-A +A

Justitie is bron van recht en niet van fortuin

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
zon, 22/01/2017

Zelden mag van de Belgische rechtspraak een uitspraak verwacht worden met vermogensvernietigende, fundamenteel verrijkende of vermogensverschuivende uitwerking.

Fantastische bedragen hebben een zeer beperkte haalbaarheid voor de rechtbank en kunnen zelfs resulteren in een volledige afwijzing van de vordering, dan wel tot een herleiding van de vordering tot een bedrag kleiner dan een fractie van de vordering.

Justitia draagt een bescheiden kleed en wordt niet getooid met hybris of gulzigheid.
De verleiding is groot om te stellen dat de rechtbank zich niet wil profileren als een bank waardoor middels van recht en kans een groot fortuin kan worden vergaard.

De rechtbank is een tempel van recht en geen goktempel.

Te dezen:

De executierechter kan niet ingrijpen in de omvang van de dwangsom om billijkheidsredenen, (K. BROECKX, "Dwangsommen voor de beslagrechter" in P. T AELMAN (ed.), PUC Willy Delva XLI - Efficient procederen voor een goede rechtsbedeling, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, (673) 699, nr. 64).

Dit neemt niet weg dat zelden tot het onredelijke wordt veroordeeld, weze het dat hiertoe het recht soms creatief wordt bedreven.

Te dezen werd een veroordeling opgelegd tot verwijdering van een filmpje op YouTube onder verbeurte van een dwangsom van € 5000 per uur vertraging waarop een filmpje van YouTube niet was weggehaald. Het filmpje werd verwijderd en er werd nadien een nieuw filmpje geplaatst met ongeveer dezelfde inhoud.

De dwangsom werd betekend voor een bedrag van € 12.181.014,52, zijnde het bedrag per uur berekend. Hiertegen werd verzet aangetekend bij de beslagrechter. De beslagrechter oordeelde dat het bevel tot betalen slechts regelmatig en rechtmatig betekend was voor een bedrag van € 10.000. Hiertegen werd beroep aangetekend.

In hoger beroep werd aangehaald bij wijze van verweer tegen de dwangsom, dat de dwangsom enkel kon gelden voor het oorspronkelijke geweerde filmpje en niet voor elk toekomstig nieuw filmpje. Het verweer ging ervan uit dat de rechter geen preventieve censuur kan opleggen die tegen de grondwet zou indruisen.

De rechter in graad van beroep stelde dat dit standpunt niet correct en niet ernstig was. Een dwangsom zou anders geen enkel nut hebben wanneer een lasterlijk filmpje zou kunnen weggehaald worden om nadien er onmiddellijk een ander lasterlijk filmpje op te plaatsen.

Evenmin weerhield de rechter in graad van beroep het verweer dat de dwangsom geen uitwerking meer kon hebben gelet op een tussengekomen vonnis door de bodemrechter. Dit verweer werd afgewezen omdat de bodemrechter geen enkele uitspraak had gedaan over de beslissing genomen in kort geding die de dwangsom had opgelegd.

Nadat de rechter in graad van beroep het lasterlijk karakter van het filmpje weerhield, stelde de rechter in beroep vast dat er slechts twee vaststellingen gebeurd werden gedaan door de gerechtsdeurwaarder, namelijk een vaststelling op 16 maart 2015 en een vaststelling op 25 maart 2015, waaruit bleek dat de filmpjes op die datum zichtbaar waren op het internet.

De rechter stelde dat het bewijs niet geleverd werd dat het filmpje alle uren waarvoor de dwangsom werd verbeurdverklaard wel degelijk online stonden. Er werden immers tussen de twee vaststellingen geen tussentijdse vaststellingen gedaan.

De beroepsrechter bevestigt dat er van een schuldeiser niet verwacht kan worden dat deze elk uur de overtreding laat vaststellen, maar voegt hieraan toe dat twee vaststellingen gedurende drie maanden zonder tussentijds contact onvoldoende zijn om aan te nemen dat het filmpje drie maanden onafgebroken te zien was.

Derhalve werd de dwangsom slechts verbeurd tot een bedrag van € 10.000.

