-A +A

Klant van concurrent om een overeenkomst te verbreken is oneerlijke handelspraktijk

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 20/02/2006

Het is als concurrent ongeoorloofd en strijdig met artikel 93 WHPC om aan de klant van een andere verkoper te adviseren om de overeenkomst te verbreken en aan te bieden om de schade die hieruit voortvloeit, namelijk de advocatenkosten bij het voeren van een gerechtelijke procedure ten gevolge van de verbreking van de overeenkomst, te betalen. Het aansturen op een verbreking van de overeenkomst die het cliënteel met de concurrent heeft afgesloten, door het cliënteel het aanbod te doen de gerechtskosten te betalen van een procedure die de verbreking van de overeenkomst zou kunnen meebrengen is een oneerlijke handelspraktijk.

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C.D. N.V.,

appellante,

tegen:

PERFECTA BELGIE B.V.B.A.,
met maatschappelijke zetel te 8530 HARELBEKE, Kleine Waregemsestraat 13,
ingeschreven met KBO-nummer 0424.755.575,

geïntimeerde,

velt het Hof het volgend arrest:

I BESTREDEN BESLISSING – RECHTSPLEGING IN HOGER BEROEP

1.
Het hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk (746/05) van 27 juni 2005, bij verzoekschrift van 30 augustus 2005. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd.

Appellante vordert:
– het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en het bestreden vonnis te vernietigen;
– de oorspronkelijke vordering toelaatbaar en gegrond te verklaren en dus:
– geïntimeerde te horen veroordelen tot de staking van inbreuken op het verbod tot het voeren van reclame die afbrekende gegevens bevat en tot het op onrechtmatige wijze afwerven van cliënteel o.a. door middel van het betalen van de raadsman van de kopers, die de koop met appellante willen annuleren en dit onder verbeurte van een dwangsom van euro 25.000 per vastgestelde inbreuk;
– geïntimeerde te horen veroordelen tot het provisioneel betalen van een schadevergoeding van euro 25.000, te vermeerderen met de gerechtelijke rente;
– geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van de kosten van beide aanleggen.

2.
Geïntimeerde vordert het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen.

3.
Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen.

4.
De procedure gebeurde op tegenspraak.

II OVERBLIJVENDE BETWISTING – GRIEVEN

5.
De volgende betwistingen blijven over in graad van beroep:
– begaat geïntimeerde een inbreuk op artikel 93 van de wet 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en de bescherming van de consument, zoals achteraf gewijzigd (hierna WHPC) door de advocatenkosten te betalen van een koper van appellante, die de overeenkomst met appellante verbreekt en hiervoor gerechtelijk aangesproken wordt? Heeft geïntimeerde de beroepsbelangen van appellante geschaad door deze handelswijze?
– schendt geïntimeerde de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999 en zoals achteraf gewijzigd (hierna Wet Economische Mededinging)?
– begaat geïntimeerde een inbreuk op artikel 23, 6° WHPC door bepaalde vermeldingen in twee vakbladen en door een brief naar de raadsman van een klant van appellante te versturen?

6.
Appellante gaat niet akkoord met de wijze waarop de eerste rechter de feiten van deze zaak beoordeeld heeft.
Er is te weinig aandacht besteed in het bestreden vonnis aan het feit dat geïntimeerde aan de koper van appellante aangeboden heeft zijn raadsman te vergoeden, mochten er problemen ontstaan ten gevolge van de contractbreuk.
Geïntimeerde heeft volgens appellante wel reclame gevoerd waarin afbrekende gegevens vermeld zijn met betrekking tot appellante.

Verder wijst appellante op de schending van de “Wet Economische Mededinging”.

III FEITEN – PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

7.
Beide partijen zijn concurrenten van elkaar. Dit wordt niet betwist. Ze verkopen beide onder meer gebruikte frituurmachines. Geïntimeerde verkoopt ook nieuwe frituurmachines.

8.
Geïntimeerde contacteert klanten van appellante, die reeds een bestelbon ondertekenden, beveelt hen aan de overeenkomst te verbreken en biedt aan de kosten van een raadsman te betalen in geval er moeilijkheden ontstaan tussen de koper en appellante.

Deze handelwijze blijkt uit de brief van geïntimeerde aan de raadsman van de klant L (stuk 1 van het dossier van appellante). De veralgemening naar meerdere klanten van appellante blijkt uit de ingebrekestelling van de raadsman van appellante aan geïntimeerde van 25 november 2004 (stuk 4 van het dossier van appellante), die door geïntimeerde niet betwist werd.

Op verzoek van het Hof brengt appellante de bestelbon met de heer L bij.
Deze is gemaakt op briefpapier van appellante.
Er wordt op 7 november 2003 “1 Tweedehands Perfecta” besteld, zonder verdere precisering van type of bouwjaar, voor de prijs van euro 8.600. Een bain-marie en een lichtreclame worden gratis geleverd en er is een optie genomen op een frigotoog.

