-A +A

IPR Recht toepasselijk op het huwelijksvermogen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 09/09/2016
A.R.: 
C.15.0359.N

Uit het hier nog toepasselijk artikel 3, derde lid Burgerlijk Wetboek volgt dat de Belgische wetten betreffende de staat en de bekwaamheid van de personen toepasselijk zijn op de Belgen, ook wanneer zij in het buitenland verblijven, en dat de vreemdelingen in België, wat de staat en de bekwaamheid van de personen betreft, in beginsel aan hun nationale wet zijn onderworpen.

2. Het wettelijk huwelijksvermogensstelsel waaraan de zonder contract gehuwde echtgenoten onderworpen zijn, is zo nauw met de instelling van het huwelijk verbonden dat dit stelsel geacht moet worden de staat van de personen te betreffen.

Wanneer de echtgenoten bij de voltrekking van het huwelijk dezelfde nationaliteit hebben, is dit stelsel onderworpen aan de wet van de gemeenschappelijke nationaliteit.

Zo de echtgenoten bij de voltrekking van hun huwelijk een verschillende nationaliteit hebben, wordt het stelsel geregeld door de wet van de eerste echtelijke verblijfplaats.

3. Overeenkomstig artikel 1 van het Verdrag van Den Haag van 12 april 1930 nopens zekere vragen betreffende de wetsconflicten inzake nationaliteit, goedgekeurd bij wet van 20 januari 1939, hierna Haags nationaliteitsverdrag genoemd, behoort het tot de bevoegdheid van iedere staat in zijn wetgeving te bepalen wie zijn onderdanen zijn. Deze wetgeving moet door de andere staten worden erkend, voor zover zij in overeenstemming is met de internationale verdragen, de internationale gewoonte en de algemeen erkende rechtsbeginselen ter zake van nationaliteit.

Krachtens artikel 2 Haags nationaliteitsverdrag moet iedere vraag of een persoon de nationaliteit van een staat bezit, worden beantwoord overeenkomstig de wetgeving van deze staat.

Artikel 5 Haags nationaliteitsverdrag bepaalt dat een persoon die twee of meer nationaliteiten bezit, in een derde staat zal moeten worden behandeld alsof hij er slechts één had. Onverminderd de rechtsregelen die in de derde staat ter zake van het personeel statuut worden toegepast en onder voorbehoud van de geldende verdragen, zal deze staat op zijn grondgebied van de nationaliteiten, die een zodanige persoon bezit, uitsluitend erkennen hetzij de nationaliteit van het land waarin de persoon zijn gewone en voornaamste verblijfplaats heeft, hetzij de nationaliteit van het land waaraan deze persoon in de gegeven omstandigheden feitelijk het nauwst verbonden schijnt te zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/17-18
Pagina: 
1347
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(P.K. / E.F. - Rolnr.: C.15.0359.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 september 2014.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddel
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
1. Uit het hier nog toepasselijk artikel 3, derde lid Burgerlijk Wetboek volgt dat de Belgische wetten betreffende de staat en de bekwaamheid van de personen toepasselijk zijn op de Belgen, ook wanneer zij in het buitenland verblijven, en dat de vreemdelingen in België, wat de staat en de bekwaamheid van de personen betreft, in beginsel aan hun nationale wet zijn onderworpen.

2. Het wettelijk huwelijksvermogensstelsel waaraan de zonder contract gehuwde echtgenoten onderworpen zijn, is zo nauw met de instelling van het huwelijk verbonden dat dit stelsel geacht moet worden de staat van de personen te betreffen.

Wanneer de echtgenoten bij de voltrekking van het huwelijk dezelfde nationaliteit hebben, is dit stelsel onderworpen aan de wet van de gemeenschappelijke nationaliteit.

Zo de echtgenoten bij de voltrekking van hun huwelijk een verschillende nationaliteit hebben, wordt het stelsel geregeld door de wet van de eerste echtelijke verblijfplaats.

3. Overeenkomstig artikel 1 van het Verdrag van Den Haag van 12 april 1930 nopens zekere vragen betreffende de wetsconflicten inzake nationaliteit, goedgekeurd bij wet van 20 januari 1939, hierna Haags nationaliteitsverdrag genoemd, behoort het tot de bevoegdheid van iedere staat in zijn wetgeving te bepalen wie zijn onderdanen zijn. Deze wetgeving moet door de andere staten worden erkend, voor zover zij in overeenstemming is met de internationale verdragen, de internationale gewoonte en de algemeen erkende rechtsbeginselen ter zake van nationaliteit.

Krachtens artikel 2 Haags nationaliteitsverdrag moet iedere vraag of een persoon de nationaliteit van een staat bezit, worden beantwoord overeenkomstig de wetgeving van deze staat.

Artikel 5 Haags nationaliteitsverdrag bepaalt dat een persoon die twee of meer nationaliteiten bezit, in een derde staat zal moeten worden behandeld alsof hij er slechts één had. Onverminderd de rechtsregelen die in de derde staat ter zake van het personeel statuut worden toegepast en onder voorbehoud van de geldende verdragen, zal deze staat op zijn grondgebied van de nationaliteiten, die een zodanige persoon bezit, uitsluitend erkennen hetzij de nationaliteit van het land waarin de persoon zijn gewone en voornaamste verblijfplaats heeft, hetzij de nationaliteit van het land waaraan deze persoon in de gegeven omstandigheden feitelijk het nauwst verbonden schijnt te zijn.

