-A +A

IPR executie en bevoegdheid Verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
don, 18/07/2013

Het in hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001 neergelegde stelsel van toewijzing van algemene bevoegdheden berust op de in artikel 2, 1. van de verordening vervatte algemene regel dat personen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die staat. Slechts in afwijking op de algemene regel dat de gerechten van de woonplaats van de verwerende partij bevoegd zijn, voorziet Hoofdstuk II, Afdeling 2 van verordening nr. 44/2001 in een bepaald aantal bijzondere bevoegdheidsregels,

Aan deze bijzondere bevoegdheidsregels moet een strikte uitlegging die niet verder mag gaan dan de door die verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen.

Het begrip “verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 omvat elke vordering die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een “verbintenis uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, 1., sub a) van die verordening 

Het begrip “verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, 1., sub a) van verordening nr. 44/2001 kan niet aldus worden uitgelegd dat het ziet op een situatie waarin geen sprake is van een door een partij jegens een andere vrijwillig aangegane verbintenis. Bijgevolg is voor de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst in artikel 5, 1., sub a) van verordening nr. 44/2001 vereist dat er sprake is van een vrijwillig aangegane juridische verbintenis van een persoon jegens een andere waarop de vordering van de verzoeker is gebaseerd.

Anderzijds is het vaste rechtspraak dat pas van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan worden gesproken wanneer een oorzakelijk verband is komen vast te staan tussen de schade en het feit waaruit die schade is voortgekomen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/12
Pagina: 
787
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(ÖFAB / F. Koot, Evergreen Investements BV)

Betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hovrätt för Nedre Norrland (Zweden) bij beslissing van 23 maart 2012, ingekomen bij het Hof op 26 maart 2012.

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 april 2013,

gelet op de opmerkingen van:

ÖFAB, vertegenwoordigd door M. André,

F. Koot en Evergreen Investments BV, vertegenwoordigd door K. Crafoord, B. Rundblom Andersson en J. Conradsson, advokater,

de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk en K. Ahlstrand-Oxhamre als gemachtigden,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door S. Chala als gemachtigde,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. Beeko als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A.-M. Rouchaud-Joët en C. Tufvesson als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten, het navolgende

Arrest

Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( Pb.2001, L. 12, p. 1).

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ÖFAB, Östergötlands Fastigheter AB (hierna: “ÖFAB”), gevestigd in Zweden, en F. Koot en Evergreen Investments BV (hierna: “Evergreen”), gevestigd in Nederland, over de weigering van laatstgenoemden om in te staan voor de schulden van Copperhill Mountain Lodge AB (hierna: “Copperhill”), een in Zweden gevestigde vennootschap.

Toepasselijke bepalingen
(…)

Hoofdgeding en prejudiciële vragen
F. Koot, wonend in Nederland, was bestuurslid van Copperhell van 9 september 2007 tot en met 5 september 2009. Vanaf laatstgenoemde datum tot en met 22 januari 2010 was hij vervangend bestuurslid van Copperhill.

Evergreen had 40% van de aandelen van Copperhill en verwierf op 11 september 2007 nog eens 50% van de aandelen van die vennootschap.

Tussen 10 oktober 2007 en 2 december 2009 had Copperhill haar zetel in de gemeente Åre (Zweden), vallend onder het rechtsgebied van het Östersunds tingsrätt (plaatselijk gerecht van Östersund), waar de vennootschap gedurende die periode werkzaamheden verrichtte en een hotel bouwde.

Voor de bouw van dit hotel had Copperhill graafwerkzaamheden en, met name, het plaatsen van tegels in de badkamers opgedragen aan twee lokale ondernemingen, Toréns Entrepenad i Östersund AB (hierna: “Toréns”) en Kakelmässan Norr Handelsbolag (hierna: “Kakelmässan”).

Nadat Copperhill haar betalingen wegens financiële problemen had opgeschort, gelastte het Östersunds tingsrätt op 23 maart 2009 sanering van die onderneming (“företagsrekonstruktion”). In het kader van die sanering kregen Toréns en Kakelmässan slechts een deel van hun respectieve vorderingen op Copperhill betaald. De nog openstaande vorderingen werden overgedragen aan Invest i Ärefjällen i Stockholm (hierna:“Invest”).

Invest heeft op 10 augustus 2010 bij het Östersunds tingsrätt twee beroepen ingesteld tegen Koot respectievelijk Evergreen. Tot staving van haar vordering tegen Koot betoogde Invest dat hij op grond van § 18 van hoofdstuk 25 van de vennootschapswet gehouden was om haar schadeloos te stellen. De vordering tegen Evergreen was gebaseerd op het beginsel van doorbraak van aansprakelijkheid en op het feit dat Evergreen had “toegezegd” Toréns en Kakelmässan te betalen of Copperhill de nodige middelen daartoe te verschaffen.

Ten betoge dat het Östersunds tingsrätt bevoegd was om uitspraak over de geschillen te doen voerde Invest aan dat de schadebrengende handelingen waren verricht te Åre en dat de schade ook daar was ingetreden. Koot en Evergreen hebben gesteld dat aangezien zij beiden in Nederland gevestigd waren, dat gerecht niet bevoegd was om kennis te nemen van de geschillen.

Op 26 april 2011 heeft het Östersunds tingsrätt de beroepen van Invest verworpen en zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de geschillen. Zijns inziens ging het niet om geschillen ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst of uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, 1. en 3. van verordening nr. 44/2001. Volgens de hoofdregel van artikel 2, 1. van die verordening dienden die geschillen daarom te worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat waarin Koot en Evergreen gevestigd waren.

Invest heeft die beslissingen aangevochten bij het Hovrätt för Nedre Norrland en gevraagd om een verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof voor te leggen. Vervolgens heeft zij haar vorderingen overgedragen aan ÖFAB.

