekent onder meer zeggen dat het gevraagde van voorlopige aard moet zijn. De rechter in kort geding moet er bij het opleggen van een maatregel rekening mee houden dat de bodemrechter later anders kan oordelen over de rechten van de partijen. Daarom wordt vereist dat de maatregel opgelegd in kort geding een later bodemgeding niet zinloos mag maken.

In beginsel mag de voorzitter geen onomkeerbare maatregelen opleggen, en hij moet vermijden een voldongen feit te creëren. Het Hof van Cassatie vereist dat de rechter geen maatregelen neemt waardoor de rechten van partijen op een definitieve en onherroepelijke wijze worden aangetast. De rechter moet er zich voor hoeden een maatregel te nemen waardoor aan een eventueel later bodemgeschil elk nut wordt ontnomen.

Afhankelijk van de spoedeisende omstandigheden en de schijn van de onderliggende rechtsverhouding, kan de rechter in kort geding een veroordeling uitspreken om iets te doen, iets te laten of om een bepaalde provisie te betalen. Een louter declaratoire of constitutieve uitspraak, zoals de nietigverklaring van een contract of een echtscheiding, is daarentegen niet toegestaan in kort geding. Een dergelijke uitspraak beantwoordt in geen geval aan het vereiste van een uitspraak bij voorraad (zie o.m.: S. Beernaert, «Algemene principes van het civiele kort geding», RW 2001-02, 1345 e.v.).

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 07/02/2017 - 10:59
Laatst aangepast op: wo, 18/10/2017 - 12:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.