4. Het arrest stelt vast dat de eiser bij de voltrekking van het huwelijk op 7 juni 1997 de Griekse nationaliteit had en de eerste echtelijke verblijfplaats van de partijen in België was.

Aangaande de nationaliteit van de verweerster stelt het arrest vast dat:

de verweerster in 1968 in Griekenland is geboren uit twee Grieken en aldus bij haar geboorte de Griekse nationaliteit had;
het gezin in 1970 naar Nederland verhuisde en zich aldaar vestigde;
nadat het gezin meer dan 10 jaar zijn hoofdverblijfplaats in Nederland had, verweersters ouders in 1980 vroegen om tot Nederlander te worden genaturaliseerd en daarbij nadrukkelijk afstand deden van de Griekse nationaliteit;
de verweerster volgens de toenmalige Nederlandse nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit verkreeg door de wet van 2 juli 1981 waarmee haar vader tot Nederlander werd genaturaliseerd.
5. Artikel 14 van het decreet nr. 3370 van 22-23 september 1955 houdende de Griekse nationaliteitswet bepaalt, in zijn lid 1, (a), dat de Griekse nationaliteit na daartoe verleende machtiging wordt verloren door degene die vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen en, in zijn lid 3, dat de in lid 1 bedoelde machtiging tot stand komt bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken op advies van de nationaliteitscommissie.

6. Artikel 5, a), van de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 bepaalt dat van een ingevolge artikel 3 of artikel 5 te naturaliseren persoon die tot een ander land behoort, overlegging kan worden gevorderd hetzij van het bewijs dat hij de nationaliteit van dat land had verloren of verliest te rekenen vanaf de dag waarop het Nederlanderschap werd verkregen, hetzij van een verklaring dat hij na naturalisatie het nodige zal doen om de nationaliteit van dat land te verliezen.

7. De appelrechters oordelen dat om de vraag te beantwoorden of de verweerster de Griekse nationaliteit heeft verloren, men moet vertrekken van het uitgangspunt van de Nederlandse nationaliteitswet die anno 1980 bepaalde dat men de Nederlandse nationaliteit niet kon verkrijgen wanneer men zijn oorspronkelijke nationaliteit bleef behouden. Uit het feit dat de ouders van de verweerster op vraag van de Nederlandse Staat een verklaring tot vrijwillige afstand van de Griekse nationaliteit hebben afgelegd en de Nederlandse wetgever hen vervolgens bij wet heeft genaturaliseerd, uitgaande van de enkelvoudige nationaliteit door het verlies van de Griekse nationaliteit, leiden zij af dat de verweerster enkel en alleen de Nederlandse nationaliteit bezit. Volgens de appelrechters is dit het rechtstreeks gevolg van de Nederlandse wet van 2 juli 1981 waarbij de ouders van de verweerster tot Nederlanders werden genaturaliseerd.

Het verweer van de eiser dat het bewijs niet is geleverd dat de bevoegde Griekse minister met de naturalisatie heeft ingestemd, houdt volgens de appelrechters een kritiek op de Nederlandse wet van 2 juli 1981 in die erop neerkomt de Belgische rechter te vragen om een Nederlandse wet te toetsen, waartoe hij niet bevoegd is.

8. De appelrechters die niet vaststellen dat de verweerster met haar ouders overeenkomstig artikel 14, eerste lid, (a) en derde lid van de voormelde Griekse nationaliteitswet door de Griekse minister van Binnenlandse Zaken gemachtigd werd om de Griekse nationaliteit op te geven, noch onderzoekt of de verweerster bij toepassing van artikel 5 Haags nationaliteitsverdrag in dezen moet behandeld worden alsof zij alleen de Nederlandse nationaliteit heeft, maar uitsluitend op grond van de Nederlandse nationaliteitswetgeving besluiten dat de verweerster de Griekse nationaliteit heeft verloren, oordelen niet wettig dat de verweerster op het ogenblik van het huwelijk enkel en alleen de Nederlandse nationaliteit bezat en verantwoorden bijgevolg hun beslissing dat de Belgische wetgeving van toepassing is om het huwelijksvermogen tussen de partijen te vereffenen en te verdelen niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Waar aanwezig waren: E. Dirix, sectievoorzitter als voorzitter; A. Fettweis en B. Deconinck, sectievoorzitters; K. Mestdagh en K. Moens, raadsheren; in aanwezigheid van Ch. Vandewal, advocaat-generaal.

Voorziening in cassatie

Enig middel tot cassatie
Geschonden wetsbepalingen
artikel 3, derde lid van het Burgerlijk Wetboek zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan door artikel 139 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht (BS 27 juli 2004) (hierna afgekort: “WIPR”);
artikel 3, § 1 van het WIPR;
de artikelen 1 en 2 van het Verdrag van Den Haag van 12 april 1930 nopens zekere vragen betreffende wetsconflicten inzake nationaliteit, goedgekeurd bij wet van 20 januari 1939 (BS 13 augustus 1939) (hierna afgekort “Haags nationaliteitsverdrag”);
artikel 14, 14.1, a en 14.3 van de Griekse nationaliteitswet van 22-23 september 1955 (decreet n° 3370);
artikel 23, a) van de Griekse Burgerlijk Wetboek van 29 oktober-15 november 1856;
artikel 5, a) van de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892;
artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
Aangevochten beslissing
Het appelgerecht verklaart het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, zegt voor recht dat het Belgisch huwelijksvermogensrecht dient te worden toegepast op de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap tussen partijen.