Het Hovrätt för Nedre Norrland is van mening dat een uitlegging van artikel 5, 1. en 3. van verordening nr. 44/2001 nodig is om te bepalen of de Zweedse gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van het hoofdgeding.

In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af, of die bepalingen met betrekking tot schadevorderingen een uitzondering vormen op artikel 2 van verordening nr. 44/2001, in die zin dat artikel 5, 3. van die verordening van toepassing is, indien punt 1. van dat artikel niet van toepassing is. Bovendien is die rechter van oordeel dat het Hof nog niet kennis heeft genomen van de vraag of vorderingen die erop gericht zijn om een bestuurslid van een vennootschap krachtens § 18 van hoofdstuk 25 van de vennootschapswet, of een aandeelhouder van die vennootschap op grond van de doorbraak van aansprakelijkheid, aansprakelijk te stellen voor schulden van die vennootschap, onder artikel 5, 3. van die verordening vallen.

Met betrekking tot de doorbraak van aansprakelijkheid geeft de verwijzende rechter aan dat aandeelhouders van vennootschappen volgens de rechtspraak van de Högsta domstol (hoogste rechterlijke instantie) in uitzonderlijke situaties aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schulden van de betrokken vennootschap. Factoren die in dit verband van belang kunnen zijn, zijn onloyaal of onbehoorlijk gedrag van aandeelhouders, een gebrek aan eigen kapitaal en het feit dat de vennootschap geen commercieel doel had.

Daarop heeft het Hovrätt för Nedre Norrland de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht uitspraak te doen over de volgende prejudiciële vragen:

“Moet artikel 5, punten 1 en 3, van verordening nr. 44/2001 […] aldus worden uitgelegd dat daarin voor alle schadevorderingen een uitzondering op de hoofdregel van artikel 2 is neergelegd?

Moet het begrip verbintenissen uit onrechtmatige daad' in artikel 5, 3. van verordening [nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is op een vordering van een schuldeiser tegen een bestuurslid van een vennootschap, indien de vordering ertoe strekt het bestuurslid aansprakelijk te stellen voor de schulden van de vennootschap, op grond dat het niet de formele maatregelen heeft getroffen om toezicht te houden op de financiële situatie van de vennootschap, maar het de vennootschap juist mogelijk heeft gemaakt om haar werkzaamheid voort te zetten en haar schulden te doen toenemen?

Moet het begrip verbintenissen uit onrechtmatige daad' in artikel 5, 3. van verordening [nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is op een vordering van een schuldeiser tegen een aandeelhouder van een vennootschap, indien de vordering ertoe strekt de aandeelhouder aansprakelijk te stellen voor de schulden van de vennootschap, op grond van het feit dat hij het de vennootschap mogelijk heeft gemaakt om haar werkzaamheid voort te zetten ook al was er sprake van onderkapitalisatie en diende de vennootschap in vereffening te gaan?

Moet het begrip verbintenissen uit onrechtmatige daad' in artikel 5, 3. van verordening [nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is op een vordering van een schuldeiser tegen de aandeelhouder van een vennootschap die zich ertoe heeft verbonden de schulden van de vennootschap te betalen?

In geval van een bevestigend antwoord op de [tweede vraag], moet eventuele schade worden geacht te zijn ingetreden in Nederland of in Zweden, wanneer het bestuurslid in Nederland woont en de door hem niet nagekomen verplichtingen een Zweedse vennootschap betreffen?

In geval van een bevestigend antwoord op [de derde en vierde vraag], moet eventuele schade worden geacht te zijn ingetreden in Nederland of in Zweden, wanneer de aandeelhouder in Nederland woont en het een Zweedse vennootschap betreft?

Indien artikel 5, 1. of 3. van verordening [nr. 44/2001] in een van bovenvermelde situaties van toepassing is, is het voor de toepassing van deze bepalingen relevant of een vorderingsrecht door de oorspronkelijke schuldeiser aan een andere persoon is overgedragen?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met derde vraag
Met de eerste drie vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, vraagt de verwijzende rechter in wezen of het in artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 gebezigde begrip “verbintenissen uit onrechtmatige daad” aldus moet worden uitgelegd, dat het betrekking heeft op door een schuldeiser van een vennootschap ingestelde vorderingen die erop gericht zijn om, enerzijds, een bestuurslid en, anderzijds, een aandeelhouder van de vennootschap aansprakelijk te stellen voor de schulden van de vennootschap, op grond dat zij het mogelijk hebben gemaakt dat die vennootschap haar werkzaamheden voortzette, ofschoon er sprake was van onderkapitalisatie en de vennootschap in vereffening diende te gaan.

Om te beginnen moet het door Koot aangevoerde argument worden onderzocht dat de tegen hem ingestelde beroepen op grond van artikel 1, 2., sub b) van verordening nr. 44/2001 buiten de werkingssfeer van die verordening vallen, aangezien zij zijn gebaseerd op bepalingen van Zweeds recht die ertoe strekken dat vennootschappen met onvoldoende eigen middelen, in vereffening gaan.

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 1, 2., sub b) van verordening nr. 44/2001 volgens vaste rechtspraak alleen vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een insolventieprocedure en daarmee nauw verband houden, uitsluit van de werkingssfeer van die verordening (zie in die zin arresten van 2 juli 2009, C-111/08, SCT Industri, Jur., p. 1-5655, punt 21 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, alsmede 19 april 2012, C-213/10, F-Tex, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 29).

Zoals uit het aan het Hof overgelegde dossier en uit de uitleg van de Zweedse regering ter terechtzitting blijkt, zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vorderingen niet ingediend in het kader van een insolventieprocedure, maar nadat Copperhill aan een saneringsprocedure was onderworpen. Vastgesteld zij in elk geval dat, zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt, de betrokken vorderingen geen prerogatieven vormen die uitsluitend aan de curator toekomen en worden uitgeoefend in het belang van een groot aantal schuldeisers, maar dat het rechten betreft die ÖFAB vrijelijk en in haar eigen belang kan uitoefenen.

