-A +A

Kennisgeving van het voornemen tot regres van verzekeraar van zodra deze kennis heeft van de feiten die het regres wettigen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Oost-Vlaanderen-Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 15/11/2016

Artikel 88, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst impliceert dat de verzekeraar, om zijn recht van verhaal niet te verliezen, aan de betrokkene duidelijk kennis geeft van zijn voornemen om verhaal in te stellen en dat de verzekeraar daarvan het bewijs dient te leveren; de wet op de landverzekeringsovereenkomst onderwerpt die kennisgeving aan geen enkel bijzonder vormvereiste; wanneer de kennisgeving per aangetekende brief gebeurt, dient de verzekeraar enkel te bewijzen dat hij die aan de postdiensten heeft afgegeven; die afgifte is een rechtsfeit, dat kan worden bewezen door alle middelen rechtens die de bodemrechter op onaantastelijke wijze beoordeelt.

Art. 34, § 3, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van betaling door de verzekeraar, behoudens bedrog. Deze bepaling doet de verjaring van de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde lopen vanaf de betaling, ook al staat op dat ogenblik nog niet vast dat de verzekeraar over een grond van verhaal tegen de verzekerde beschikt.

De verzekeraar, die zijn conventioneel regresrecht uitoefent, dient te bewijzen dat hij als verzekeraar de slachtoffers heeft vergoed in overeenstemming met zijn contractuele en wettelijke verplichtingen. Het doet er ter zake niet toe of de slachtoffers vergoed werden door een rechtstreekse betaling door de verzekeraar van de dader, dan wel door een derde verzekeraar, die op grond van afspraken tussen verzekeraars voor rekening van de verzekeraar die regres uitoefent, heeft betaald. De betaling aan de slachtoffers door de eigen verzekeraar dient rechtstreeks toegerekend te worden aan de verzekeraar van de dader.

De “uitkering van dat bedrag” waarvan sprake in art. 88, § 3 Verzekeringswet is bijgevolg de betaling van de verzekering aan de benadeelde en niet de latere betaling door de ene verzekering aan de andere. Het is die eerste betaling die gebeurde in uitvoering van de verzekeringspolis, niet de latere verrekening tussen de verzekeringsmaatschappijen in het kader van de RDR-overeenkomst. De aanvang van de verjaring is dus in principe de datum waarop de verzekering overging tot uitbetaling van de vergoeding aan het slachtoffer in naam en voor rekening van de verzekeringsmaatschappij die gehouden is tot vergoeding.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
874
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV B.B. t/ L.H.

...

2. De feiten

Op 31 mei 2012 deed er zich een ongeval voor op de E17 te Beveren in de richting van Frankrijk. Daarbij waren betrokken: een voertuig Alfa Romeo, bestuurd door en eigendom van de h. L.H. (d.i. verweerder) en in burgerlijke aansprakelijkheid verzekerd bij de NV M.V. (thans NV B.B., d.i. eiseres), en een vrachtwagen Man, bestuurd door de heer M.G., eigendom van de firma G. en in burgerlijke aansprakelijkheid verzekerd bij de NV A.B. De h. H. raakte bij de aanrijding lichtgewond.

De wegpolitie van Oost-Vlaanderen kwam ter plaatse en er werd een strafdossier geopend. De verbalisanten noteerden als ongevalsrelaas dat de vrachtwagen Man op de rechterrijstrook van de autosnelweg reed tegen een snelheid van ongeveer 85 km per uur en plots achteraan zwaar werd aangereden door het voertuig Alfa Romeo. Het voertuig Alfa Romeo schoot de trekker van de vrachtwagen voorbij en kwam ongeveer 200 meter verder tegen een verkeersbord terecht.

De h. H. werd aan een ademtest onderworpen en deze was positief. De vervolgens uitgevoerde ademanalyse gaf aan dat de h. H. onder invloed was van 1,07 mg alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht. Zijn rijbewijs werd onmiddellijk ingetrokken voor vijftien dagen. Het parket stelde prof. Dr. M. De L. aan om de lichamelijke geschiktheid van de h. H. om een motorvoertuig te besturen na te gaan. Prof. Dr. De L. besloot dat de h. H. niet voldeed aan de voorwaarden om een motorvoertuig te besturen.

De h. H. werd door het openbaar ministerie vervolgd voor de politierechtbank te Sint-Niklaas en hij werd voor verschillende verkeersovertredingen, waaronder het rijden in staat van dronkenschap, het rijden onder invloed van een strafbare hoeveelheid alcohol van meer dan 0,35 mg alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht, het aanrijden van een voorzienbare hindernis, het niet aanpassen van zijn snelheid en het niet dragen van de gordel, samen veroordeeld tot een geldboete van 400 euro (gebracht op 2 400 euro) en hij werd gedurende vijf maanden vervallen verklaard van het recht tot sturen, waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor een medisch en psychologisch onderzoek. Tevens werd hij gedurende zes maanden lichamelijk ongeschikt verklaard om een motorvoertuig te besturen.

