-A +A

Kabel op de weg tijdens kermisattractie voetganger struikelt gedeelde aansprakelijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
maa, 30/03/2009

Een niet afgedekte kabel die niet gesignaleerd is maakt een weg gebrekkig.

Tijdens een kermisattractie dient een voetganger waakzaam te zijn tijdens kermisattracties, waarbij hij moet verwachten dat er ovstakels op de weg kunnen liggen.

In toepassing van de equivalentieleer wordt de gedeelde aansprakelijkheid weerhouden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1051
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

W. t/ Gemeente De Haan

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van eiseres strekt ertoe verweerster te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 2.500 euro als provisie en de aanstelling van een geneesheer-deskundige, als schadevergoeding voor een verkeersongeval te De Haan op 29 juli 2006.

De vordering is gebaseerd op een fout van de aangestelden van verweerster in de zin van art. 1382-1384 BW, op de aansprakelijkheid van verweerster zelf conform de bepalingen van art. 1384, eerste lid BW (gebrek in de zaak) en op de bepalingen van art. 135, § 2 Nieuwe Gemeentewet.

Verweerster betwist de aansprakelijkheid van haar aangestelden en van haarzelf voor het ongeval en de eruit voortspruitende schade.

B. Beoordeling

1. Voornaamste feitelijke gegevens

Eiseres (hierin niet tegengesproken door verweerster) voert aan dat er in de nacht van 28 op 29 juli 2006 een wijkfeest met kermisattracties plaatshad te De Haan aan de Vosseslag en dat langsheen de Vosseslag ter hoogte van de woning nr. 138 op de openbare weg door de technische dienst van de gemeente De Haan een elektriciteitskabel was gelegd, die liep van het gemeenschapshuis naar een tent.

Volgens eiseres zou ze op 29 juli omstreeks 0.30 u over bedoelde elektriciteitskabel (een dikke zwarte kabel) zijn gevallen of gestruikeld en zich hebben verwond. De kleindochter van huidige eiseres en haar vriend of partner zouden getuigen geweest zijn van bedoeld ongeval.

De volgende ochtend zou eiseres veel lichamelijke klachten hebben vertoond en kon ze niet meer op haar been staan.

De politie te De Haan bevestigde bij brief van 7 augustus 2006 dat de dochter van eiseres de feiten louter had gemeld aan het commissariaat maar dat nopens bedoelde feiten geen proces-verbaal werd opgesteld, omdat er louter melding werd gemaakt van het incident en zulks werd geregistreerd.

...

2. Bespreking

De door eiseres aangevoerde rechtsgronden maken ieder op zichzelf een zelfstandige en toereikende aansprakelijkheidsgrond uit, zodat het volstaat dat aan de vereisten van één van de aangevoerde gronden is voldaan om tot de aansprakelijkheid van verweerster te besluiten.

In eerste instantie rijst naar het oordeel van de rechtbank de vraag naar een eventueel gebrek in de openbare weg in de zin van art. 1384, eerste lid BW.

Het wordt niet betwist dat de Vosseslag en de openbare weg met de kermisattracties behoren tot het openbaar domein van huidig verweerster, zodat verweerster te beschouwen is als bewaarster van de openbare weg en het plein in de zin van art. 1384, eerste lid BW.

Een zaak is gebrekkig als zij een abnormaal kenmerk vertoont, dat haar ongeschikt maakt voor het normaal gebruik volgens haar bestemming, en dat van aard is om in bepaalde omstandigheden aan derden schade te berokkenen.

Het is niet vereist dat het gebrek intrinsiek is aan de zaak of er een blijvend element van uitmaakt dat inherent is aan de zaak. Het volstaat dat de afwijkende gesteldheid een samenstellend deel uitmaakt van de zaak.