Derhalve moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vorderingen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 vallen.

Voor de beantwoording van de eerste drie vragen moet enerzijds worden opgemerkt dat de begrippen “verbintenissen uit overeenkomst” en “verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van artikel 5, 1., sub a) en 3. van verordening nr. 44/2001 volgens vaste rechtspraak autonoom moeten worden uitgelegd door met name te verwijzen naar de opzet en de doelstellingen van die verordening (zie in die zin arrest van 25 oktober 2011, C-509/09 en C-161/10, eDate Advertising en Martinez, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 38 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Anderzijds moet worden opgemerkt dat aangezien verordening nr. 44/2001 in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats is getreden van het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb. 1972, L. 299, p. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dat verdrag (hierna: “executieverdrag”), de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot de in dit verdrag neergelegde bepalingen ook geldt voor die van de verordening, wanneer de bepalingen van deze communautaire instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (zie met name arrest eDate Advertising en Martinez, reeds aangehaald, punt 39 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

De in de hoofdzaak relevante artikelen 2 en 5, 1., sub a) en 3. van verordening nr. 44/2001 berusten, wat de afbakening betreft van de in die bepalingen geregelde rechtelijke bevoegdheden, op dezelfde systematiek als de artikelen 2 en 5, 1. en 3. van het executieverdrag en zijn bovendien geformuleerd in nagenoeg gelijke bewoordingen. Bij een zo grote gelijkenis moet in overeenstemming met punt 19 van de considerans van die verordening de continuiteit in de uitlegging van deze twee instrumenten worden gewaarborgd (zie met name arrest van 16 juli 2009, C-189/08, Zuid-Chemie, Jur., p. 1-6917, punt 19).

Volgens vaste rechtspraak berust het in hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001 neergelegde stelsel van toewijzing van algemene bevoegdheden op de in artikel 2, 1. van de verordening vervatte algemene regel dat personen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die staat. Slechts in afwijking op de algemene regel dat de gerechten van de woonplaats van de verwerende partij bevoegd zijn, voorziet Hoofdstuk II, Afdeling 2 van verordening nr. 44/2001 in een bepaald aantal bijzondere bevoegdheidsregels, waaronder die van artikel 5, 3. van die verordening (zie in die zin arrest Zuid-Chemie, reeds aangehaald, punten 20 en 21, alsmede arrest van 12 mei 2011, C-144/10, BVG, Jur., p. 1-3961, punt 30 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat aan deze bijzondere bevoegdheidsregels een strikte uitlegging moet worden gegeven, die niet verder mag gaan dan de door die verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen (zie in die zin arrest Zuid-Chemie, reeds aangehaald, punt 22 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Het is echter vaste rechtspraak dat het begrip “verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 elke vordering omvat die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een “verbintenis uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, 1., sub a) van die verordening (zie met betrekking tot de uitlegging van het executieverdrag, arresten van 27 september 1988, nr. 189/87, Kalfelis, Jur., p. 5565, punt 18; 26 maart 1992, C-261/90, Reichert en Kockler, Jur., p. I-2149, punt 16; 27 oktober 1998, C-51/97, Réunion européenne e.a., Jur., p. I-6511, punt 22 en 17 september 2002, C-334/00, Tacconi, Jur., p. 1-7357, punt 21).

In dit verband moet enerzijds worden opgemerkt dat het begrip “verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, 1., sub a) van verordening nr. 44/2001 niet aldus kan worden uitgelegd dat het ziet op een situatie waarin geen sprake is van een door een partij jegens een andere vrijwillig aangegane verbintenis. Bijgevolg is voor de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst in artikel 5, 1., sub a) van verordening nr. 44/2001 vereist dat er sprake is van een vrijwillig aangegane juridische verbintenis van een persoon jegens een andere waarop de vordering van de verzoeker is gebaseerd (zie met betrekking tot de uitlegging van het executieverdrag, arrest van 20 januari 2005, C-27/02, Engler, Jur., p. 1-481, punten 50 en 51, alsmede 14 maart 2013, C-419/11, eská spoiteina, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 46 en 47 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Anderzijds is het vaste rechtspraak dat pas van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan worden gesproken wanneer een oorzakelijk verband is komen vast te staan tussen de schade en het feit waaruit die schade is voortgekomen (zie met betrekking tot de uitlegging van het executieverdrag, arrest van 30 november 1976, nr. 21/76, Bier, “Mines de potasse d'Alsace”, Jur., p. 1735, punt 16 en arrest Zuid-Chemie, reeds aangehaald, punt 28 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Met betrekking tot de vorderingen in het hoofdgeding blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat deze de aansprakelijkheid beogen vast te stellen van Koot, als bestuurslid van Copperhill en op grond van § 18 van hoofdstuk 25 van de vennootschapswet, en van Evergreen, als aandeelhouder van die vennootschap en op grond van de doorbraak van aansprakelijkheid zoals ontwikkeld in de rechtspraak van de Högsta domstol.

Zoals eveneens uit de verwijzingsbeschikking blijkt, zijn die vorderingen niet gebaseerd op een verplichting die één der partijen vrijwillig jegens de andere is aangegaan, maar op de stelling dat het bestuurslid van Copperhill, dat niet heeft voldaan aan bepaalde formaliteiten bedoeld voor het toezicht op de financiële situatie van die vennootschap, alsmede haar hoofdaandeelhouder niet zouden hebben voldaan aan hun wettelijke verplichtingen, door het die vennootschap mogelijk te maken haar werkzaamheid te blijven uitoefenen ofschoon er sprake was van onderkapitalisatie en de vennootschap in vereffening diende te gaan. Op grond van de geldende wettelijke regeling kunnen dat bestuurslid en die aandeelhouder eventueel aansprakelijk worden gesteld voor de schulden van Copperhill.