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
N JW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
392
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

P.E. appellant,

[ ... ]

tegen

Clics NV,[ ... ] Brasscom NV,[ ... ] V.R.H.,[ ... ] geïntimeerden

[ ... ]

Geïntimeerden hebben appellant gedagvaard in kort geding en bij beschikking bij verstek van 23 oktober 2007 werd appellant veroordeeld om 'het beeldfragment CLIC CLAC of enig ander lasterlijk filmpje dat de commerciële belangen van de eisende partijen kan schaden van de website www.youtube.com of op elke andere website te verwijderen of minstens weg te halen, en dit binnen het uur na betekening van huidige beschikking onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per uur vertraging'. Deze beschikking werd bevestigd op 13 november 2007 na verzet en bij arrest van 29 oktober 2008.

Het filmpje CLIC CLAC werd door appellant verwijderd.

Intussen werd een procedure ten gronde gevoerd, die evenwel niet over de filmpjes handelde.

3. Geïntimeerden lieten op 16 maart 2015 door een gerechtsdeurwaarder vaststellen dat appellant opnieuw een lasterlijk filmpje op het YouTube kanaal had geplaatst. Op 19 maart 2015 lieten zij de beschikkingen en het arrest waarbij de dwangsom werd opgelegd, opnieuw aan appellant betekenen.

Op 2 juli 2015 lieten zij de gerechtsdeurwaarder opnieuw vaststellingen doen en lieten zij een bevel tot betalen betekenen waarbij 12.481.014,52 euro dwangsommen werden ingevorderd.

4. Appellant tekende op 9 oktober 2015 verzet aan tegen het bevel tot betaling van de verbeurde dwangsommen. Appellant vroeg het bevel nietig te verklaren, ondergeschikt dat het gevorderde bedrag zou verminderd worden. Hij vroeg geïntimeerden te veroordelen tot een schadevergoeding van 500 euro en de gerechtskosten.

5. De beslagrechter heeft bij de thans bestreden beschikking van 22 maart 2016 de vordering van appellant toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond verklaard: de dwangsommen zijn verbeurd en het bevel tot betalen van 2 juli 2015 werd regelmatig en rechtmatig betekend voor een bedrag van 10.000 euro.

6. Appellant legde op 4 juli 2016 een verzoekschrift tot hoger beroep neer en vraagt

de bestreden beschikking teniet te doen en het bevel tot betaling van de dwangsommen nietig te verklaren zodat geïntimeerden dienen te worden veroordeeld tot stopzetting van iedere verdere uitvoering

de bestreden beschikking te hervormen door te zeggen naar recht dat het bevel tot betaling in dwangsommen niet gerechtvaardigd was nu de dwangsommen niet verbeurd zijn en dit bevel nietig te verklaren zodat geïntimeerden dienen te worden veroordeeld tot stopzetting van iedere verdere uitvoering

ondergeschikt, het gevorderde bedrag in het bevel tot betaling in dwangsommen van 02.07.2015 ernstig te herleiden, bij gebrek aan meerdere vaststellingen, dan wel foutieve berekening van geïntimeerden solidair en in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op 500 euro en tot de gerechtskosten.

7. Geïntimeerden vragen het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en zij stellen zelf incidenteel beroep in en vragen te zeggen voor recht dat dwangsommen verbeurd zijn en dat het bevel tot betalen regelmatig en rechtmatig betekend werd voor een bedrag van 12.481.014,52 euro en appellant te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten.

8. Er wordt geen exploot van betekening van de bestreden beschikking van 22 maart 2016 neergelegd. Het verzoekschrift tot hoger beroep werd neergelegd op 4 juli 2016. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is toelaatbaar. De toelaatbaarheid ervan wordt overigens niet betwist.

Ook het incidenteel beroep is toelaatbaar.

9. Het hof is van oordeel dat de eerste rechter terecht in een goed gemotiveerde beschikking, aan de hand van de concrete omstandigheden en de stukken, heeft geoordeeld dat de dwangsommen verbeurd zijn, maar slechts voor twee inbreuken, d.i. voor een bedrag van 10.000 euro. Het hof sluit zich hierbij aan.

In antwoord op de door partijen in hoger beroep uiteengezette grieven, voegt het hof daar nog het volgende aan toe

ll. De beslagrechter is bevoegd om te oordelen over alle executievragen naar aanleiding van de veroordeling onder verbeurte van een dwangsom. Als maatstaf van de ter uitvoering van de dwangsombeschikking verrichte handelingen, moet hij het doel en de strekking van de veroordeling als richtsnoer nemen.