Op 6 juli 2012 richtte eiseres, zijnde de burgerlijke aansprakelijkheidsverzekeraar van het voertuig Alfa Romeo, een brief aan verweerder waarin zij aankondigde regres te zullen uitoefenen voor haar uitgaven. Deze brief werd op 9 juli 2012 aangetekend verstuurd naar verweerder.

3. Voorwerp van de vorderingen

De vordering van eiseres, zoals geformuleerd in laatste conclusie, strekt ertoe verweerder te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 10 441,53 euro, te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf datum van betekening van de dagvaarding, de gerechtelijke interest en de kosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1 210 euro.

4. Beoordeling ten gronde

4.1. Standpunt van eiseres

Eiseres voert aan met toepassing van art. 24 en 25, 2ob van de modelpolis voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen regres te kunnen uitoefenen op verweerder voor haar uitgaven naar aanleiding van het ongeval van 31 mei 2012. Zij meent dat haar kennisgeving in de zin van art. 88, tweede lid Wet Landverzekeringsovereenkomst tijdig was, omdat zij op 31 mei 2012 een ongevalsaangifte ontving waarop vermeld stond dat de bloedproef of alcoholtest negatief was, dat zij op 20 juni 2012 een e-mailbericht ontving van de makelaar van verweerder met als bijlage het navolgend proces-verbaal van 31 mei 2012, zijnde een document betreffende de alcoholtest, dat zij op 6 juli 2012 een aangetekende brief stuurde met het bewijs dat deze op 9 juli 2012 aangetekend verzonden werd en dat zij op 23 maart 2015 een aangetekende brief verstuurde met het verzoek tot terugbetaling van een bedrag van 12 644,15 euro.

Eiseres betoogt dat haar vordering, die na verloop van drie jaar verjaart vanaf de dag van betaling, nog niet verjaard was op het ogenblik van de dagvaarding. Zij voert aan dat het RDR-compensatiebericht van 16 oktober 2012 niet de datum van effectieve terugbetaling is en dat uit een computerafprint blijkt dat de betaling op 13 december 2012 gebeurde.

Voorts is eiseres van oordeel dat de letselschade van de h. R. in oorzakelijk verband tot het ongeval stond, wat blijkt uit de medische expertise die gevoerd werd. Zij wijst er ook op dat zij bezwaarlijk bij ieder ongeval met een grond tot regres haar verzekerde moet uitnodigen om op medische controleonderzoeken aanwezig te zijn. Zij wijst erop dat zijzelf geen liefdadigheidsinstelling is.

4.2. Standpunt van verweerder

Verweerder voert aan dat de vordering van eiseres met toepassing van art. 34, § 1 Wet Landverzekeringsovereenkomst, thans art. 88, § 3 Verzekeringswet, gedeeltelijk verjaard is. Hij voert aan dat de schade aan de aangereden vrachtwagen op 16 oktober 2012 in het kader van een RDR-regeling vergoed werd, zodat dit onderdeel op 8 december 2015 verjaard was.

Verweerder betoogt dat hij niet gehouden kan worden tot enige vergoeding m.b.t. lichamelijke letsels van h. R., omdat er volgens hem geen causaal verband bestaat tussen de letsels van de h. R. en het ongeval. Hij wijst op het verschil in gewicht tussen beide voertuigen, de beperkte schade achteraan het voertuig dat door de h. R. bestuurd werd, de vermelding in het proces-verbaal dat de h. R. niet gewond was en het feit dat hijzelf niet vervolgd werd wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen.

Verweerder wijst erop dat hijzelf op geen enkel ogenblik betrokken was bij de expertises betreffende de letsels van de h. R., dat de h. R. reeds in september 2010 betrokken raakte bij een ongeval waarbij hij een whiplashtrauma opliep met 2% blijvende invaliditeit. Hij meent dat de raadsgeneesheren weinig kritisch waren en dat de artsen zich niet baseerden op medische overwegingen, maar louter op algemene beschouwingen over de aard van de voertuigen.

Tot slot meent verweerder dat elk terugvorderingsrecht van eiseres afgewezen dient te worden bij gebrek aan het bewijs dat zij tijdig kennis gaf van haar voornemen tot regres overeenkomstig art. 88 Wet Landverzekeringsovereenkomst.

4.3. Oordeel van de rechtbank

4.3.1. Betreffende de tijdigheid van de vordering

Krachtens art. 88, § 3 Verzekeringswet verjaart de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van betaling door de verzekeraar, behalve in geval van bedrog. Als de verzekeraar verschillende bedragen achtereenvolgens heeft uitgekeerd, loopt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot terugbetaling van elk van die bedragen vanaf de dag van uitkering van dat bedrag (zie: Cass. 13 januari 1983, RW 1983-84, 2396; Cass. 29 mei 1986, RW 1986-87, 1026).