Ofschoon de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vorderingen dat bestuurslid en die aandeelhouder aansprakelijk willen stellen voor de schulden van Copperhill, willen zij vooral de betaling mogelijk maken van schulden die, daar het bestuurslid en de aandeelhouder van die vennootschap niet aan hun wettelijke verplichtingen hebben voldaan, die vennootschap niet volledig heeft kunnen betalen. In casu strekken die vorderingen dus tot vergoeding van schade als gevolg van het feit dat Toréns en Kakelmässan werkzaamheden voor Copperhill hebben verricht, zonder dat die vennootschap de voor die werkzaamheden verschuldigde bedragen volledig heeft betaald.

Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vorderingen, zonder vooruit te lopen op de kwalificatie van andere vorderingen die tegen een bestuurslid of een aandeelhouder van een vennootschap kunnen worden ingediend, onder artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 vallen.

In dit verband stellen de Zweedse en de Griekse regering dat aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vorderingen het bestuurslid of de aandeelhouder van een vennootschap aansprakelijk willen stellen voor de schulden van die vennootschap, voor de kwalificatie ervan aan de hand van artikel 5, 1. en 3. van verordening nr. 44/2001 moet worden uitgegaan van de kwalificatie van de schulden van de vennootschap, naargelang zij al dan niet onder verbintenissen uit overeenkomst vallen.

Deze uitlegging kan niet worden aanvaard.

Deze zou immers leiden tot een uitbreiding van het aantal gerechten die bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen die dezelfde foutieve gedraging van het bestuurslid of de aandeelhouder van de betrokken vennootschap aan de orde stellen, afhankelijk van de aard van de verschillende schulden van die vennootschap waartegen dergelijke vorderingen kunnen worden ingediend. In een dergelijke situatie verzet de nabijheidsdoelstelling van de bijzondere bevoegdheidsregels genoemd in artikel 5, 1. en 3. van verordening nr. 44/2001 en gebaseerd op het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen de overeenkomst of de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan en het gerecht dat daarvan kennis moet nemen (zie in die zin met name arresten van 25 februari 2010, C-381/08, CarTrim, Jur., p. 1-1255, punt 48 en de aldaar aangehaalde rechtspraak en 16 mei 2013, C-228/11, Melzer, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 26 en de aldaar aangehaalde rechtspraak), zich tegen het feit dat de bepaling van de bevoegde rechter kan afhangen van de aard van de schulden van de betrokken vennootschap. Bovendien moet worden opgemerkt dat een dergelijke uitlegging van de in artikel 5 van die verordening voorziene bevoegdheidsregels voor een verweerder die aansprakelijk is voor de schulden van een ander, niet de door punt 11 van de considerans van die verordening vereiste mate van voorspelbaarheid heeft.

Gelet op de voorgaande overwegingen, moet op de eerste tot en met de derde vraag worden geantwoord dat het in artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 gebezigde begrip “verbintenissen uit onrechtmatige daad” aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op door een schuldeiser van een vennootschap ingediende vorderingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die erop gericht zijn om, enerzijds, een bestuurslid en, anderzijds, een aandeelhouder van de vennootschap aansprakelijk te stellen voor de schulden van de vennootschap, op grond dat zij het mogelijk hebben gemaakt dat die vennootschap haar werkzaamheden voortzette ofschoon er sprake was van onderkapitalisatie en de vennootschap in vereffening diende te gaan.

Vierde vraag
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het begrip “verbintenissen uit onrechtmatige daad” in artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is op een vordering van een schuldeiser tegen de aandeelhouder van een vennootschap die zich ertoe heeft verbonden de schulden van de vennootschap te betalen.

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het aan de nationale rechter staat, het Hof de feitelijke en juridische gegevens te verschaffen die noodzakelijk zijn voor een nuttig antwoord op de aan het Hof gestelde vragen (arresten van 14 september 1999, C-249/97, Gruber, Jur., p. 1-5295, punt 19 en 8 september 2011, C-177/10, Rosado Santana, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33).

Volgens vaste rechtspraak is het, wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, noodzakelijk dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (zie met name arresten van 17 april 2005, C-134/03, Viacom Outdoor, Jur., p. 1-1167, punt 22; 12 februari 2005, C-145/03, Keller, Jur., p. I-2529, punt 29 en 1 december 2011, C-145/10, Painer, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 46).

In casu moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter voor zijn vierde vraag enkel aangeeft dat Evergreen zou hebben “toegezegd” Toréns en Kakelmässan te betalen of Copperhill de nodige middelen daartoe te verschaffen. Hij heeft echter niet de feitelijke omstandigheden van die “toezegging” gepreciseerd noch de rechtsgrondslag of het voorwerp van de vordering ingesteld tegen degene die deze “toezegging” heeft gedaan. Onder deze omstandigheden kan het Hof op grond van het verzoek om een prejudiciële beslissing geen nuttige uitlegging van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 geven.

Derhalve moet worden geoordeeld dat de vierde vraag niet-ontvankelijk is.

Vijfde en zesde vraag
Met zijn vijfde en zijn zesde vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat voor vorderingen die ertoe strekken, een bestuurslid en een aandeelhouder van een vennootschap aansprakelijk te stellen voor de schulden van die vennootschap, die plaats zich bevindt in de lidstaat waarin die vennootschap haar zetel heeft.