De aangevochten beslissing steunt op de volgende gronden van het bestreden arrest:

“Partijen zijn op 7 juni 1997 gehuwd in België voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van Sint-Jans-Molenbeek. Er is geen huwelijkscontract opgesteld. Uit het huwelijk is een kind geboren op 3 oktober 2000, S.K.

De echtscheiding tussen partijen is uitgesproken bij vonnis van de 27ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 21 december 2010. Voor de vereffening en de verdeling werden in dat vonnis de notarissen S.P. en D.H. aangesteld.

De partijen zijn het niet eens over welke wet van toepassing is op de vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Volgens (eiser) moet de Griekse wetgeving toegepast worden, (verweerster) is van oordeel dat de Belgische wetgeving van toepassing is.

Op 13 december 2011 maken de notarissen een tussentijds proces-verbaal van beweringen en zwarigheden op, waarin wordt vastgesteld dat er geen akkoord is tussen de partijen met betrekking tot de toe te passen wetgeving voor de vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap.

De notarissen zijn van oordeel dat het Belgisch huwelijksvermogensrecht moet worden toegepast. Zij hadden hun standpunt voor het opstellen van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden per brief van 4 november 2011 aan de partijen meegedeeld.

De zaak is bij de rechtbank ingeleid op grond van artikel 1219 Ger.W. op 19 maart 2011.

Er bestaat geen discussie over dat het Wetboek Internationaal Privaatrecht niet van toepassing is omdat het huwelijk dateert van vóór de inwerkingtreding van dit wetboek op 1 oktober 2004. Dit betekent dat de 'oude verwijzingsregels' gelden.

Volgens die regels moet men zich plaatsen op het ogenblik van de huwelijkssluiting. Is er geen huwelijkscontract en hebben de echtgenoten een gemeenschappelijke nationaliteit, dan wordt de wet van de gemeenschappelijke nationaliteit toegepast.

Hebben de echtgenoten een verschillende nationaliteit, dan geldt de wet van de eerste gemeenschappelijke woonplaats.

(Eiser) heeft de Griekse nationaliteit. De eerste gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten was in België.

De discussie gaat over de nationaliteit van (verweerster).

(Verweerster) stelt dat zij op het ogenblik van het huwelijk maar één nationaliteit had, namelijk de Nederlandse.

Volgens (eiser) had (verweerster) bij de voltrekking van het huwelijk de Griekse nationaliteit of had zij minstens een dubbele nationaliteit, waaronder de Griekse, zodat er sprake is van een gemeenschappelijke Griekse nationaliteit.

In het bestreden vonnis van de 7de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 maart 2013 werd vastgesteld dat (verweerster) op het ogenblik van het huwelijk de dubbele nationaliteit bezat, namelijk de Nederlandse en de Griekse en werd voor recht gezegd dat het Grieks huwelijksvermogensrecht dient te worden toegepast op de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap tussen de partijen.

(Verweerster) is op 14 april 1968 geboren te Griekenland (Pithion) uit twee Grieken, haar vader P.F. en haar moeder E.K.

Zij heeft bij haar geboorte de Griekse nationaliteit. Het gezin F. verhuisde naar Nederland en vestigde zich op 10 maart 1970 in Utrecht.

Op dat ogenblik was (verweerster) dus 2 jaar en 7 maanden.

Nadat het gezin F. meer dan 10 jaar zijn hoofdverblijfplaats in Nederland had, vroegen P.F. en E.K. in 1980 om tot Nederlander te worden genaturaliseerd.

Zij deden daarbij nadrukkelijk afstand van de Griekse nationaliteit.

Dat was nodig omdat het Nederlands nationaliteitsrecht anno 1980 (wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892, art. 3, 4, 5 en 6) uitging van de enkelvoudigheid van de nationaliteit, zodat men de Nederlandse nationaliteit niet kon verkrijgen als men zijn oorspronkelijke nationaliteit bleef behouden en de Griekse nationaliteitswet geen automatisch verval van de Griekse nationaliteit inhield bij het verwerven van een andere nationaliteit. De vrouw van de naturalisandus en zijn minderjarige kinderen deelden in de naturalisatie.

Volgens de toenmalige Nederlandse nationaliteitswetgeving verkreeg (verweerster) het Nederlanderschap door de wet van 2 juli 1981 waarmee haar vader tot Nederlander werd genaturaliseerd. De vraag is nu of door die naturalisatie de naturalisandus en zijn gezin hun Griekse nationaliteit verloren.

Om die vraag te beantwoorden moet men vertrekken van het uitgangspunt van de toenmalige Nederlandse nationaliteitswet.

Dat uitgangspunt is het bestrijden van de meervoudige nationaliteit.

In dat verband heeft de Nederlandse Staat gevraagd dat P.F. en E.K. een verklaring aflegden tot vrijwillige afstand van de Griekse nationaliteit.