De heer L annuleert drie dagen later de bestelling, na overleg met geïntimeerde. Er kan niet uitgemaakt worden of het geïntimeerde is die de heer L contacteerde, dan wel of het omgekeerd was.
Appellante startte hierover een aparte gerechtelijke procedure, die thans voor dit Hof in behandeling is.

9.
Geïntimeerde maakt reclame voor haar ketels, waarin zij erop wijst dat er “geen warmtewisselaars of gaslongen” gebruikt worden en er “dus geen lasnaden, geen steekvlammen, geen verbrande vingers [zijn] en makkelijk met vast vet te werken [is]” (stuk 3 van het dossier van appellante).

10.
Appellante dagvaardt op 21 februari 2005. De eerste rechter wijst de vordering volledig af als ongegrond.

IV BEOORDELING

DE INBREUK OP ARTIKEL 93 WHPC.

11.
Het volgende onderscheid moet gemaakt worden.

Enerzijds is er de feitelijke situatie waarbij de handelwijze van appellante als beroepsverkoper in haar relatie met een koper zou kunnen aangevochten worden. Zonder hierover in deze zaak enige uitspraak te doen, is het denkbaar dat het laten ondertekenen van een bestelbon voor een niet nader gepreciseerd toestel tot betwisting zou kunnen leiden. Of deze overeenkomst nu nietig is bij gebrek aan voorwerp, dan wel of er een partijbeslissing geweest is die de overeenkomst niet ongeldig maakte, is hier niet aan de orde.

Anderzijds is er de reactie op de ondertekening van een dergelijke bestelbon en de rol daarin van een concurrent. Het al dan niet rechtsgeldig zijn van de overeenkomst heeft in deze zaak geen invloed op de beoordeling van het gedrag van geïntimeerde in het licht van de WHPC. Evenmin is het in het licht daarvan van belang of het nu geïntimeerde is die K.L contacteerde, dan wel omgekeerd.

Het Hof is van oordeel dat de handelwijze van geïntimeerde de beroepsbelangen van appellante schaadt.

Het is als concurrent ongeoorloofd en strijdig met artikel 93 WHPC om aan de klant van een andere verkoper te adviseren om de overeenkomst te verbreken en aan te bieden om de schade die hieruit voortvloeit, namelijk de advocatenkosten bij het voeren van een gerechtelijke procedure ten gevolge van de verbreking van de overeenkomst, te betalen. Het aansturen op een verbreking van de overeenkomst die het cliënteel met de concurrent heeft afgesloten, door het cliënteel het aanbod te doen de gerechtskosten te betalen van een procedure die de verbreking van de overeenkomst zou kunnen meebrengen is een oneerlijke handelspraktijk.

Geïntimeerde zou de advocatenkosten ten gevolge van de verbreking niet op zich genomen hebben, indien zij niet hierdoor zelf een frituurtoestel had kunnen verkopen aan appellante. Het is zelfs haar enige bedoeling geweest. Geïntimeerde is geen organisatie die de belangen van kopers of van frituristen verdedigt.

Dat geïntimeerde niet de leiding van het geding neemt, is niet relevant.

Door aan te bieden de advocatenkosten te dragen en dit ook daadwerkelijk te doen, heeft geïntimeerde de koper van appellante aangezet om zijn overeenkomst met appellante te verbreken. Minstens heeft geïntimeerde bijgedragen tot de contractbreuk. Dit wordt afgeleid uit de fax van geïntimeerde aan de raadsman van de koper van appellante (stuk 1 van het dossier van appellante: “Uw conclusie is juist dat Perfecta België instaat voor betaling. Ik zal hiervoor het nodige in gang zetten.”).

Op het ogenblik dat geïntimeerde het aanbod van betaling gedaan heeft aan de klant van appellante en dat geïntimeerde de hiervoor genoemde brief aan de raadsman van de klant van appellante geschreven heeft, bestond er een getekende bestelbon en had de klant van appellante zich geëngageerd om een toestel bij appellante te kopen. De overeenkomst was niet vernietigd, noch verbroken. Het was onrechtmatig van geïntimeerde om in de relatie tussen appellante en haar klant tussen te komen op de wijze dat geïntimeerde dit gedaan heeft.

Geïntimeerde betaalt niet enkel de kosten van de advocaat van de koper, zij reikt ook nog aan de raadsman van de koper drie juridische argumenten aan, waarvan zij meent dat zij tot de verbreking van de koop tussen koper L en appellante kunnen leiden en nuttig kunnen zijn in de betwisting tussen appellante en K.L (stuk 1 van het dossier van appellante).