Voor de beantwoording van die vragen moet eraan worden herinnerd dat, enerzijds, volgens vaste rechtspraak de bijzondere bevoegdheidsregel die in artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 is opgenomen in afwijking van het beginsel dat de gerechten van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn, berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn (zie in die zin arresten eDate Advertising en Martinez, reeds aangehaald, punt 40 en arrest van 25 oktober 2012, C-133/11, Folien Fischer en Fofitec, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 37 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich dreigt voor te doen immers normaliter het best in staat om uitspraak te doen, met name omdat de afstand geringer en de bewijsvoering gemakkelijker is (zie met name arrest Folien Fischer en Fofitec, reeds aangehaald, punt 38 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Anderzijds doelt de uitdrukking “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 zowel op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zodat de verweerder ter keuze van de eiser voor de rechter van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (zie arrest Folien Fischer en Fofitec, reeds aangehaald, punt 39 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze beide plaatsen kunnen van betekenis zijn als aanknopingspunt voor de rechterlijke bevoegdheid, daar zij, afhankelijk van de omstandigheden, beide een bijzonder nuttige aanwijzing kunnen vormen voor de bewijslevering en de procesinrichting (zie arresten eDate Advertising en Martinez, reeds aangehaald, punt 41 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Wat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vorderingen betreft, die door schuldeisers van een vennootschap zijn ingediend tegen het bestuurslid en de hoofdaandeelhouder van die vennootschap, op grond dat zij met betrekking tot die vennootschap niet aan hun wettelijke verplichtingen zouden hebben voldaan, moet de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis dus zowel voor verzoekers als voor verweerders een hoge mate van voorspelbaarheid hebben. Bovendien moet er in die omstandigheden in termen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting een bijzonder nauw verband zijn tussen de door verzoekers ingediende vorderingen en die plaats.

Dienaangaande moet worden opgemerkt dat in een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die betrekking heeft op vorderingen gebaseerd op de stelling dat het bestuurslid en de hoofdaandeelhouder van Copperhill niet zouden hebben voldaan aan hun wettelijke verplichtingen met betrekking tot het toezicht op de financiële situatie van die vennootschap en de voortzetting van haar activiteiten, ofschoon er sprake was van onderkapitalisatie en de vennootschap in vereffening diende te gaan, het niet om de financiële situatie of de activiteit van die vennootschap als zodanig gaat, maar om de conclusie die moet worden getrokken met betrekking tot de eventuele niet-nakoming van de op het bestuurslid en de aandeelhouder rustende controleplicht.

Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat Copperhill ten tijde van de betrokken feiten gevestigd was in de gemeente Åre, vallend onder het rechtsgebied van het Östersunds tingsrätt, waar de vennootschap gedurende die periode werkzaamheden verrichtte en een hotel bouwde. In deze omstandigheden lijken de verrichte werkzaamheden en de financiële situatie met betrekking tot die werkzaamheden verband te houden met die plaats. In elk geval moest de informatie over de financiële situatie en de werkzaamheid van die vennootschap, welke nodig was voor de uitoefening van de op het bestuurslid en de aandeelhouder rustende beheersverplichtingen, daar beschikbaar zijn. Ditzelfde geldt voor de informatie over de gestelde niet-nakoming van die verplichtingen. Het staat aan de verwijzende rechter om de juistheid van deze informatie na te gaan.

Derhalve moet op de vijfde en de zesde vraag worden geantwoord dat het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat voor vorderingen die ertoe strekken, een bestuurslid en een aandeelhouder van een vennootschap aansprakelijk te stellen voor de schulden van die vennootschap, die plaats zich bevindt in de plaats waarmee de door die vennootschap verrichte werkzaamheden en de financiële situatie met betrekking tot die werkzaamheden verband houden.

Zevende vraag
Met zijn zevende vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de omstandigheid dat de betrokken vordering door de oorspronkelijke schuldeiser is overgedragen aan een andere schuldeiser, in omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, van invloed is op de bepaling van de bevoegde rechterlijke instantie op grond van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001.

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 41 van dit arrest is beklemtoond, de bijzondere bevoegdheidsregels van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001 beantwoorden aan een nabijheidsdoelstelling en gebaseerd zijn op het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen de overeenkomst of de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan en het gerecht dat daarvan kennis moet nemen. Een geschil dat betrekking heeft op vorderingen voortkomende uit verbintenissen “uit onrechtmatige daad” blijft in beginsel echter een bijzonder nauwe band houden met de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, ook al zijn de betrokken vorderingen overgedragen.

Ook moet worden opgemerkt dat het in strijd zou zijn met een van de in punt 11 van de considerans genoemde doelstellingen van verordening nr. 44/2001, namelijk dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn, om te erkennen dat een overdracht van een vordering door de oorspronkelijke schuldeiser invloed kan hebben op de bepaling van het bevoegde gerecht volgens artikel 5, 3. van die verordening.

Gelet op de voorgaande overwegingen, moet op de zevende vraag worden geantwoord dat de omstandigheid dat de betrokken vordering door de oorspronkelijke schuldeiser is overgedragen aan een andere schuldeiser, in omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, niet van invloed is op de bepaling van het bevoegde gerecht op grond van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001.

Kosten
(…)

Het Hof (5de kamer) verklaart voor recht:

Het begrip “verbintenissen uit onrechtmatige daad” in artikel 5, 3. van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op door een schuldeiser van een vennootschap ingediende vorderingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die erop gericht zijn om, enerzijds, een bestuurslid en, anderzijds, een aandeelhouder van de vennootschap aansprakelijk te stellen voor de schulden van de vennootschap, op grond dat zij het mogelijk hebben gemaakt dat die vennootschap haar werkzaamheden voortzette ofschoon er sprake was van onderkapitalisatie en de vennootschap in vereffening diende te gaan.

Het begrip “plaats waar bet schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in artikel 5, 3. van verordening nr. 44/ 2001 moet aldus worden uitgelegd dat voor vorderingen die ertoe strekken, een bestuurslid en een aandeelhouder van een vennootschap aansprakelijk te stellen voor de schulden van die vennootschap, die plaats zich bevindt in de plaats waarmee de door die vennootschap verrichte werkzaamheden en de financiële situatie met betrekking tot die werkzaamheden verband houden.