Bij een afstand gaat de nationaliteit door een eenzijdige verklaring verloren.

P.F. en E.K. werd dus niet gevraagd om afstand te vragen van de voorwaarde van verlies van de Griekse nationaliteit en er werd ook niet geoordeeld dat zij ontslag uit de oorspronkelijke nationaliteit moesten vragen.

Vervolgens heeft de Nederlandse wetgever, uitgaande van de enkelvoudige nationaliteit door het verlies van de Griekse nationaliteit, de betrokkenen bij wet genaturaliseerd.

Uit de Nederlandse wet van 2 juli 1981 volgt dus dat (verweerster) enkel en alleen de Nederlandse nationaliteit bezit.

Anders gezegd, de omstandigheid dat (verweerster) enkel de Nederlandse nationaliteit bezit, is het rechtstreekse gevolg van de Nederlandse wet van 2 juli 1981.

Volgens de toenmalige geldende Griekse nationaliteitswetgeving trad het verlies van de Griekse nationaliteit in door naturalisatie in het buitenland voor zover bekend door het ministerie van Buitenlandse Zaken en wordt die erkenning niet verleend wanneer de verzoeker zijn dienstplicht nog moet vervullen of het voorwerp is van strafrechtelijke vervolging.

Volgens (eiser) is het bewijs niet geleverd dat het ministerie van Buitenlandse Zaken van Griekenland ingestemd heeft met de naturalisatie van P.F.en zijn familie en zou er aldus toch een dubbele nationaliteit zijn in hoofde van zijn voormalige echtgenote, (verweerster).

De kritiek die (eiser) geeft is een kritiek op de Nederlandse wet van 2 juli 1981.

Bij de naturalisatiewet van 2 juli 1982 is de Nederlandse wetgever duidelijk uitgegaan van het verlies van de Griekse nationaliteit.

De kritiek van (eiser) komt er bijgevolg op neer dat hij aan de Belgische rechter vraagt om een Nederlandse wet te toetsen omdat de Nederlandse wetgever bij het aannemen van de wet van 2 juli 1981 onzorgvuldig zou zijn omgesprongen met de toenmalige Griekse wetgeving, waardoor de normale gevolgen van een Nederlandse naturalisatiewet aan de wet van 2 juli 1981 zouden moeten worden onthouden.

De Belgische rechter is niet bevoegd om de Nederlandse wet te toetsen, maar moet die wet aannemen en toepassen.

Ten overvloede moet opgemerkt worden dat niet wordt voorgehouden dat P.F. laat staan (verweerster) op het ogenblik van de naturalisatie zich in een toestand zou hebben bevonden die de toestemming tot verlies van de nationaliteit uitsloot.

Aangezien moet worden aangenomen dat (verweerster) enkel de Nederlandse nationaliteit bezit, moet het huwelijksvermogen vereffend en verdeeld worden volgens de wet van de eerste echtelijke woonplaats.

Over die eerste echtelijke woonplaats is er geen discussie tussen partijen dat deze in België was.

Aldus is de Belgische wetgeving van toepassing om het huwelijksvermogen tussen de partijen te vereffenen en te verdelen.”(cf. arrest, p. 2-6).

Grieven
1. Voor de bepaling van het toepasselijk recht op het huwelijksvermogensstelsel van echtgenoten gehuwd zonder huwelijkse voorwaarden moet de IPR-verwijzingsregel worden toegepast die geldt op het ogenblik van de huwelijkssluiting.

Het Wetboek van Internationaal Privaatrecht is op 1 oktober 2004 in werking getreden (art. 140 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht).

Dit betekent dat de “oude verwijzingsregels” van toepassing zijn voor echtgenoten gehuwd vóór die datum.

2. Artikel 3, derde lid oud Burgerlijk Wetboek in de versie vóór de opheffing ervan bij artikel 139 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht bepaalt dat de (Belgische) wetten betreffende de staat en bekwaamheid van de personen toepasselijk zijn op de Belgen, ook wanneer zij in het buitenland verblijven.

Uit deze bepaling volgt niet alleen dat de Belgische wetten betreffende de staat en bekwaamheid van de personen toepasselijk zijn op de Belgen wanneer zij in het buitenland verblijven, maar ook dat vreemdelingen in België, nopens de staat en bekwaamheid van personen, aan hun nationale wet onderworpen zijn.

Het wettelijk huwelijksvermogensstelsel waaraan de zonder contract gehuwde echtgenoten onderworpen zijn, is zo nauw met de instelling van het huwelijk verbonden dat dit stelsel geacht moet worden de staat van de personen te betreffen.

In zover het wettelijk huwelijksvermogensstelsel de staat van de personen betreft, zijn de echtgenoten in de regel onderworpen aan de wet van de gemeenschappelijke nationaliteit op de dag van hun huwelijk.

De voorwaarde van de gemeenschappelijke nationaliteit is vervuld, van zodra de echtgenoten op de dag van hun huwelijk dezelfde nationaliteit hebben, zonder dat daarbij de eventuele andere nationaliteit van een van de echtgenoten in aanmerking moet worden genomen.