Deze handelwijze overstijgt de normale inspanningen die concurrenten op de markt kunnen en mogen leveren om hun marktaandeel te vergroten en klanten weg te kapen bij een concurrent.

Evenzeer schaadt deze handelwijze de beroepsbelangen van appellante. Een klant verliezen aan een concurrent behoort tot het vrij handelsverkeer. Een klant verliezen aan een concurrent die de contractbreuk van de klant bewerkstelligt of minstens vergemakkelijkt, behoort niet meer tot het normaal vrij handelsverkeer.

Ten onrechte schrijft geïntimeerde dat de argumentatie van appellante neerkomt op het argument dat de raadsman van geïntimeerde medeplichtig zou zijn aan de beweerde oneerlijke handelspraktijken. De rol van de raadsman van geïntimeerde is in dit geding niet aan de orde.

Geïntimeerde en de eerste rechter verwijzen ten onrechte naar het arrest van het Hof van Cassatie van 4 juni 1993 (www.cass.be, op datum), door te stellen dat er los van de contractuele band tussen appellante en haar klant geen schade is, zodat geen toepassing gemaakt kan worden van artikel 93 WHPC. Dit arrest is niet van toepassing op deze zaak, nu geen contractuele verhouding bestaat tussen de partijen in het voorliggend geding. Appellante verwijt geïntimeerde geen inbreuk op een contractuele bepaling. In de zaak die aanleiding gaf tot het genoemd cassatiearrest, verweet de aanlegger wel een contractuele fout aan de verwerende partij (zie ook de uiteenzetting van STUYCK, J. en PAUWELS, C., “Over co-existentie en samenloop tussen de vordering tot staken en de vordering ex contractu”, noot onder Cass, 4 juni 1993, T.B.H., 1994, 610, nr. 1). De verweten handeling die geïntimeerde gesteld heeft, is op zichzelf een daad die strijdig is met de eerlijke handelsgebruiken.

12.
Op grond van het voorgaande wordt de staking bevolen van:
– het betalen van de advocatenkosten van de koper(s) van appellante, gemaakt in het kader van het verbreken van een koopovereenkomst tussen derden en appellante voor producten die zowel appellante als geïntimeerde verkopen;
– het verstrekken van advies door geïntimeerde aan de koper(s) van appellante, voor zover dat betrekking heeft op de verbreking van de koop die appellante met één of meerdere klanten sloot.
Een dwangsom van euro 1.000 per vastgestelde inbreuk wordt opgelegd, met een maximum van euro 50.000.

Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd.

DE INBREUK OP DE WET TOT BESCHERMING VAN DE ECONOMISCHE MEDEDINGING, GECOÖRDINEERD OP 1 JULI 1999 EN ZOALS ACHTERAF GEWIJZIGD (HIERNA WET ECONOMISCHE MEDEDINGING)

13.
Appellante beperkt er zich toe te melden dat deze wet geschonden is, zonder deze rechtsgrond te preciseren of uit te werken.

Hoe dan ook kan een middel op grond van deze wet in de voorliggende zaak niet tot een ruimer stakingsverbod leiden.

Dit onderdeel van de vordering wordt verworpen.

DE INBREUK OP ARTIKEL 23, 6° WHPC

14.
In artikel 22 WHPC wordt reclame omschreven als elke mededeling die rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel heeft de verkoop van producten of diensten te bevorderen, ongeacht de plaats of de aangewende communicatiemiddelen.

15.
Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat de brief van geïntimeerde aan de raadsman van de klant van appellante niet als reclame kan gelden. Uit deze brief blijkt niet de verkoopbevorderde bedoeling van geïntimeerde in de zin van de WHPC. Er is ook geen enkel element van openbaarheid of gerichtheid op het publiek; zelfs niet op een beperkt publiek.

16.
Het volstaat dat de mededeling door geïntimeerde, die een verkoper is in de zin van artikel 1-6 WHPC, aan de klant van appellante, ertoe strekt de verkoop onrechtstreeks te bevorderen. Dit betekent dat er ook sprake kan zijn van reclame indien het doel van de mededeling er niet in eerste instantie op gericht is de verkoop te bevorderen, maar de mededeling wel een dergelijk effect met zich meebrengt (Brussel, 19 mei 1998, Jaarboek Handelspraktijken 1998, 118).

Deze situatie doet zich ook in de voorliggende zaak voor. Het effect van de mondelinge mededeling van geïntimeerde aan de klant van appellante is geweest dat deze klant de verkoop geannuleerd heeft. De mededeling is door geïntimeerde gebeurt met het oog op een verkoop door haarzelf.

Ook mondelinge reclame valt onder het toepassingsgebied van artikel 22 WHPC, dat het heeft over “elke” mededeling.

