-A +A

Kennis buitenlands recht door de rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 07/12/2012
A.R.: 
C.12.0017.N

Artikel 1 van de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, opgemaakt te Londen op 7 juni 1968 en de artikelen 870, 876, 915, 916 en 962, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek sluiten niet uit dat de rechter zich omtrent het toe te passen vreemde recht voldoende ingelicht acht op grond van een opinie van een door een van de partijen geraadpleegde rechtsdeskundige en deze opinie aan tegenspraak werd onderworpen

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.12.0017.N
PARTNERS METAL nv, met zetel te 5020 Malonne (Namen), chemin de la Vielle Sambre 63,
eiseres,
tegen
MEDITERREAN SHIPPING COMPANY SA, vennootschap naar Zwitsers recht, met zetel te CH-1206 Genève (Zwitersland), Avenue Eugène Pittard 40, verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni 2011.
Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 23 oktober 2012 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.
Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel
1. Het arrest stelt vast dat:
- de verweerster in de dagvaarding haar vordering steunde op de contractuele bepalingen van het cognossement, alsmede de Zeewet en de gebruiken en ge-woonten van de internationale maritieme handel;
- zij haar aanspraken steunde en nog steeds steunt op de contractuele bepalingen die verscheper en vervoerder binden en neergelegd zijn in het cognossement;
- verscheper en vervoerder die de contractvoorwaarden hebben genegotieerd, hebben geopteerd voor de toepassing van het Engelse recht en die keuze volle-dig in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 3 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.

2. Anders dan waarvan het middel uitgaat, kon het arrest op grond van deze vaststellingen oordelen dat er geen afstand was van de rechtskeuze zoals bepaald in de cognossementsclausule nr. 2.
Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

3. Voor het overige verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is.
Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

4. Het arrest oordeelt dat:
- het feit een beroep te doen op een expert die zijn opinie bevestigt in een ‘sta-tement' gebruikelijk is in landen die de common law toepassen;
- het de eiseres vrijstond, bij twijfel omtrent de impartialiteit in verband met de ‘statement' van Mr. Davey, een eigen raadsman of common lawyer naar keuze onder de arm te nemen en de toepassing van artikel 5 van de Limitation Act te betwisten;
- niets van dit alles voorligt;
- "de opinie, verschaft door Mr. Davey, (...) op het eerste gezicht consistent [is]. Het [hof van beroep] maakt de opinie van mr. Davey tot de zijne en is van me-ning dat de vordering, ingesteld bij dagvaarding d.d. 15 november 1997, uit-gaande van de zeevervoerder tegen de verscheper niet verjaard is overeenkom-stig het toepasselijk Engels recht";
- het hof van beroep zich voldoende ingelicht acht.

5. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, blijkt hieruit niet dat de appel-rechter geen eigen onderzoek naar de toepasselijke vreemde wetsbepaling heeft uitgevoerd en de bewijslast van de ter zake toepasselijke vreemde wetsbepalingen aan eiseres heeft opgelegd.
Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

6. Het arrest oordeelt dat het zich voldoende voor- of ingelicht acht, dat het de opinie van mr. Davey tot de zijne maakt en besluit dat de vordering uitgaande van de zeevervoerder tegen de verscheper niet verjaard is overeenkomstig het toepas-selijk Engels recht.

7. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechter een deel van zijn rechtsmacht heeft overgedragen aan een derde, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

8. Voor het overige sluiten artikel 1 van de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, opgemaakt te Londen op 7 juni 1968 en de artikelen 870, 876, 915, 916 en 962, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek niet uit dat de rechter zich omtrent het toe te passen vreemde recht vol-doende ingelicht acht op grond van een opinie van een door een van de partijen geraadpleegde rechtsdeskundige en deze opinie aan tegenspraak werd onderwor-pen.
Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 952,81 euro en voor de verweerster op 180,59 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

Conclusie van procureur-generaal J.F. Leclercq:

1. Het arrest veroordeelt de eiseres tot betaling van 22.629,97 euro, met interesten en kosten, aan de verweerster uit hoofde van de onbeschikbaarheid van een container met een lading aluminiumafval, door de eiseres verkocht aan een Indische vennootschap en waarvan ze het vervoer, van Antwerpen naar Mundra (Indië), toevertrouwde aan de verweerster, die daarvoor een verhandelbaar cognossement opstelde. De bestemmeling weigerde de lading in ontvangst te nemen.