De omstandigheid dat de betrokken vordering door de oorspronkelijke schuldeiser is overgedragen aan een andere schuldeiser is in omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, niet van invloed op de bepaling van het bevoegde gerecht op grond van artikel 5, 3. van verordening nr. 44/2001.

 

Noot: 

Zakelijke rechten over onroerende goederen IPR

HvJ, 03/04/2014, R.A.B.G., 2014/12, p. 798-804

(I. Weber / M. Weber)

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht München (Duitsland) bij beslissing van 16 februari 2012, ingekomen bij het Hof op 2 oktober 2012.

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 oktober 2013,

gelet op de opmerkingen van:

I. Weber, vertegenwoordigd door A. Seitz, Rechtsanwalt,
M. Weber, vertegenwoordigd door A. Kloyer, Rechtsanwalt, F. Calmetta, avvocato, en H. Prütting,
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. Beeko als gemachtigde, bijgestaan door M. Gray, barrister,
de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door D. Klingele als gemachtigde,
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Bogensberger en M. Wilderspin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 2014,

het navolgende

Arrest

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 22, 1., 27 en 28 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( Pb.2001, L. 12, blz. 1).

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen I. Weber en haar zus, M. Weber, waarin I. Weber vordert dat M. Weber wordt gelast haar toestemming te verlenen voor de inschrijving van I. Weber in het kadaster als eigenaar.

Toepasselijke bepalingen
(…)

Hoofdgeding en prejudiciële vragen
De zussen I. Weber (82) en M. Weber (78) zijn voor respectievelijk 6/10 en 4/10 mede-eigenaar van een stuk grond te München (Duitsland).

Op basis van een notariële akte van 20 december 1971 is ten gunste van I. Weber in het kadaster een zakelijk voorkooprecht op M. Weber's aandeel van 4/10 ingeschreven.

M. Weber heeft bij notariële overeenkomst van 28 oktober 2009 haar aandeel van 4/10 verkocht aan Z. GbR, een vennootschap naar Duits recht waarvan haar zoon, F. Calmetta, een advocaat uit Milaan (Italië), een van de zaakvoerders is. Een beding in die overeenkomst bepaalde dat M. Weber deze, als verkoper, onder bepaalde voorwaarden tot en met 28 maart 2010 kon herroepen.

De notaris die deze overeenkomst te München had verleden, heeft I. Weber ingelicht, die bij brief van 18 december 2009 haar voorkooprecht op dat aandeel van het onroerend goed heeft uitgeoefend.

Bij een op 25 februari 2010 voor die notaris gesloten overeenkomst hebben I. Weber en M. Weber nogmaals uitdrukkelijk erkend dat I. Weber haar voorkooprecht daadwerkelijk had uitgeoefend en zijn zij overeengekomen de eigendom aan haar over te dragen tegen dezelfde prijs als die in de koopovereenkomst tussen M. Weber en Z. GbR. Zij hebben de notaris evenwel verzocht de nodige stappen voor inschrijving van de eigendomsoverdracht in het kadaster overeenkomstig § 873, lid 1 BGB pas te nemen nadat M. Weber tegenover hem schriftelijk had verklaard dat zij haar herroepingsrecht niet binnen de gestelde termijn - die eindigde op 28 maart 2010 - had uitgeoefend of dat zij van dat recht in de overeenkomst met Z. GbR had afgezien. Op 2 maart 2010 heeft I. Weber de overeengekomen koopprijs van 4.000.000 EUR betaald.

Bij brief van 15 maart 2010 heeft M. Weber verklaard dat zij op basis van de overeenkomst van 28 oktober 2009 haar herroepingsrecht jegens I. Weber uitoefende.

Bij verzoekschrift van 29 maart 2010 heeft Z. GbR een vordering ingesteld tegen I. Weber en M. Weber bij het tribunale ordinario di Milano (burgerlijke rechtbank te Milaan) (Italië), waarbij zij verzocht vast te stellen dat I. Weber haar voorkooprecht niet geldig had uitgeoefend en dat de overeenkomst tussen M. Weber en haarzelf geldig was.

Op 15 juli 2010 heeft I. Weber bij het Landgericht München I (Duitsland) een vordering ingesteld tegen M. Weber om haar te gelasten haar toestemming te verlenen voor de inschrijving van de eigendomsoverdracht van het betreffende aandeel van 4/10 in het kadaster. Ter ondersteuning van haar beroep heeft I. Weber met name aangevoerd dat het tussen Z. GbR en M. Weber bedongen herroepingsrecht geen deel uitmaakte van de contractuele bedingen die door de uitoefening van haar voorkooprecht ook voor haar gelden.

Het Landgericht München I heeft zijn uitspraak aangehouden op grond van artikel 27, 1. van verordening nr. 44/2001 en, subsidiair, artikel 28, 1. en 3. van die verordening, gelet op de lopende procedure bij het tribunale ordinario di Milano. I. Weber heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht München (Duitsland).

Van oordeel dat de in artikel 27, 1. van die verordening neergelegde voorwaarden of ten minste die van artikel 28, 1. en 3. daarvan in beginsel waren vervuld, heeft het Oberlandesgericht München de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

“Ziet artikel 27 van verordening [...] nr. 44/2001 [...] ook op gevallen waarbij twee partijen in het ene geding als verweerders terechtstaan omdat een derde een rechtsvordering tegen hen heeft ingesteld, en zij in het andere geding tegenover elkaar staan als verzoekende en verwerende partij? Betreft een dergelijk geval een geschil 'tussen dezelfde partijen' of moeten de verschillende rechtsvorderingen die de verzoeker in het ene geding tegen beide verweerders heeft ingesteld, afzonderlijk worden onderzocht, zodat niet kan worden uitgegaan van een geschil 'tussen dezelfde partijen'?

