-A +A

Kennisgeving van beroepsmogelijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
don, 26/05/2016
A.R.: 
234.606

Art. 84, § 1, eerste lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 “tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State” bepaalt dat “[a]lle processtukken [...] aan de Raad van State [worden] toegezonden bij ter post aangetekende brief”. Uit het verslag aan de Regent dat voorafgaat aan dit besluit, blijkt dat dit voorschrift ertoe strekt de processtukken een vaste of onbetwistbare datum te geven; het is dan ook de datum van de aantekening ter post die in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van de tijdigheid van de procedurestukken.

Art. 84 van het algemeen procedurereglement is van toepassing op alle procedures in het administratief kort geding.

In het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake het recht van toegang tot de rechter, inzonderheid het arrest inzake vzw L’Erablière van 24 februari 2009, dient de tekortkoming aan de eis van de aangetekende brief hier evenwel niet tot de verwerping van het beroep te leiden. De enveloppe van de brief van de verzoekende partij draagt als poststempel 29 oktober 2012 en de brief en de enveloppe bevatten een stempel van de griffie met vermelding van de datum van “31 okt. 2012”.

De verzoekende partij blijkt aldus te zijn tegemoetgekomen aan de doelstelling van de regelgever in de zin dat zij ruim binnen de opgelegde termijn van dertig dagen de vereiste handeling heeft gesteld om de rechtspleging voort te zetten.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
261
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

K.G. t/ Hogeschool Gent

Arrest nr. 234.606

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 21 maart 2013, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de algemeen directeur van de Hogeschool Gent van 20 september 2012 waarbij de aanstelling van K.G. als lector biologie wordt beëindigd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, ingaande op 1 oktober 2012.

...

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

A. Ratione temporis

Exceptie

...

Beoordeling

5.1. Het voorschrift om bij de kennisgeving van een griefhoudende beslissing aan de belanghebbende de beroepsmogelijkheden te vermelden omvat ook de verplichting om de verjaringstermijn mee te delen.

De verwerende partij mag dit betreuren, maar het door de wetgever aan de niet-naleving van dit voorschrift verbonden gevolg voor de ingang van de verjaringstermijn vervalt noch wanneer een verzoekende partij in de feiten maar al te goed kennis zou hebben van die termijn, noch wanneer zij geacht mag worden ze door “een kleine moeite” te kunnen achterhalen.

Dat de verjaringstermijn niet is meegedeeld, wordt door de verwerende partij niet ontkend. Verzoekster mag zich beroepen op art. 19, tweede lid RvS-Wet.

5.2. De exceptie faalt.

B. Belang

Exceptie

...

Beoordeling

7.1. De verwerende partij betracht een toepassing, bij analogie, van de rechtspraak van de Raad van State over het belang bij beroepen tegen benoemingen en bevorderingen. In zulke gevallen gaat de Raad ervan uit dat de noodzakelijke ruimte voor een kandidaat om benoemd of bevorderd te worden in een personeelsformatie bij de overheid in beginsel vereist dat de in voorkomend geval in de geambieerde betrekking benoemde of bevorderde tegenkandidaat plaats moet ruimen. Dit houdt in dat het voor een verzoekende partij in de regel niet volstaat om enkel de weigering om haar te benoemen of te bevorderen aan te vechten, maar dat ook die benoeming of bevordering zelf, expliciet of impliciet, binnen het bereik van de annulatiebevoegdheid van de Raad van State moet zijn gebracht.

De voorliggende zaak betreft evenwel een ontslag, van verzoekster. Indien het ontslag door een nietigverklaring uit het rechtsverkeer verdwijnt, moet verzoekster geacht worden nooit ontslagen te zijn geweest. Van een verzoekende partij die door een ontslag uit haar betrekking wordt verwijderd, wordt niet vereist dat zij elke latere invulling van die betrekking ook zou bestrijden om haar belang te handhaven.

7.2. De exceptie faalt.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/10/2016 - 12:01
Laatst aangepast op: za, 22/10/2016 - 12:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.