Bovendien is de voorwaarde van de gemeenschappelijke nationale wet vervuld zodra de echtgenoten op de dag van hun huwelijk dezelfde nationaliteit hebben, ook al heeft een van hen die nationaliteit verkregen ten gevolge van het huwelijk.

Wanneer de echtgenoten bij de voltrekking van hun huwelijk een verschillende nationaliteit hebben, wordt het stelsel geregeld door de wet van de eerste echtelijke woonplaats.

3. Luidens artikel 1 van het Verdrag van Den Haag van 12 april 1930 nopens zekere vragen betreffende wetsconflicten inzake nationaliteit (hierna afgekort “Haags nationaliteitsverdrag”) behoort het tot de bevoegdheid van iedere staat in zijn wetgeving te bepalen, wie zijn onderdanen zijn. Deze wetgeving moet door de andere staten worden erkend, voor zover zij in overeenstemming is met de internationale verdragen, de internationale gewoonte en de algemeen erkende rechtsbeginselen ter zake van nationaliteit.

Artikel 2 van hetzelfde verdrag bepaalt verder dat iedere vraag of een persoon de nationaliteit van een staat bezit, moet worden beantwoord overeenkomstig de wetgeving van deze staat.

Deze regel vindt overigens steun in artikel 3 WIPR dat bepaalt dat de vaststelling of een natuurlijke persoon de nationaliteit van een staat heeft, beheerst wordt door het recht van de betrokken staat.

4. Artikel 14 van de Griekse nationaliteitswet van 22-23 september 1995 (decreet n° 3370) bevat een regeling voor het verlies van nationaliteit in geval van verwerving van een vreemde nationaliteit.

Artikel 14, 1., a) van deze wet bepaalt dat de Griekse nationaliteit na machtiging verloren is voor hem die vrijwillig een andere vreemde nationaliteit heeft verworven.

Artikel 14, 3. van dezelfde wet bepaalt verder dat de machtiging bedoeld in het eerste lid wordt toegekend door een besluit van de minister van Binnenlandse Zaken op advies van de Commissie van Nationaliteit. Deze machtiging kan echter niet worden verleend indien de verzoeker zijn militaire verplichtingen niet heeft vervuld in zoverre hij daaraan onderworpen is of indien hij vervolgd wordt voor een misdaad of overtreding.

Artikel 23, a) van het Griekse Burgerlijk Wetboek van 29 oktober-15 november 1856 bepaalt dat de Griekse nationaliteit wordt verloren door naturalisatie in het buitenland voor zover erkend door het ministerie van Buitenlandse Zaken, welke erkenning echter nooit wordt verleend, indien de verzoeker onderworpen is aan de dienstplicht of indien hij zich aan strafvervolging heeft blootgesteld voor begane misdaden of overtredingen.

5. Artikel 5, a) van de “wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892” bepaalt dat van een ingevolge artikel 3 of artikel 5 te naturaliseren persoon die tot een ander land behoort, overlegging kan worden gevorderd hetzij van het bewijs dat hij de nationaliteit van dat land had verloren of verliest te rekenen vanaf de dag waarop het Nederlanderschap werd verkregen, hetzij van een verklaring dat hij na naturalisatie het nodige zal doen om de nationaliteit van dat land te verliezen.

De toenmalige Nederlandse wet bepaalde bijgevolg dat de Nederlandse overheid kon eisen dat men bij naturalisatie de oorspronkelijke nationaliteit opgaf.

6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het toepasselijk huwelijksvermogensrecht van echtgenoten gehuwd op 7 juni 1997 (dus vóór 1 oktober 2004) in de eerste plaats moet worden bepaald op basis van de wet van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten op het ogenblik van het huwelijk, zonder dat daarbij de eventuele andere nationaliteit van een van de echtgenoten in aanmerking moet worden genomen en afgezien van het feit dat een van hen die nationaliteit heeft verkregen ten gevolge van het huwelijk. Hebben de echtgenoten een verschillende nationaliteit, dan geldt de wet van de eerste gemeenschappelijke woonplaats.

Uit de artikelen 1 en 2 van het Haags nationaliteitsverdrag en, voor zoveel als nodig, uit artikel 3 van het WIPR vloeit voort dat de vraag of een persoon de Griekse nationaliteit bezit op het ogenblik van de huwelijkssluiting moet beantwoord worden aan de hand van de regels van het op dat ogenblik geldend Grieks nationaliteitsrecht.

Uit de voormelde bepalingen van het Grieks nationaliteitsrecht volgt dat er geen automatisch verlies is van de Griekse nationaliteit door verwerving van een vreemde nationaliteit, maar dat daarvoor een machtiging vereist is van de Griekse overheden.

7. Het appelgerecht stelde - op niet-betwiste wijze - vast dat eiser de Griekse nationaliteit had op het ogenblik van het huwelijk en de eerste gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten in België was.

Er was evenwel betwisting tussen de partijen over de nationaliteit van verweerster op het ogenblik van de huwelijkssluiting, nl. op 7 juni 1997.

Het appelgerecht stelt vast dat verweerster op de dag van haar geboorte de Griekse nationaliteit had.