De betaling aan de benadeelde gebeurde in het kader van de RDR-overeenkomst waartoe de NV B.I. en de NV A.B. zijn toegetreden, op grond van art. 7 van deze overeenkomst in naam en voor rekening van de NV B.I. (vgl. P. Colle, “RDR en regres van de motorrijtuigenverzekeraar” (noot onder Cass. 11 mei 2000), RW 2000-01, 1382-1385; G. Jocqué, De verzekerde en de benadeelde in de aansprakelijkheidsverzekering, Antwerpen, Intersentia 2016, 456).

In het voormelde arrest van 11 mei 2000 oordeelde het Hof van Cassatie dat de verzekeraar, die zijn conventioneel regresrecht uitoefent, dient te bewijzen dat hij als verzekeraar de slachtoffers heeft vergoed in overeenstemming met zijn contractuele en wettelijke verplichtingen en dat het er ter zake niet toe doet of de slachtoffers vergoed werden door een rechtstreekse betaling door de verzekeraar van de dader, dan wel door een derde verzekeraar, die op grond van afspraken tussen verzekeraars voor rekening van de verzekeraar die regres uitoefent, heeft betaald. M.a.w. de betaling aan de slachtoffers door de eigen verzekeraar dient rechtstreeks toegerekend te worden aan de verzekeraar van de dader.

De “uitkering van dat bedrag” waarvan sprake in art. 88, § 3 Verzekeringswet is bijgevolg de betaling van de NV A.B. aan de benadeelde en niet de latere betaling door de NV B.B. aan de NV A.B. Het is die eerste betaling die gebeurde in uitvoering van de verzekeringspolis, niet de latere verrekening tussen de verzekeringsmaatschappijen in het kader van de RDR-overeenkomst (zie: Corr. Brussel 19 juni 1998, De Verz. 1998, 488). De aanvang van de verjaring is dus in principe de datum waarop de NV A.B. overging tot uitbetaling van de vergoeding aan het slachtoffer in naam en voor rekening van de NV B.I. Het precieze tijdstip van deze betaling wordt niet voorgelegd, maar was alleszins voorafgaand aan het verzoek tot compensatie van 16 oktober 2012.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het feit dat de aansprakelijkheid van verweerder pas op het ogenblik dat het vonnis van 10 juni 2013 van de politierechtbank in kracht van gewijsde ging, vaststond, hieraan geen afbreuk doet. Art. 88, derde lid Verzekeringswet stelt duidelijk de dag van betaling als aanvangspunt van de driejarige verjaringstermijn voorop. Het Hof van Cassatie heeft deze stelling in zijn arrest van 1 maart 2013 aangenomen: “Art. 34, § 3, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van betaling door de verzekeraar, behoudens bedrog. Deze bepaling doet de verjaring van de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde lopen vanaf de betaling, ook al staat op dat ogenblik nog niet vast dat de verzekeraar over een grond van verhaal tegen de verzekerde beschikt.” (Cass. 1 maart 2013, C. 12.0188 N, Arr.Cass. 2013, 545, conclusie procureur-generaal J.F. Leclercq). De rechtbank volgt dit standpunt.

De rechtbank stelt bijgevolg vast dat de betalingen, die dateren van vóór 16 oktober 2012, alleszins verjaard waren. Dit geldt aldus voor het bedrag van 1 251,17 euro dat in het kader van de RDR-regeling werd verrekend tussen de NV B.B. en de NV A.B., zodat de vordering van eiseres op dat punt onontvankelijk is.

4.3.2. Betreffende de tijdigheid van de kennisgeving

Art. 152, tweede lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen legt de verzekeraar, op straffe van verval van zijn regresrecht, de verplichting op om de verzekeringnemer en, in voorkomend geval, de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, kennis te geven van zijn voornemen om regresrecht in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit gegrond is. Met dat laatste wordt bedoeld dat de verzekeraar die kennisgeving moet doen zodra de feiten, die het regres wettigen, voor hem met voldoende zekerheid vaststaan. En ook dan moet de verzekeraar niet onmiddellijk reageren, maar wordt hem een zekere – korte en in redelijkheid te beoordelen – reflectietijd gegund om zich een oordeel te vormen over de zaak.

Het ongeval zelf dateert van 31 mei 2012 en op een eenzijdig ingevuld aanrijdingsformulier dat als ongevalsaangifte werd gebruikt, maar waarvan niet duidelijk is op welk ogenblik die aan eiseres werd bezorgd, werd op de achterzijde vermeld dat de alcoholtest volledig negatief was.