Volgens appellant geldt de kortgedingbeschikking van 23 oktober 2007 niet voor nieuwe en andere filmpjes en is zij gelet op de eerdere verwijdering van dit oude filmpje niet meer van kracht. Dat de kortgedingbeschikking ook zou gelden voor zijn nieuw filmpje, zou een interpretatie strijdig met de grondwet zijn.

Geïntimeerden wijzen erop dat de kortgedingbeschikking appellant veroordeelde 'om het beeldfragment CLIC CLAC of enig ander lasterlijk filmpje dat de commerciële belangen van eisende partijen kan schaden' weg te halen op straffe van een dwangsom van 5.000 euro per uur vertraging.

Geïntimeerden wijzen erop dat appellante in 2015, naast een tweede filmpje over de maxi CLICS, ook het oude filmpje opnieuw op YouTube heeft gezet (aan elkaar gemonteerd).

Ongeacht of appellant het oude filmpje opnieuw op YouTube heeft gezet, dan wel een nieuw filmpje met dezelfde inhoud, staat uit de gerechtsdeurwaardersvaststelling vast dat appellant opnieuw een lasterlijk filmpje op YouTube heeft gezet dat de commerciële belangen van geïntimeerden kan schaden.

Appellant heeft dus opnieuw een inbreuk begaan op de hem in de kortgedingbeschikking van 23 oktober 2007, op straffe van een dwangsom, opgelegde verplichting.

In tegenstelling tot wat appellant voorhoudt, vormt de kortgedingbeschikking in deze interpretatie geen verboden preventieve maatregel die tegen de Grondwet indruist. De kortgedingrechter heeft immers een maatregel uitgevaardigd nadat appellant een lasterlijk filmpje op YouTube had geplaatst.

Volgens appellant dien(d)en geïntimeerden bij elke nieuwe publicatie een nieuwe procedure op te starten voor de rechter in kortgeding, dan wel ten gronde.

Dit standpunt van appellant is niet correct, noch ernstig: volgens deze interpretatie zou appellant nadat hij het filmpje in 2007 had weggehaald onmiddellijk een ander lasterlijk filmpje op YouTube kunnen zetten, zodat de kortgedingbeschikking en de dwangsom geen enkel nut zouden hebben.

12. De eerste rechter heeft reeds zeer terecht geoordeeld dat de bodemrechter geen beslissing genomen heeft waardoor de kortgedingbeschikking zou ophouden uitwerking te hebben. Noch de rechtbank van eerste aanleg, noch het hof van beroep te Antwerpen hebben bij hun beoordeling over de grond van de zaak geoordeeld over de filmpjes en de dwangsom.

De bodemrechter heeft geenszins een andersluidende beslissing omtrent de betwiste rechten genomen waardoor de beschikking in kort geding van rechtswege zou ophouden uitwerking te hebben. De kortgedingbeschikking is nog steeds van kracht en werd in 2015 opnieuw betekend aan appellant.

13. De eerste rechter heeft ook zeer terecht geoordeeld dat de opgelegde maatregel m.b.t. de dwangsom voldoende precies is en geenszins uitblinkt in vaagheid, zoals appellant voorhoudt.

De kortgedingrechter heeft op duidelijke wijze omschreven welk filmpjes moesten worden verwijderd 'het beeldfragment Clic Clac of enig ander lasterlijk filmpje dat de commerciële belangen van eisende partijen kan schaden' zodat er geen redelijke twijfel kan ontstaan over de draagwijdte van het bevel.

Het is duidelijk dat het verbod opgelegd door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen zetelend in kortgeding bij beschikking van 23 oktober 2007 beoogde te voorkomen dat appellant nog lasterlijke filmpjes die de commerciële belangen van geïntimeerden konden schaden, via het internet zou verspreiden.

Appellant is dan ook dwangsommen verschuldigd omdat hij een inbreuk beging op dit door de kortgedingrechter opgelegde verbod. Het opnieuw op het internet plaatsen van het oude filmpje of van een nieuw filmpje met dezelfde inhoud kadert in het door de kortgedingrechter/ dwangsomrechter opgelegde verbod.