2. Het eerste cassatiemiddel voert een schending aan van het artikel 3.1 en 2 van het Verdrag, ondertekend te Rome op 19 juni 1980, inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987 en van het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht niet wordt vermoed en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.

3. Het middel bestrijdt de beslissing dat er geen sprake was van verzaking, door de verweerster, van de keuze van de partijen, zoals bepaald in de cognossementclausule nr. 2, voor het Engelse recht, krachtens hetwelk (art. 5 van de Limitation Act 1980) de vordering van de verweerster niet verjaard was, terwijl de eiseres had aangevoerd dat de verweerster had verzaakt aan deze rechtskeuze en dat die vordering, op grond van het, volgens de eiseres toepasselijk, Belgische recht (art. 269 van de Zeewet), wel verjaard was.

4. Zoals het middel zelf aangeeft wordt afstand van recht niet vermoed en kan hij alleen worden afgeleid uit feiten die niet voor een andere uitlegging vatbaar. Dit is de vaste rechtspraak van het Hof, zoals nog bevestigd in het arrest van 24 december 2009(1).

Welnu, het bestreden arrest wijkt niet af van deze regel. Het ontleedt de in het middel aangehaalde procedurestukken en doet daarbij ook de in het middel genoemde vaststellingen.

Hieruit kan evenwel niet het besluit van het middel afgeleid worden.

Anders dan waarvan het middel uitgaat volgt uit die ontleding immers niet dat de appelrechter die procedurestukken, op grond van die vaststellingen, niet anders uitlegt dan als een verzaking aan de rechtskeuze door de verweerster, dan wel dat hij een andere uitlegging niet uitsluit.
Het middel, dat berust op een onjuiste lezing van het arrest mist dus feitelijke grondslag.

5. In zijn eerste onderdeel verwijt het tweede cassatiemiddel het hof van beroep de bewijslast van de precieze inhoud van het toepasselijke Engelse recht aan de partijen, inzonderheid aan de eiseres, te hebben opgedragen en, in zijn tweede onderdeel, niet zelf de inhoud en de draagwijdte van het toepasselijke vreemde recht te hebben onderzocht en aldus zijn rechtsmacht uit handen te hebben gegeven.

Inzake de toepassing van voornoemde wet en de algemene verjaringstermijn beaamt het hof van beroep de opinie (‘witness statement'), door de verweerster gevraagd aan en bekomen van een Engelse raadsman, Mr. Davey, die aangeeft dat op de vordering uitgaand van de zeevervoerder tegen de verscheper in verband met stilligkosten (onbeschikbaarheid van een container), de algemene verjaringstermijn van 6 jaar van toepassing is.

Dit is verder gesteund op volgende motivering.
"Het feit beroep te doen op een ‘expert' die zijn opinie bevestigt in een ‘statement' is gebruikelijk in landen die de common law toepassen. Het stond (eiseres) vrij, bij twijfel omtrent de impartialiteit in verband met de ‘statement' van Mr. DAVEY, een eigen (Engels) raadsman of common lawyer van haar keuze onder de arm te nemen en de toepassing van art. 5 van de geciteerde Limitation Act te betwisten maar dan wel op aannemelijk legale grond.

Er ligt niets van dit alles voor en de opinie, verschaft door Mr. DAVEY, is op het eerste gezicht consistent. Het hof acht zich voldoende ingelicht. Het hof maakt de opinie van Mr. DAVEY tot de zijne en is van mening dat de vordering, ingesteld bij dagvaarding d.d. 15 november 2007, uitgaande van de zeevervoerder tegen de verscheper niet verjaard is overeenkomstig het toepasselijke Engelse recht."

6. Het middel lijkt me in zijn geheel niet ontvankelijk.
Het verwijt de appelrechters de toepasselijkheid van art. 5 van de Limitation Act 1980 niet zelf te hebben onderzocht, maar voert geen schending aan van deze bepaling, noch van een verwijzingsregel. Het middel lijkt me niet ontvankelijk, ingevolge de rechtspraak van het Hof, bevestigd bij arrest, in voltallige zitting, van 4 november 2010(2), die de aanduiding van de geschonden conflictregel vereist.