Gaat het om rechtsvorderingen die 'hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten' als bedoeld in artikel 27 van verordening nr. 44/2001 wanneer de middelen van het beroep en de ter onderbouwing ervan aangevoerde argumenten in beide procedures weliswaar verschillen, maar voor de afdoening van beide vorderingen eerst eenzelfde voorvraag moet worden beantwoord, of in het ene geding subsidiair wordt verzocht om vaststelling van een rechtsverhouding die in het andere geding een rol speelt als een voorvraag?

Vormt de rechtsvordering die ertoe strekt te doen vaststellen dat de verweerder zijn - naar Duits recht vaststaand - voorkooprecht op een in Duitsland gelegen perceel grond niet rechtsgeldig heeft uitgeoefend, een rechtsvordering met betrekking tot een zakelijk recht op een onroerend goed als bedoeld in artikel 22, 1. van verordening nr. 44/2001?

Moet het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht in het kader van zijn uitspraak overeenkomstig artikel 27, 1. van verordening nr. 44/2001 - en dus nog voordat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht op de bevoegdheidsvraag heeft beslist - nagaan of het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht onbevoegd is volgens artikel 22, 1. van verordening nr. 44/2001, aangezien die onbevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht volgens artikel 35, 1. van verordening nr. 44/2001 tot gevolg kan hebben dat een eventuele beslissing van dit gerecht niet wordt erkend? Geldt artikel 27, 1. van verordening nr. 44/2001 niet voor het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, wanneer het tot de conclusie komt dat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht onbevoegd is volgens artikel 22, 1. van deze verordening?

Moet het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht in het kader van zijn uitspraak overeenkomstig artikel 27, 1. van verordening nr. 44/2001 - en dus nog voordat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht op de bevoegdheidsvraag heeft beslist - het door de ene partij gemaakte verwijt onderzoeken dat de andere partij rechtsmisbruik heeft gepleegd door beroep in te stellen bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht? Kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, artikel 27, 1. van verordening nr. 44/2001 niet toepassen, wanneer het tot de conclusie komt dat de andere partij rechtsmisbruik heeft gepleegd door een rechtsvordering in te stellen bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht?

Is voor toepassing van artikel 28, 1. van verordening nr. 44/2001 vereist dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, eerst vaststelt dat artikel 27 van deze verordening in het betrokken geval niet van toepassing is?

Kan bij de uitoefening van de in artikel 28, 1. van verordening nr. 44/2001 bedoelde beoordelingsbevoegdheid, rekening worden gehouden met:

de omstandigheid dat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, gevestigd is in een lidstaat waar rechtsgedingen statistisch gezien veel langer duren dan in de lidstaat van het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht;
de omstandigheid dat het gerecht waarbij de zaak voor het laatst is aangebracht van oordeel is dat het recht van de lidstaat, waar het gerecht gevestigd is waarbij de zaak het laatst is aangebracht, moet worden toegepast;
de leeftijd van een partij;
de kans van slagen van de rechtsvordering die is ingesteld bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht?
Moet bij de uitlegging en toepassing van de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 44/2001 niet alleen worden getracht onverenigbare of tegenstrijdige beslissingen te vermijden, maar dient ook het recht van de tweede verzoeker op toegang tot de rechter in acht te worden genomen?”

Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
(…)

Beantwoording van de prejudiciële vragen
Derde vraag
(…)

Vierde vraag
Met deze vraag, die als tweede moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 27, 1. van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat de als laatste aangezochte rechter, vooraleer hij zijn uitspraak aanhoudt op grond van die bepaling, moet onderzoeken of een eventuele beslissing ten gronde van de als eerste aangezochte rechter overeenkomstig artikel 35, 1. van deze verordening niet zal worden erkend in de andere lidstaten wegens schending van de in artikel 22, 1. van die verordening neergelegde exclusieve bevoegdheid.

In herinnering zij gebracht dat volgens de bewoordingen van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 bij aanhangigheid de als laatste aangezochte rechter zijn uitspraak ambtshalve moet aanhouden totdat de bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter vaststaat en, zodra dat het geval is, partijen naar die rechter moet verwijzen.

Het Hof heeft in een zaak over de vraag of de als laatste aangezochte rechter ingevolge artikel 21 van het executieverdrag - dat overeenstemt met artikel 27 van verordening nr. 44/2001 - gerechtigd of verplicht is de bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter te onderzoeken, geoordeeld dat behoudens het geval waarin de als laatste aangezochte rechter beschikt over een van de exclusieve bevoegdheden die in het executieverdrag, en met name in artikel 16 daarvan, worden genoemd, artikel 21, inzake aanhangigheid, aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer de bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter wordt betwist, de als laatste aangezochte rechter, indien hij niet tot verwijzing overgaat, slechts zijn uitspraak mag aanhouden en de bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter niet zelf mag onderzoeken (zie arrest van 27 juni 1991, C-351/89, Overseas Union Insurance e.a., Jur., p. I-3317, punten 20 en 26).

Aangezien in die zaak geen exclusieve bevoegdheid van de als laatste aangezochte rechter geldend was gemaakt, heeft het Hof dus niet geprejudicieerd op de uitlegging die van artikel 21 van het executieverdrag moet worden gegeven in het geval waarvoor het specifiek een uitzondering had gemaakt (arresten van 9 december 2003, C-116/02, Gasser, Jur., p. I-14693, punt 45, en 27 februari 2014, C-1/13, Cartier parfums - lunettes et Axa Corporate Solutions assurances, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 26).

