-A +A

Kamer van inbeschuldigingstelling verzuim van bericht aan de raadsman van de inverdenkinggestelde - Gevolg - Recht van verdediging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 16/03/2005
A.R.: 
P050322F

In geval van hoger beroep tegen de beschikking die het bevel tot handhaving handhaaft, is het door de griffier aan de raadsman van de verdachte te geven bericht van dag, plaats en uur van de verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling niet voorgeschreven op straffe van nietigheid; het laattijdig karakter ervan kan slechts tot nietigheid leiden als daardoor het recht van verdediging wordt miskend (1); wanneer niet blijkt dat de verdachte en zijn advocaat, die zijn verschenen en hebben geconcludeerd, aan de appèlrechters hebben gevraagd om het strafdossier te mogen consulteren, noch dat zij daartoe om een verdaging van de zaak verzocht hebben binnen de termijn die daartoe is bepaald bij artikel 30, ,§ 3, tweede lid, Wet 20 juli 1990, wordt het recht van verdediging voor het appèlgerecht niet miskend (2).
(1) Zie Cass., 2 april 1996, AR P.96.0398.N, nr 110. (2) Zie Cass., 12 mei 1992, AR 6677, nr 470; 14 okt.1992, AR 260, nr 666 en 2 april 1996, AR P.96.0398.N, nr 110.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.05.0322.F.-
S. P.,

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Cassatiemiddelen
Eiser voert twee middelen aan in een memorie, waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

IV. Beslissing van het Hof

Over het eerste middel :

Eerste onderdeel :

Overwegende dat, naar luid van artikel 22, derde lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, het dossier gedurende twee dagen vóór de verschijning in de raadkamer ter beschikking wordt gehouden van de verdachte en van zijn raadsman ; dat dit artikel de griffier oplegt hen daarvan bericht te geven per faxpost of bij ter post aangetekende brief ;

Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de terechtzitting van de raadkamer van 17 februari 2005 door de vereiste berichten werd voorafgegaan, die op 14 februari 2005 per fax aan eiser en aan ieder van zijn advocaten werden toegezonden ;

Overwegende dat eiser aanvoert dat het faxbericht dat hem op voormelde datum werd toegezonden, door het personeel van de strafinrichting waar hij is opgesloten, slechts de dag daarop, op 15 februari 2005, is overhandigd ;

Overwegende dat deze bewering niet gestaafd wordt door de stukken van de rechtspleging ;

Overwegende dat de verzendingsdatum van de berichten bewijst dat de griffier het wettelijk vormvereiste heeft nageleefd ;

Dat de appèlrechters, bijgevolg, door de beroepen beschikking te bevestigen, de door eiser aangevoerde wettelijke bepalingen niet hebben geschonden ;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;

Tweede onderdeel :

Overwegende dat het bericht dat de griffier moet geven van dag en uur van verschijning voor de raadkamer geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste is ; dat het laattijdig karakter ervan alleen tot nietigverklaring van de rechtspleging kan leiden als daardoor het recht van verdediging werd miskend ;

Overwegende dat niet blijkt dat eiser en zijn advocaat, die zijn verschenen en hebben geconcludeerd, aan de appèlrechters hebben gevraagd om het strafdossier te mogen consulteren, noch dat zij daartoe een verdaging van de zaak hebben gevorderd binnen de termijn die daartoe is bepaald bij artikel 30, ,§ 3, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 ;

Dat het arrest vaststelt, zonder dat het op dat punt wordt tegengesproken, dat het recht van verdediging voor het appèlgerecht is hersteld ;

Dat dit onderdeel niet kan worden aangenomen ;

Over het tweede middel :

Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet niet van toepassing is op beslissingen van de onderzoeksgerechten die, zoals te dezen, over de voorlopige hechtenis uitspraak doen ;

Overwegende dat eiser, voor het overige, voor de appèlrechters een conclusie heeft neergelegd waarin hij aanvoert dat hij in vrijheid diende te worden gesteld op grond dat zijn recht van verdediging voor de raadkamer niet was geëerbiedigd, aangezien het gevangenispersoneel had getalmd hem het bericht van verschijning te overhandigen ;

Overwegende dat het arrest vermeldt dat "welke ook de voorwaarden zijn waarin (eiser) het dossier heeft kunnen bestuderen vooraleer voor de eerste rechter te verschijnen, er dient te worden vastgesteld dat zijn legitiem recht van verdediging in alle opzichten voor het hof (van beroep) is hersteld, aangezien in hoger beroep alle wettelijke vormvereisten regelmatig werden nageleefd" ;

Dat die vermelding de neergelegde conclusie beantwoordt ;

Dat het middel, in dat opzicht, feitelijke grondslag mist ;

En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;

OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel,  en in openbare terechtzitting van zestien maart tweeduizend en vijf uitgesproken 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 28/12/2017 - 11:04
Laatst aangepast op: do, 28/12/2017 - 11:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.