Hiermee konden opnieuw de commerciële belangen van geïntimeerden worden geschaad. Het was precies dit wat appellant in 2007 gedaan had door een filmpje op YouTube te plaatsen, en wat de kortgedingrechter ook voor de toekomst wilde verbieden, op straffe van een dwangsom.

Dit hof van beroep heeft reeds in zijn arrest van 29 oktober 2008 geoordeeld: 'De bedoeling van de kort gedingvordering was elke lasterlijke ruchtbaarmaking door appellanten blijvend te doen ophouden, dus appellanten ook de zin te ontnemen in de toekomst nog dergelijke of gelijkaardige handelingen te stellen'. Deze vordering werd gegrond verklaard.

De kortgedingbeschikking geldt dus ook voor andere filmpjes dan het filmpje Clic Clac.

14. Dat het filmpje lasterlijk is en de commerciële belangen van geïntimeerden kan schaden, kan evenmin betwist worden.

Dit hof van beroep heeft reeds in zijn arrest van 14 maart 2011 geoordeeld dat het filmpje Clic Clac, dat nu opnieuw op YouTube werd gezet (of een ander filmpje met dezelfde inhoud) niets te doen heeft met vrije meningsuiting maar er uitsluitend op gericht is om uit rancune Clics in diskrediet te brengen, en een fout in hoofde van appellant uitmaakt.

Dit hof heeft in hetzelfde arrest reeds geoordeeld dat uit niets blijkt dat het op de markt gebrachte speelgoedelement niet stevig of onveilig zou zijn, zoals appellant in zijn filmpjes nochtans tracht voor te houden, en dat het voldoet aan de CE productnormen o.m. inzake veiligheid.

In tegenstelling tot wat appellant voorhoudt, blijkt uit de twee vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder dat het filmpje 'Clics Gate goes MAXI' niet enkel over de Maxi-Clics gaat (vooral volgens appellant), maar ook over de gekende speelgoedblokjes die in de speelgoedwinkels te koop zijn en die het voorwerp uitmaakten van het filmpje Clic Clac.

De gerechtsdeurwaarder ziet, na het stuk over de Maxi-Clics, in het stuk over de gekende speelblokjes Clics dat een man vijf verschillende blokjes doormidden breekt, waarmee appellant wil aantonen, minstens wil insinueren dat het speelgoed gevaarlijk is, in 2015, net zoals hij reeds deed in 2007.

Het lasterlijk karakter van het filmpje is dus bewezen.

15. De eerste vaststelling door een gerechtsdeurwaarder op verzoek van geïntimeerden gebeurde op 16 maart 2015. De volgende vaststelling door een gerechtsdeurwaarder dateert van 25 juni 2015. Geïntimeerden vorderen nu dwangsommen voor alle uren die in deze drie maanden tussen deze twee vaststellingen zijn verlopen.

Zoals door appellant aangehaald, leveren geïntimeerden niet het bewijs dat het filmpje zich alle uren online bevond.

Tussen de eerste vaststelling en de tweede op 25 juni werden geen vaststellingen gedaan. Op de e-mail die appellant schreef

op 20 maart 2015, naar aanleiding van de betekening van de dwangsombeschikkingen en het arrest, werd blijkbaar niet geantwoord. Er werd zelfs niet gemeld dat geïntimeerden bij hun standpunt bleven en de dwangsommen liepen.

Zoals reeds door de eerste rechter werd aangehaald, kan van de schuldeiser niet verwacht worden dat hij elk uur de overtreding laat vaststellen door een gerechtsdeurwaarder maar twee vaststellingen gedurende drie maanden, zonder tussentijds contact met appellant, zijn onvoldoende om aan te nemen dat het filmpje drie maanden onafgebroken te zien was.

Het is precies de bedoeling van dergelijke hoge dwangsom van 5.000 euro per uur vertraging dat appellant gedwongen wordt om onmiddellijk het filmpje te verwijderen om belangrijke commerciële schade voor geïntimeerden te voorkomen.

De bewijslast van de inbreuken ligt bij geïntimeerden. Door slechts twee vaststellingen te laten doen, met een tussenperiode van drie maanden, zijn geen inbreuken gedurende elk uur van deze drie maanden bewezen, maar slechts twee inbreuken, m.n. op het ogenblik van de vaststellingen.

De dwangsommen zijn dus verbeurd, maar slechts voor twee bewezen inbreuken.