Pas op 20 juni 2012 werd door de makelaar van verweerder een document betreffende de alcoholtest van verweerder aan eiseres bezorgd, met als bijlage een uittreksel uit het strafdossier m.b.t. de alcoholprocedure. Pas op dat ogenblik was eiseres ervan op de hoogte dat haar verzekerde onder invloed van 1,07 mg alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht reed op het ogenblik van het ongeval en dat er tekenen van dronkenschap waren. Op 9 juli 2012 richtte eiseres haar aangetekende kennisgeving aan verweerder in de zin van art. 152, tweede lid Verzekeringswet Dit is dus ongeveer nadat eiseres zelf kennis had gekregen van de grond tot regres en de rechtbank meent dat dit schrijven bijgevolg tijdig is.

Verweerder betwist niet dat de kennisgeving inhoudelijk voldoet aan de voorwaarden waaraan een kennisgeving in de zin van art. 152, tweede lid Verzekeringswet moet voldoen en de rechtbank ziet inderdaad geen reden om aan te nemen dat deze kennisgeving daaraan niet zou voldoen.

De rechtbank stelt bijgevolg vast dat verweerster niet vervallen is van haar recht om regres uit te oefenen tegen verweerder.

4.3.3. Betreffende oorzakelijk verband van de letselschade

In het strafdossier staat vermeld dat de h. R. niet gewond was. Ook in zijn verklaring vermeldt de h. R. niet dat hij gewond raakte. Verweerder werd voor de politierechtbank te Sint-Niklaas niet vervolgd wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen en/of verwondingen aan de h. R. Thans vordert eiseres terugbetaling van haar uitgaven naar aanleiding van letsels die de h. R. bij het ongeval opgelopen zou hebben en verwijst ze daarvoor naar medische verslagen.

De rechtbank stelt vast dat de h. R. bestuurder van een trekker Man TGX was. Uit het strafdossier blijkt dat er op het ogenblik van de feiten geen oplegger gekoppeld was aan de trekker en dat de slag hevig was. “Plots voelde ik achteraan een hevige slag tegen de trekker.” (verklaring de h. R., p. 13 strafdossier).

Uit de medische verslagen blijkt dat de h. R. reeds op de dag van het ongeval zijn huisarts, dr. De R., raadpleegde. Er werd op 4 juni 2012 een radiografie van de wervelzuil genomen, waarop geen posttraumatisch botletsel kon worden waargenomen, maar op 18 juli 2012 werd er een CT-scan van de wervelzuil genomen, waarop een lichte degeneratieve versmalling van de facetgewrichten te zien was. De rechtbank meent dan ook dat de raadsgeneesheer van eiseres terecht geoordeeld heeft dat de rugklachten van de h. R. verband hielden met het ongeval, waarbij de rechtbank opmerkt dat eiseres er geen belang bij had om een letsel dat geen oorzakelijk verband met het ongeval vertoonde, te vergoeden.

Eiseres is inderdaad geen liefdadigheidsinstelling en had er zelf ook alle belang bij om de causaliteit van de rugklachten in vraag te stellen. Dat de h. R. in het verleden reeds een whiplashtrauma had opgelopen met 2% blijvende invaliditeit tot gevolg, neemt niet weg dat zijn rugklachten op 31 mei 2012 verband houden met het ongeval.

De rechtbank neemt bijgevolg aan dat de rugklachten van de h. R. en de daaraan verbonden uitbetalingen door eiseres verband houden met het ongeval van 31 mei 2012.

5. Bespreking van de gevorderde bedragen

Eiseres vordert een vergoeding van 10 441,53 euro, wat overeenkomt met het eerste plafond bepaald in art. 24 van de Modelovereenkomst. Gelet op het feit dat een deel van de vordering van eiseres verjaard is (zie supra) dient te worden nagegaan of de totaliteit van haar uitgaven nog steeds boven dit plafond van 10 441,53 euro uitkomt.

Uit het betalingsoverzicht blijkt dat eiseres volgende niet-verjaarde betalingen deed:

– op 24 januari 2013: provisie aan de h. R: 1 250,00 euro – op 26 juni 2013: betaling aan de arbeidsongevallenverzekeraar: 8 394,07 euro – op 8 januari 2014: betaling aan de h. R.: 1 585,00 euro – op 23 juli 2013: betaling aan Wegen en Verkeer: 163,98 euro Totaal: 11 393,05 euro
Buiten de algemene bemerking van verweerder dat de letselschade van de h. R. volgens hem niet in oorzakelijk verband staat met het ongeval, werden er door verweerder verder geen opmerkingen geformuleerd over de samenstelling van de door eiseres verrichte betalingen. Eiseres maakt aldus aanspraak op een bedrag van 10 441,53 euro, zoals gevorderd.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 07/03/2017 - 17:35
Laatst aangepast op: di, 07/03/2017 - 17:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.