Het appelgerecht stelde daarnaast vast:

dat het gezin F. naar Nederland verhuisde en zich op 10 maart 1970 in Utrecht vestigde;
dat op dat ogenblik verweerster 2 jaar en 7n maanden was;
dat nadat het gezin F. meer dan 10 jaar zijn hoofdverblijfplaats in Nederland had, de ouders van verweerster in 1980 aanvragen om tot Nederlander te worden genaturaliseerd;
dat volgens de toenmalige Nederlandse nationaliteitswetgeving verweerster het Nederlanderschap kreeg door de wet van 2 juli 1981 waarmee haar vader tot Nederlander werd genaturaliseerd (cf. arrest, p. 4).
8. Vervolgens stelde het appelgerecht zich de vraag of verweerster door deze naturalisatie haar Griekse nationaliteit verloren was.

Volgens het appelgerecht was dit te dezen het geval.

Het hof van beroep overweegt dienaangaande:

dat om die vraag te beantwoorden men moet vertrekken van het uitgangspunt van de toenmalige Nederlandse nationaliteitswet;
dat het uitgangspunt van de toenmalige Nederlandse nationaliteitswet het bestrijden van meervoudige nationaliteit was;
dat de Nederlandse Staat in dat verband gevraagd heeft dat de ouders van tegenpartij een verklaring aflegden tot vrijwillige afstand van de Griekse nationaliteit;
dat bij een afstand de nationaliteit door een eenzijdige verklaring verloren gaat;
dat de ouders van verweerster dus niet werd gevraagd om afstand te vragen van de voorwaarde van verlies van de Griekse nationaliteit en er ook niet werd geoordeeld dat zij ontslag uit de oorspronkelijke nationaliteit moesten vragen, dat de Nederlandse wetgever, de betrokkenen, uitgaande van de enkelvoudige nationaliteit door het verlies van de Griekse nationaliteit, bij wet genaturaliseerd heeft;
dat uit de Nederlandse wet van 2 juli 1981 dus volgt dat verweerster enkel en alleen de Nederlandse nationaliteit bezit, dat volgens de toenmalige geldende Griekse nationaliteitswetgeving het verlies van de Griekse nationaliteit intrad door naturalisatie in het buitenland voor zover erkend door het ministerie van Buitenlandse Zaken en die erkenning niet wordt verleend wanneer de verzoeker zijn dienstplicht nog moet vervullen of het voorwerp is van strafrechtelijke vervolging (art. 23);
dat de kritiek die eiser gaf, een kritiek is op de Nederlandse wet van 2 juli 1981;
dat de Nederlandse wetgever bij de naturalisatiewet van 2 juli 1981 duidelijk is uitgegaan van het verlies van de Griekse nationaliteit;
dat de kritiek van eiser er op neerkomt dat hij aan de Belgische rechter vraagt om een Nederlandse wet te toetsen omdat de Nederlandse wetgever bij het aannemen van de wet van 2 juli 1981 onzorgvuldig zou zijn omgesprongen met de toenmalige Griekse wetgeving, waardoor de normale gevolgen van een Nederlandse naturalisatiewet zouden moeten worden onthouden, dat de Belgische rechter niet bevoegd is om de Nederlandse wet te toetsen, maar die wet moet aannemen en toepassen (cf. bestreden arrest, p. 4-6).
9. Anders dan wat het appelgerecht beslist, dient de vraag of verweerster door de naturalisatie de Griekse nationaliteit verloren heeft niet beantwoord te worden vanuit het uitgangspunt van de toenmalige Nederlandse nationaliteitswet, maar wel aan de hand van de toepasselijke Griekse nationaliteitswetgeving.

Het is immers de Griekse nationaliteitswetgeving die bepaalt of verweerster op de dag van haar huwelijk - te dezen 7 juni 1997 - de Griekse nationaliteit had en/of zij deze al dan niet verloren had door de verwerving van een vreemde nationaliteit, te dezen de Nederlandse nationaliteit.

Anders dan de Griekse nationaliteitswet toe te passen en na te gaan of verweerster door de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit de Griekse nationaliteit verloren had - waartoe het verplicht was - beperkt het appelgerecht er zich toe te overwegen dat verweerster de Griekse nationaliteit verloren heeft op basis van de Nederlandse wet overwegende dat de Nederlandse wetgever bij de naturalisatiewet van 2 juli 1981 duidelijk is uitgegaan van het verlies van de Griekse nationaliteit.

10. In zover het appelgerecht beslist dat uit de Nederlandse wet van 2 juli 1981 volgt dat verweerster enkel en alleen de Nederlandse nationaliteit bezat op het ogenblik van het huwelijk, maar niet de Griekse nationaliteit, stelt het arrest Uw Hof in de onmogelijkheid om zijn wettigheidscontrole uit te oefenen doordat het niet is nagegaan of de Griekse autoriteiten aan verweerster een machtiging hebben verleend om haar Griekse nationaliteit op te geven waartoe het wel verplicht was op basis van de geldende Griekse nationaliteitswetgeving. Door dit gegeven niet te controleren, terwijl het daartoe wel verplicht was, belet het arrest Uw Hof zijn wettigheidscontrole uit te oefenen (schending van art. 149 van de gecoördineerde Grondwet).