Het louter feit dat de mededeling geleid heeft tot een verbreking van de koop tussen appellante en haar klant die geen partij is in dit geding, is evenwel onvoldoende om te besluiten dat artikel 23, 6° WHPC geschonden is. Appellante brengt geen voldoende bewijs bij van het feit dat de mededeling van geïntimeerde afbrekend geweest zou zijn. Erop wijzen dat op de bestelbon niet gepreciseerd is welk toestel besteld werd, is niet voldoende om te besluiten dat er afbrekend te werk is gegaan door geïntimeerde. Dit is zeker niet het geval in de mate de klant van appellante zelf zich zou bevraagd hebben bij geïntimeerde.

17.
De twee besprekingen uit het vakblad “Snackblad” schenden artikel 23, 6° WHPC niet.

In het eerste artikel is het de – niet-gekende – auteur toegelaten de voordelen van een Perfecta frituurmachine op te sommen.
Kwalitatieve of functionele specificaties zijn toegelaten omdat zij een normale mededinging tussen verkopers toelaten (cfr. Vz. Kh. Brussel, 15 februari 1993, geciteerd in DE VROEDE, P., MERCHIERS, Y. en DEMUYNCK, I., “Overzicht van rechtspraak. Algemeen handelsrecht, handelspraktijken en consumentenbescherming 1992-1997”, Tijdschrift voor Privaatrecht, 1999, nr. 164, p. 213). Appellante toont niet naar genoegen van recht aan dat de beschrijvingen in het eerste tijdschriftartikel anders zijn dan functionele specificaties en de gevolgen van de bepaalde opgesomde functies.

In geen van beide artikels is sprake van de aantasting van de reputatie van appellante (zie ook Brussel, 28 april 1999, Jaarboek Handelspraktijken en Mededinging, 1999, 136). Er is geen belasterende, noch beledigende commentaar.

In geen van beide artikels kan appellante geïdentificeerd worden, zoals de eerste rechter terecht oordeelde. Geen enkel element uit het dossier van appellante (geïntimeerde brengt geen stukken bij) laat toe te besluiten dat de mededeling dat er met een warmtewisselaar gewerkt wordt noodzakelijk de gemiddelde aandachtige consument appellante doet identificeren.

Dit onderdeel van de vordering wordt verworpen. Het bestreden vonnis wordt bevestigd, zij het met een enigszins andere motivering.

SCHADEVERGOEDING

18.
Terecht oordeelde de eerste rechter dat de stakingsrechter niet bevoegd is om te oordelen over de aard en de omvang van de beweerde schade en de daaraan te verbinden schadevergoeding (Antwerpen, 27 maart 2000, Jaarboek Handelspraktijken en Mededinging 2000, 532).

Zelfs provisioneel kan de stakingsrechter in deze zaak geen vergoeding toekennen, nu daarvoor de omvang van de schade minstens provisioneel moet vastgesteld worden.

In graad van beroep vordert appellante een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. Aangezien zij zelf de procedure gestart is en ook het hoger beroep ingeleid heeft, kan appellante haar vordering niet baseren op het tergend en roekeloos karakter van het geding.

Dit onderdeel van de vordering is ongegrond. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

KOSTEN

19.
Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger.W. wordt geïntimeerde tot de betaling van de kosten veroordeeld.

BESLISSING

Het principaal hoger beroep is toelaatbaar, maar enkel gegrond in de hierna volgende mate.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd, behalve wat de vordering betreft voor zover zij gegrond is op artikel 93 van de wet 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en de bescherming van de consument, zoals achteraf gewijzigd.

Het Hof spreekt opnieuw recht en verklaart de oorspronkelijke vordering gegrond, voor zover zij gebaseerd is op artikel 93 van de wet 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en de bescherming van de consument, zoals achteraf gewijzigd.

De staking wordt bevolen van:
– het betalen van de advocatenkosten van de koper(s) van appellante, gemaakt in het kader van het verbreken van een koopovereenkomst tussen derden en appellante voor producten die zowel appellante als geïntimeerde verkopen;
– het verstrekken van advies door geïntimeerde aan de koper(s) van appellante, voor zover dat betrekking heeft op de verbreking van de koop die appellante met één of meerdere klanten sloot.
Een dwangsom van euro 1.000 per vastgestelde inbreuk wordt opgelegd, met een maximum van euro 50.000.

Geïntimeerde wordt veroordeeld tot de betaling van de kosten, begroot als volgt:
aan de zijde van appellante:
* dagvaarding en rolstelling eerste aanleg: euro 196,60
* rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 118,99
* rolrecht hoger beroep: euro 186,00
* uitgavenvergoeding hoger beroep: euro 59,49
* rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 237,98

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, ZEVENDE TER KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op TWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ZES.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 03/02/2018 - 13:23
Laatst aangepast op: za, 03/02/2018 - 13:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.