Het incidenteel beroep van geïntimeerden wordt dus ook afgewezen.

[ ... ]

BESLISSING

[ ... ]

Het hoger beroep van E.P. en het incidenteel hoger beroep van Clics nv, Brasscom nv en van H.V.R. is toelaatbaar maar ongegrond.

[ ... ]

 

Noot: 

Noot: Tijl De Jaeger, dwangsom per tijdseenheid: executieperikelen, nieuw juridisch weekblad 2018, pagina 394

Commentaar: De temperende werking van de rechter

Zelden mag van de Belgische rechtspraak een uitspraak verwacht worden met vermogensvernietigende, fundamenteel verrijkende of vermogensverschuivende uitwerking.

Fantastische bedragen hebben een zeer beperkte haalbaarheid voor de rechtbank en kunnen zelfs resulteren in een volledige afwijzing van de vordering, dan wel tot een herleiding van de vordering tot een bedrag kleiner dan een fractie van de vordering.

Justitia draagt een bescheiden kleed en wordt niet getooid met hybris of gulzigheid.
De verleiding is groot om te stellen dat de rechtbank zich niet wil profileren als een bank waardoor middels van recht en kans een groot fortuin kan worden vergaard.
De rechtbank is een tempel van recht en geen goktempel.

Dwangsommen zijn gevaarlijke instrumenten die tot gigantische onrealistische hoogte kunnen uitgroeinen.

De executierechter, lees de beslagrechter is bevoegd te oordelen of de voorwaarden waaronder de dwangsom verschuldigd is, al dan niet vervuld zijn.

De maatstaf van de beslarechter bij de toetsing van de ter uitvoering van de veroordeling verrichte handelingen wordt gevormd door het doel en de strekking van de veroordeling met dien verstande dat de veroordeling geacht wordt niet verder te strekken dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (Cass. 8 oktober 2015, Arr.Cass. 2015, 2297; Cass. 5 mei 2011, Arr. Cass. 2011, 1143, RABG 2011, 1226- 1237 met noot R. VERBEKE; Cass. 9 februari 2007, Arr.Cass. 2007, 331, RW 2009-10, 927; vgl. Cass. 22 februari 2007, Arr.Cass. 2007, 442, RW 2009-10, 427).

De redelijkheid en billijkheid vormen hierbij de interpretatiefactoren (tools) van de beslagrechter in zijn opdracht de vraag te beantwoorden of de dwangsom al dan niet is verbeurd.

Tot het onredelijke wordt niet veroordeeld. Wanneer verschillende interpretaties denkbaar zijn, zal niet gauw gekozen worden voor een interpretatie die in de concrete situatie tot een absurd, zinloos of onmogelijk resultaat voert (K. BROECKX, "Dwangsommen voor de beslagrechter" in P. TAELMAN (ed.), PUC Willy Delva XLI - Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, (673) 700, nr. 66 .

Toch kan de vraag gesteld welke uitspraak er zou geveld zijn indien de schuldeiser van de dwangsom dagelijkse of wekelijkse vaststellingen had laten doen, dan wel een ICT onderneming had laten registreren hoe lang, in welke periode, van uur tot uur en van seconde tot seconde het filmpje consulteerbaar was. Het vergt geen technisch hoogstandje om dit te laten uitvoeren waarbij de correctheid en de waarachtigheid van deze bevindingen door een gerechtsdeurwaarder had laten registreren.

De executierechter kan immers niet ingrijpen in de omvang van de dwangsom om billijkheidsredenen, (K. BROECKX, "Dwangsommen voor de beslagrechter" in P. T AELMAN (ed.), PUC Willy Delva XLI - Efficient procederen voor een goede rechtsbedeling, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, (673) 699, nr. 64).

Het is de taak van de dwangsomrechter wantoestanden te vermijden door overeenkomstig door zeer precies de daden onder verbeurte te omschrijven evenals de wijze van vaststelling van inbreuken en om te voorien in een maximumbedrag (al is dit geen wettelijke veresite). De dwangsomrechter is daarin vrij gezien hij onaantastbaar de modaliteiten bepaalt van de gevorderde dwangsom (Cass. 26 april 2012, Arr.Cass. 2012, 1080).

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 16/05/2018 - 17:06
Laatst aangepast op: wo, 16/05/2018 - 17:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.