Door aldus te beslissen, is het arrest bovendien niet naar recht verantwoord aangezien het de Griekse nationaliteitswetgeving had moeten toepassen en op basis van deze wetgeving had moeten nagaan of verweerster de Griekse nationaliteit had verloren door de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit (schending van de art. 3, § 1 van het WIPR, de art. 1 en 2 van het Haags nationaliteitsverdrag, art. 14, 14, 1., a en 14, 3 van de Griekse nationaliteitswet van 22-23 september 1955 (decreet n° 3370), art. 23, a) van de Griekse Burgerlijk Wetboek van 29 oktober-15 november 1856 en voor zoveel als nodig art. 5, a) van de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 en art. 3, derde lid van het Burgerlijk Wetboek in de versie vóór de opheffing ervan door art. 139 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht).

Toelichting
1. Partijen zijn op 7 juni 1997 in het huwelijk getreden. Het was niet betwist dat te dezen toepassing diende te worden gemaakt van de IPR-verwijzingsregels die golden op het ogenblik van de totstandkoming van het huwelijk zodat de nieuwe IPR-verwijzingsregels uit het WIPR geen toepassing vinden (deze vinden enkel toepassing op huwelijken gesloten op of ná haar inwerkingtreding, nl. 1 oktober 2014).

2. De “oude” IPR-verwijzingsregels waren niet gecodificeerd, maar werden uitgewerkt in de rechtspraak en rechtsleer.

Uw Hof oordeelde dat uit artikel 3, derde lid oud Burgerlijk Wetboek (in de versie vóór de opheffing ervan bij artikel 139 van het WIPR) volgt dat de Belgische wetten betreffende de staat en bekwaamheid van de personen toepasselijk zijn op de Belgen, ook wanneer zij in het buitenland verblijven en dat, in beginsel, de vreemdelingen in België, wat de staat en bekwaamheid van personen betreft, aan hun nationale wet onderworpen zijn (zie o.m.: Cass. 4 december 2009, C.08.0214.F, Pas. 2009, I, p. 2885).

Inzake de materie van “staat en bekwaamheid” werd bijgevolg aangeknoopt bij de “personele wet” van de betrokkene.

3. Uw Hof oordeelde verder dat het wettelijk huwelijksvermogensstelsel dat toepasselijk is op de zonder contract gehuwde echtgenoten, die niet de keuze hebben gemaakt van de op hun stelsel toepasselijke wet, zo nauw met het huwelijk en zijn gevolgen verbonden is dat, wanneer de echtgenoten op de dag van hun huwelijk een gemeenschappelijke nationaliteit hebben, men ervan moet uitgaan dat dit stelsel de staat van personen betreft en in de regel aan de wet van de Staat van die gemeenschappelijke nationale wet onderworpen is (Cass. 5 mei 2008, C.06.0288.F, Pas. 2008, I, p. 1081; Cass. 10 april 1980, Arr.Cass. 1979-80, 986).

Bijgevolg werd de bepaling van het toepasselijk recht op het huwelijksvermogen ondergebracht bij de verwijzingscategorie “staat en bekwaamheid” en dus aangeknoopt bij de personele wet van de betrokkene.

4. De voorwaarde van de gemeenschappelijke nationaliteit is vervuld, van zodra de echtgenoten op de dag van hun huwelijk dezelfde nationaliteit hebben, zonder dat daarbij de eventuele andere nationaliteit van een van de echtgenoten in aanmerking moet worden genomen (Cass. 4 december 2009, C.08.0214.F, Pas. 2009, I, p. 2885).

Bovendien is de voorwaarde van de gemeenschappelijke nationale wet vervuld zodra de echtgenoten op de dag van hun huwelijk dezelfde nationaliteit hebben, ook al heeft een van hen die nationaliteit verkregen ten gevolge van het huwelijk (Gass. 21 maart 2014, G.13.0021.F, Pas. 2014, 780).

Uit het voorgaande volgt dat het toepasselijk huwelijksvermogensrecht van echtgenoten gehuwd vóór 1 oktober 2004 in de eerste plaats moet worden bepaald op basis van de wet van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten op het ogenblik van het huwelijk, zonder dat daarbij de eventuele andere nationaliteit van een van de echtgenoten in aanmerking moet worden genomen en afgezien van het feit dat een van hen die nationaliteit heeft verkregen ten gevolge van het huwelijk.

5. Nu de nationaliteit van de echtgenoten de bepalende aanknopingsfactor is bij de bepaling van het toepasselijk recht op het huwelijksvermogen van echtgenoten gehuwd vóór 1 oktober 2004, moet worden nagegaan aan de hand van welke wetgeving de nationaliteit van een natuurlijke persoon moet bepaald worden.

De vraag of een persoon de nationaliteit van een bepaalde staat bezit, moet beantwoord worden met toepassing van de nationaliteitswetgeving van die staat.

Deze regel vindt trouwens steun in de artikelen 1 en 2 van het Verdrag van Den Haag van 12 april 1930 nopens zekere vragen betreffende de wetsconflicten inzake nationaliteit (hierna afgekort “Haags nationaliteitsverdrag”).

6. Luidens artikel 1 van dit verdrag behoort het tot de bevoegdheid van iedere staat in zijn wetgeving te bepalen, wie zijn onderdanen zijn. Deze wetgeving moet door de andere staten worden erkend, voor zover zij in overeenstemming is met de internationale verdragen, de internationale gewoonte en de algemeen erkende rechtsbeginselen ter zake van nationaliteit. Artikel 2 van hetzelfde verdrag bepaalt verder dat iedere vraag of een persoon de nationaliteit van een staat bezit, moet worden beantwoord overeenkomstig de wetgeving van deze staat.