7. Minstens kunnen deze onderdelen niet slagen.
Het middel wordt als volgt toegelicht.

"Volgens de rechtspraak van Uw Hof staat het inderdaad, in de regel, aan de rechter, bij wie een op een bepaling van vreemd recht gegronde vordering aanhangig is, de inhoud, de betekenis en de draagwijdte van dat recht te bepalen, in voorkomend geval na daarover de nodige inlichtingen te hebben ingewonnen, met eerbiediging van het recht van verdediging (Cass. 7 oktober 2004, C.1999.289.F.).

Wanneer de partijen voor hem over de betekenis en de draagwijdte van die rechtsregel betwisting voeren, komt het hem derhalve toe om hiervan de betekenis en de draagwijdte te bepalen en mag hij die betwisting niet beslechten door de partij, die zich op die rechtsregel beroept of die de toepasselijkheid ervan in vraag stelt, het bewijs op te leggen van de betekenis en de draagwijdte ervan (Cass. 10 januari 2005, Arr.Cass. 2005, nr. 14).

Daarbij beschikt de rechter onder meer over een specifiek hulpmiddel, te weten de Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, opgemaakt te Londen op 7 juni 1968 en bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 november 1973. Bij die Overeenkomst namen de

Overeenkomstsluitende partijen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en het Koninkrijk België, de verplichting op zich om elkander overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst inlichtingen te verstrekken over hun recht op het gebied van het burgerlijk recht en het handelsrecht, alsook op het gebied van de rechtsvordering in burgerlijke zaken en in handelszaken en van hun rechterlijke organisatie (zie J. Erauw en H. Storme, Internationaal privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2009, 361, nr. 286)."

7.1 Het eerste onderdeel (dat de schending van de bewijsregels aanvoert) mist feitelijke grondslag.

Met de voormelde redenen geeft de appelrechter niet te kennen zelf de toepasselijkheid van art. 5 van de Limitation Act 1980 niet hebben onderzocht, noch legt hij daarvan de bewijslast aan de partijen op.

7.2 Het tweede onderdeel mist eveneens feitelijke grondslag in zoverre het de appelrechter een delegatie van rechtsmacht aan een derde (de Engelse raadsman) verwijt.

Het onderdeel kan verder niet aangenomen worden.

De als geschonden aangewezen artikelen 1 van de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, opgemaakt te Londen op 7 juni 1968, 870, 876, 915, 916 en 962 van het Gerechtelijk Wetboek sluiten niet uit dat de rechter, bij het onderzoek naar de toepasselijkheid van vreemd recht, zich voldoende ingelicht acht door de opinie van een door een partij aangestelde vreemde raadsman.

Bij deze internationale bepaling namen de Overeenkomstsluitende partijen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en het Koninkrijk België, inderdaad de verplichting op zich om elkander overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst inlichtingen te verstrekken over hun recht op het gebied van het burgerlijk recht en het handelsrecht, alsook op het gebied van de rechtsvordering in burgerlijke zaken en in handelszaken en van hun rechterlijke organisatie. Deze verplichting richt zich dus tot de Staten en niet tot de rechter. Deze kan derhalve oordelen dat hij zich voldoende voorgelicht acht op andere gronden (waaronder een gebruikelijk "‘witness statement" of een "certificat de coutume").

8. Conclusie: verwerping.
_________________
(1) AR C.09.0024.N, AC 2009, nr. 788; Cass. 10 februari 2005, AR C.03.0601.F, AC 2005, nr. 85 en Cass. 23 januari 2006, AR S.05.0088.N, AC 2006, nr. 49.
(2) AR C.07.0191.F, AC 2010, nr. 653, met concl. van advocaat-generaal met opdracht de Koster; RW 2011-12, 824, noot M. TRAEST, Over het vreemde recht en de cassatiecontrole daarop. Zie ook Cass. 14 februari 2005, AR S.03.0135.F, AC 2005, nr. 89, met (grotendeels andersluidende) conclusie van eerste advocaat-generaal Leclercq in Pas.; Cass. 18 april 2005, AR S.04.0018.F, AC. 2005, nr. 231 en de voetnoot 1; Cass. 20 april 2009, AR C.08.0465.N, AC 2009, nr. 259.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 26/05/2014 - 09:30
Laatst aangepast op: di, 03/06/2014 - 15:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.