Het Hof heeft later, in het reeds aangehaalde arrest Gasser, naar aanleiding van een vraag over het verband tussen artikel 21 van het executieverdrag en artikel 17 daarvan betreffende exclusieve bevoegdheid op basis van een forumkeuzebeding - dat overeenkomt met artikel 23 van verordening nr. 44/2001 - geoordeeld dat de omstandigheid dat de bevoegdheid van de als laatste aangezochte rechter geldend wordt gemaakt op grond van artikel 17 van het executieverdrag niet afdoet aan de toepassing van de procedureregel van artikel 21, die duidelijk en uitsluitend is gebaseerd op de chronologische volgorde waarin de betrokken rechters zijn aangezocht.

Zoals echter in punt 47 van het onderhavige arrest is opgemerkt, en anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest Gasser, beschikt de als laatste aangezochte rechter in het onderhavige geding over een exclusieve bevoegdheid op grond van artikel 22, 1. van verordening nr. 44/2001, dat is opgenomen in Afdeling 6 van Hoofdstuk II daarvan.

Volgens artikel 35, 1. van die verordening worden de in een lidstaat gegeven beslissingen niet erkend in een andere lidstaat wanneer de bepalingen van Afdeling 6 van Hoofdstuk II van de verordening, inzake exclusieve bevoegdheid, zijn geschonden.

In een geval zoals in het hoofdgeding kan een beslissing van de als eerste aangezochte rechter die in strijd is met artikel 22, 1. van de verordening dus niet worden erkend in de lidstaat van de als laatste aangezochte rechter.

In die omstandigheden mag de als laatste aangezochte rechter dus niet langer zijn uitspraak aanhouden of zich onbevoegd verklaren, maar moet hij ter nakoming van die exclusieve bevoegdheidsregel op de bij hem aanhangige zaak ten gronde beslissen.

Elke andere uitlegging zou ingaan tegen de doelstellingen aan de basis van de opzet van verordening nr. 44/2001, zoals een harmonische rechtsbedeling door het vermijden van negatieve bevoegdheidsconflicten, en het vrij verkeer van beslissingen in burgerlijke zaken en handelszaken, met name de erkenning daarvan.

Zoals de advocaat-generaal in wezen eveneens heeft opgemerkt in punt 41 van zijn conclusie, is immers geen sprake van een goede rechtsbedeling wanneer de als laatste aangezochte rechter die exclusief bevoegd is op grond van artikel 22, 1. van verordening nr. 44/2001, krachtens artikel 27 van die verordening zijn uitspraak aanhoudt totdat de bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter vaststaat en, zodra dat het geval is, partijen verwijst naar die rechter.

Bovendien zou de doelstelling van artikel 27 van die verordening - vermijden dat een beslissing niet wordt erkend wegens onverenigbaarheid met een beslissing tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat - in het gedrang kunnen komen in de bijzondere context waarin de als laatste aangezochte rechter exclusief bevoegd is op grond van artikel 22, 1. van die verordening.

Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 27, 1. van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat de als laatste aangezochte rechter, vooraleer hij zijn uitspraak aanhoudt op grond van die bepaling, moet onderzoeken of een eventuele beslissing ten gronde van de als eerste aangezochte rechter overeenkomstig artikel 35, 1.van deze verordening niet zal worden erkend in de andere lidstaten wegens schending van de in artikel 22, 1. van die verordening neergelegde exclusieve bevoegdheid.

Eerste, tweede en vijfde tot en met achtste vraag
De eerste, de tweede en de vijfde tot en met de achtste vraag betreffen enerzijds de werkingssfeer van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 en de factoren die de als laatste aangezochte rechter in aanmerking moet nemen wanneer hij beslist zijn uitspraak aan te houden in het geval van aanhangigheid, en anderzijds het verband tussen de artikelen 27 en 28 van die verordening en de criteria die de als laatste aangezochte rechter kan hanteren wanneer hij gebruikmaakt van zijn beoordelingsbevoegdheid in het geval van samenhang.

Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in punt 20 van zijn conclusie, hoeft de als laatste aangezochte rechter die exclusief bevoegd is op grond van artikel 22, 1. van verordening nr. 44/2001 niet te onderzoeken of de materiële voorwaarden voor aanhangigheid zijn vervuld met betrekking tot het geding dat bij hem als laatste is aangebracht.

Een dergelijk onderzoek is immers zinloos, aangezien de als laatste aangezochte rechter in het kader van zijn beslissing op grond van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 rekening mag houden met de omstandigheid dat een eventuele beslissing van de als eerste aangezochte rechter overeenkomstig artikel 35, 1. van die verordening niet zal worden erkend in de andere lidstaten wegens schending van de exclusieve bevoegdheid in artikel 22, 1. daarvan.

De vraag met welke factoren de als laatste aangezochte rechter bij aanhangigheid rekening kan houden met het oog op zijn beslissing, rijst dus niet meer.

Hetzelfde geldt voor de vragen over het verband tussen de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 44/2001 en de criteria die de als laatste aangezochte rechter kan hanteren wanneer hij gebruikmaakt van zijn beoordelingsbevoegdheid in het geval van samenhang. Wanneer de als laatste aangezochte rechter exclusief bevoegd is, zoals in het hoofdgeding, kunnen de bepalingen van de artikelen 27 en 28 van die verordening immers niet met elkaar in conflict komen.

Gezien het antwoord op de derde en de vierde vraag hoeft dus niet te worden geantwoord op de eerste, de tweede en de vijfde tot en met de achtste vraag.

Kosten
(…)

Het Hof (3de kamer) verklaart voor recht:

(…)

Artikel 27, 1. van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat de als laatste aangezochte rechter, vooraleer hij zijn uitspraak aanhoudt op grond van die bepaling, moet onderzoeken of een eventuele beslissing ten gronde van de als eerste aangezochte rechter overeenkomstig artikel 35, ., van deze verordening niet zal worden erkend in de andere lidstaten wegens schending van de in artikel 22, 1. van die verordening neergelegde exclusieve bevoegdheid.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 07/07/2017 - 08:11
Laatst aangepast op: vr, 07/07/2017 - 08:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.