Als het slachtoffer bewijst dat de geleden schade het gevolg is van een gebrek in de zaak, kan de aangesprokene zich niet bevrijden van zijn vermoede aansprakelijkheid door aan te tonen dat hij geen fout heeft begaan. Het betreft immers een vermoeden iuris et de iure, dat enkel weerlegd kan worden als de bewaarder van de zaak het bewijs levert dat de schade niet te wijten is aan het gebrek in de zaak, maar veroorzaakt werd door een vreemde oorzaak, zijnde toeval, overmacht, daad van een derde of van het slachtoffer zelf.

De rechter moet nagaan of het kenmerk van de zaak, waarvan het slachtoffer beweert dat het een gebrek is dat hem schade berokkent, een abnormale dan wel een normale gesteldheid is van de zaak. In dit laatste geval kan er van een gebrek geen sprake zijn. Precies omdat het gebrek een afwijkend kenmerk of een afwijkende gesteldheid van de zaak moet zijn, heeft de aanwezigheid van het gebrek tot gevolg dat de zaak afwijkt van haar model.

De rechter die moet oordelen over de vraag of een zaak gebrekkig is, zal de kwestieuze zaak dan ook impliciet of expliciet vergelijken met haar model. Het gebrek bestaat dan precies uit het verschil tussen de kwestieuze zaak en haar model. Dat model mag evenwel niet volgens al te strikte criteria bepaald worden. Het model, het referentiepunt waarmee men de beweerd gebrekkige zaak dient te vergelijken, is dus geen perfecte zaak, aangezien de perfectie niet van deze wereld is. Het volstaat dat het model beantwoordt aan de eisen die men er redelijkerwijze mag van verwachten.

Het criterium dat de actuele rechtspraak hanteert om tot het bestaan van een gebrek te besluiten is de vraag of het wegdek (of plein enz.) nog beantwoordt aan zijn normale veilige structuur.

De oorsprong van het gebrek en de vraag of de overheid, die de gebrekkige zaak onder haar bewaring had, kennis had van het gebrek is irrelevant, omdat het Hof van Cassatie uitdrukkelijk besliste dat, opdat er aansprakelijkheid zou zijn op grond van art. 1384, eerste lid BW, het nodig is maar voldoende dat een zaak gebrekkig is en dat het gebrek een causaal verband heeft met het ongeval, terwijl het volkomen irrelevant voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de overheid is dat het gebrek al dan niet zichtbaar is of zichtbaar was voor de benadeelde, evenmin als de eventuele kennis die het slachtoffer had kunnen hebben van de toestand (zie o.a. Cass. 26 mei 1994, RW 1994-95, 745; Cass. 21 oktober 1993, RW 1995-96, 12).

Het hoeft geen betoog dat er op een openbare weg of een openbare plaats waar wijkfeesten aan de gang zijn met kermisattracties, talrijke voetgangers aanwezig zijn, die kriskras van de ene attractie naar de andere gaan of lopen. Uiteraard dienen al deze attracties voorzien te worden van de nodige nutsvoorzieningen, zodat het op zich niet abnormaal is dat de overheid op plaatsen waar wijkfeesten gehouden worden met kermisattracties nutsvoorzieningen aanlegt.

Wel dient de overheid ervoor te zorgen dat bedoelde leidingen en/of nutsvoorzieningen geen gevaar vormen voor de gebruikers van de openbare weg en de voetgangers die zich van de ene attractie naar de andere begeven. De overheid diende bijgevolg door gepaste maatregelen te nemen ieder abnormaal gevaar, ongeacht of het verborgen dan wel zichtbaar was, te voorkomen. Wanneer de overheid aan die verplichting tekortkomt, dan komt haar aansprakelijkheid in het gedrang en dient ze in te staan voor de schade, die daardoor wordt veroorzaakt, ook al was de getroffen weggebruiker van de plaatselijke toestand op de hoogte.