Deze regel vindt overigens bevestiging in artikel 3 WIPR dat bepaalt dat de vaststelling of een natuurlijke persoon de nationaliteit van een staat heeft, beheerst wordt door het recht van de betrokken staat (zie o.m. A. Heyvaert, “Commentaar bij art. 3 W.I.P.R.” in X, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV, Internationaal Privaatrecht, Algemene bepalingen, Mechelen, Kluwer, 2007, losbl.).

Dit betekent bijvoorbeeld dat de Belgische rechter het Grieks nationaliteitsrecht moet toepassen bij de beantwoording van de vraag of een bepaalde persoon de Griekse nationaliteit heeft.

7. De Griekse nationaliteitswetgeving - die gold ten tijde van het huwelijk van partijen - bepaalde dat de Griekse nationaliteit na machtiging verloren is voor hem die vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verworven.

Er is dus geen automatisch verlies van de Griekse nationaliteit door verwerving van een vreemde nationaliteit. Het doen van afstand is evenmin mogelijk. Iemand kan alleen maar afstand doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit als in de wetgeving van het land waarvan hij vandaan komt, staat dat dit mogelijk is. Uit de bepalingen van de Griekse wet volgt dat er geen afstand kan worden gedaan van die nationaliteit, maar dat daarvoor een machtiging is vereist van de Griekse overheden.

Bij “afstand” van nationaliteit gaat de nationaliteit in beginsel verloren door een eenzijdige verklaring van betrokkene, terwijl bij een “ontslag” van nationaliteit het verlies pas door een wilsuiting (bekrachtiging, acceptatie, toestemming, machtiging e.d.) van de autoriteiten van de staat intreedt (G.R. De Groot en M. Tratnik, Nederlands nationaliteitsrecht. Monografieën Privaatrecht, Deventer, Kluwer, 2010, 107). Dit is het geval voor het Grieks nationaliteitsrecht waar het verlies van nationaliteit enkel kan verkregen worden na machtiging door de Griekse autoriteiten.

8. Het bovenstaande werd niet betwist door het appelgerecht dat zelf vaststelde dat volgens de toenmalige Griekse nationaliteitswetgeving het verlies van de Griekse nationaliteit bij verwerving van een vreemde nationaliteit alleen intrad na erkenning door de Griekse autoriteiten.

Evenwel had het appelgerecht in de feiten moeten nagaan of de voormelde erkenning al dan niet werd verleend door het Griekse ministerie van Buitenlandse Zaken en dus de Griekse nationaliteitswetgeving op de voorliggende rechtsvraag moeten toepassen.

De vraag of verweerster en haar ouders door de naturalisatie de Griekse nationaliteit verloren hadden diende niet beantwoord te worden vanuit het uitgangspunt van de toenmalige Nederlandse nationaliteitswet, maar wel aan de hand van de toepasselijke Griekse nationaliteitswetgeving.

De overweging van het appelgerecht dat het niet aan de Belgische rechter toekomt om de Nederlandse wet te toetsen (maar wel aan te nemen en toe te passen) is te dezen niet pertinent. Het is correct dat de Belgische rechter de buitenlandse wet niet kan toetsen en bijvoorbeeld kan nagaan of de Nederlandse wetgever bij de wet van 2 juli 1981 onzorgvuldig is omgesprongen met de toenmalige Griekse wetgeving, maar dit neemt op zichzelf niet weg dat de rechter de plicht had eveneens de Griekse nationaliteitswetgeving in concreto toe te passen en na te gaan of verweerster in toepassing hiervan haar Griekse nationaliteit al dan niet had verloren.

OM DEZE REDENEN

Besluit ondertekenende advocaat bij het Hof van Cassatie tot de vernietiging van het bestreden arrest met de verwijzing van de zaak en de partijen naar een ander hof van beroep. Kosten als naar recht.

Noot: 

J. Verhellen, De Gemeenschappelijke nationaliteit van de (ex) echtgenoten in gevallen van dubbele nationaliteit, T. Fam. 2011/6

De auteur wijst erop dat dit arrest op het eerste geicht slechts een relatieve releventiewaarde zou kunnen hebben gezien de echtscheiding werd uitgeproken volgens het oude echtscheidingsrecht.

De aureur relativeert door de overgangsbepalingen van het WIPR.

Het IPR heeft inderdaad de verwijzingsregels inzake het toepasselijk huwelijksvermogensrecht omgendraaird in de zaken zonder huwelikscontract. 

Vanaf heden wordt in eerste instantie rekeing gehouden met de wet van de eerste gewone verblijfplaats en pas in ondergeschikte orde met de wet van de gemeenschappelijke nationaliteit. Maar deze regel zoals voorzien in artikel 51 WIPR is slechts toepasselijk op huwelijken gesloten na 1 oktober 2004.

Nog zeer lang zullen dus de oude verwijzingsregels belang hebben.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 14/07/2017 - 10:48
Laatst aangepast op: vr, 14/07/2017 - 10:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.