Over de ongevalsomstandigheden zelf kan er naar het oordeel van de rechtbank weinig twijfel bestaan dat eiseres inderdaad gestruikeld is over de kabel, ten val kwam en gewond werd. Het is niet omdat het slachtoffer niet onmiddellijk aangifte deed en de dochter van het slachtoffer pas ’s anderendaags bij de verbalisanten melding maakte van de feiten, dat de verklaring van eiseres ongeloofwaardig zou zijn, en zulks zoveel temeer daar de verklaring van eiseres bevestigd wordt door de kleindochter van eiseres en haar vriend.

Naar het oordeel van de rechtbank komt de veilige structuur van een openbare weg of een openbare plaats in het gedrang, wanneer de overheid op plaatsen, die gevolgd dienen te worden door voetgangers, kabels legt die niet zijn ingebed en afgedekt met een speciale bescherming en die al evenmin zijn gesignaleerd, wat trouwens door verweerster op zich niet wordt betwist.

Ook de omstandigheid dat zich in het verleden of op bedoelde datum geen andere ongevallen hebben voorgedaan, doet geen afbreuk aan het bovenstaande.

Uiteraard zullen jongere voetgangers veel minder last en hinder ondervinden van diverse obstakels bij wijkfeesten met kermisattracties dan ouderen, maar de openbare weg dient veilig en toegankelijk te zijn voor alle weggebruikers, inclusief oudere personen.

De rechtbank is bijgevolg van oordeel dat eiseres wel degelijk het slachtoffer is geworden van een gebrek dat voor haar een abnormaal gevaar vormde, zodat de aansprakelijkheid van huidig verweerster overeenkomstig de bepalingen van art. 1384, eerste lid BW vaststaat.

Van de andere kant moet de rechtbank vaststellen dat ook voor een kwalitatieve aansprakelijkheid zoals die van art. 1384, eerste lid BW, de equivalentieleer van toepassing is.

Het gebrek in de zaak belet niet dat ook de benadeelde (huidige eiseres) een eigen fout kan hebben begaan die leidt tot een gedeelde aansprakelijkheid (niet tot opheffing van de aansprakelijkheid van verweerster).

Aldus dient een voetganger te kijken, waar hij of zij zijn voeten zet (zie o.a. M. Van Quickenborne, “Le vice d’une chose complexe, sa caractéristique intrinsèque et anormale” (noot onder Cass. 20 febuari 1987), RCJB 1990, p. 74, nr. 20) en dient hij steeds waakzaam te zijn wanneer hij de openbare weg, een voetpad of een plein volgt (zie o.a. Brussel 5 december 1996, Verkeersrecht 1997, 70). Zulks geldt des te meer op openbare wegen of openbare plaatsen waar er wijkfeesten met kermisattracties aan de gang zijn en waar elke voetganger zich kan en dient te verwachten aan grotere en kleinere obstakels en hij of zij zich bijgevolg met meer dan bijzondere aandacht op de openbare weg dient te begeven.

Uit de eigen verklaring van de kleindochter en de vriend van eiseres blijkt dat eiseres gestruikeld is over een grote dikke zwarte kabel, die uiteraard zichtbaar was en die eiseres mits de nodige aandacht en voorzichtigheid in acht te nemen ook had kunnen en dienen te zien en op veilige wijze had kunnen oversteken. De omstandigheid dat het op bedoelde plaats druk zou geweest zijn, wat niet uit de voorgelegde stukken valt af te leiden, maar wat eventueel mogelijk is, doet hieraan op zich geen afbreuk. Alleen reeds de omstandigheid van de wijkfeesten met diverse kermisattracties had eiseres dienen aan te zetten tot meer dan gewone voorzichtigheid, wat ze nagelaten heeft te doen.

Zonder de onvoorzichtigheid van eiseres zouden het ongeval en de schade zich bijgevolg evenmin, minstens niet in die mate hebben voorgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat de onvoorzichtigheid van eiseres voor de helft heeft bijgedragen tot het ontstaan en de omvang van de geleden schade, zodat ze slechts aanspraak kan maken op de helft van de haar toekomende vergoeding.

 

Noot: 


Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 28/01/2012 - 16:49
Laatst aangepast op: za, 28/01/2012 - 16:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.