-A +A

IPR en bevoegdheid, geldigheid van een forumbeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 12/09/2011

Appellante werpt in het verzoekschrift tot hoger beroep het gebrek aan rechtsmacht op van de Belgische gerechten om van de onderhavige zaak kennis te nemen, en verzoekt de zaak te verwijzen naar de rechtbank van koophandel bij de Royal Court of Justice, Strand, London WC2 A2LL.

Geïntimeerde q.q. betwist deze stelling, aanvoerende:

- dat op meerdere facturen van de BVBA H. (stukken 1, 2, 3 en 7 van geïntimeerde q.q.) volgend forumbeding is opgenomen: "Elke betwisting wordt volgens het Belgisch recht beslecht en zal tot de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbanken van Antwerpen behoren";
- dat appellante meerdere malen kennis heeft gekregen van de voorwaarden opgenomen in het forumbeding;
- dat appellante bovendien andere facturen heeft betaald en derhalve uitdrukkelijk aanvaard heeft;
- dat er nooit enige vorm van protest is vastgesteld vanwege appellante;

en dat zodoende de Belgische gerechten op grond van artikel 23 EEX-Vo wel degelijk rechtsmacht hebben om van onderhavig geschil kennis te nemen.

Bijgevolg dient in casu te worden onderzocht of aan de vereisten van een volgens artikel 23 EEX-Vo geldige forumkeuze is voldaan.

1.
Artikel 23 EEX-Vo onderwerpt het inroepen van een forumbeding aan drie voorwaarden: dat minstens een van de partijen zijn woonplaats heeft in een lidstaat, dat het geschil een grensoverschrijdend karakter vertoont en dat de rechter van een lidstaat wordt aangeduid.

Ook volgens artikel 23 EEX-Vo kan een forumbeding enkel binden wanneer het deel uitmaakt van een schriftelijke overeenkomst of een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, beantwoordt aan een vorm die tussen partijen gebruikelijk is of geldt volgens de gebruiken van de internationale handel.

1.1.
In casu is geen sprake van een schriftelijke overeenkomst tussen partijen.

1.2.
Er is evenmin sprake van een mondelinge overeenkomst, die daarna door een van beide partijen schriftelijk werd bevestigd, nu de door geïntimeerde q.q. overgelegde 13 facturen, voorwerp van zijn vordering, geen algemene voorwaarden vermelden, en dus ook geen forumbeding (stukken 2 t.e.m. 14 van geïntimeerde q.q.).

De tevens door geïntimeerde q.q. overgelegde facturen (3) van respectievelijk 7 januari 2009, 8 januari 2009 en 9 januari 2009, "zoals" (volgens geïntimeerde q.q.) "ontvangen door appellante" (stukken 15 t.e.m. 16 van geïntimeerde q.q.), en die blijkbaar volgens geïntimeerde q.q. dezelfde zijn als de facturen vermeld onder de stukken 2, 3 en 4 van appellante en wel een forumbeding ten voordele van de rechtbanken van Antwerpen bevatten, zijn niet van aard om hieraan afbreuk te doen, nu:

- het niet bewezen is dat het om dezelfde facturen gaat, aangezien, hoewel de gefactureerde bedragen wel blijken overeen te stemmen, de opmaak van de facturen, het nummer van de facturen, een gedeelte van de erop aangebrachte vermeldingen, alsook de betalingsvoorwaarden, niet met elkaar overeenstemmen en duidelijk van elkaar afwijken;
- zelfs indien het om dezelfde facturen zou gaan - quad non, zie hierboven - het evenmin duidelijk is welke van de twee exemplaren, nl. het exemplaar met forumbeding of het exemplaar zonder forumbeding, aan appellante werd overgemaakt.

Bijgevolg is het niet bewezen dat in door geïntimeerde uitgestelde facturen een forumbeding was bedongen, laat staan dat hierover wilsovereenstemming tussen partijen is tot stand gekomen.

Ten overvloede kan bovendien worden opgemerkt dat wat betreft de schriftelijke bevestiging van een mondelinge overeenkomst, er vooreerst een specifieke afspraak over de bevoegdheid moet gemaakt zijn, en het duidelijk moet zijn dat partijen mondeling akkoord waren over dat beding; dat bijgevolg, zelfs in de veronderstelling dat in de door geïntimeerde q.q. uitgestelde facturen een forumbeding was bedongen - quad non, zie hierboven - de afwezigheid van protest niet toelaat te veronderstellen dat appellante het forumbeding heeft aanvaard. De factuur komt immers tot stand nadat de overeenkomst is ontstaan, zodat het geen forumbeding aan deze overeenkomst vermag toe te voegen.

Ten slotte kan nogmaals ten overvloede worden opgemerkt dat een forumbeding tot bepaling van internationale rechtsmacht, dat krachtens artikel 23 EEX-Vo is opgenomen in de algemene contractvoorwaarden, slechts uitwerking kan hebben indien deze voorwaarden gebruikelijk zijn in de handelsrelatie tussen partijen, hetgeen veronderstelt dat er nog andere transacties zijn dan die welke het voorwerp uitmaken van het onderhavig geding.

Het is in casu niet bewezen dat tussen appellante en geïntimeerde q.q. andere handelstransacties hebben plaats gevonden dan dezen die het voorwerp zijn van onderhavige procedure, nu geïntimeerde q.q. geen bewijs levert van zijn bewering dat appellante andere facturen heeft aanvaard en betaald. Bijgevolg wordt evenmin het bewijs geleverd van lopende handelsbetrekkingen.

2.
Gelet op het voorgaande is derhalve niet bewezen dat in casu een forumbeding in de factuurvoorwaarden van geïntimeerde q.q. was bedongen, laat staan dat aan de vormvereisten van artikel 23, 1., sub b) EEX-Vo is voldaan en dat er wilsovereenstemming tussen partijen was over een internationaal bevoegdheidsbeding ten gunste van de rechtbanken van Antwerpen.

Nu tussen partijen geen wilsovereenstemming is tot stand gekomen met betrekking tot de aanwijzing van de rechter te Antwerpen als bevoegde rechter, die voldoet aan een van de door artikel 23 EEX-Vo voorgeschreven wijzen van totstandkoming, heeft de Belgische rechter op grond van artikel 23 EEX-Vo geen rechtsmacht om kennis te nemen van de vorderingen van geïntimeerde q.q.
 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Jaargang: 
2013/18
Pagina: 
1243
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Integrale inhoud van het arrest.

P.S.F.A.V.I. LTD./MR.J. MEERTS, CURATOR VAN HET FAILLISSEMENT VAN DE BVBA. H.
Tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 10 juni 2009;

niet verschenen noch vertegenwoordigd;

Gelet op het tussenarrest van 29 november 2010, waarbij het hoger beroep werd ontvangen, en alvorens verder enige uitspraak te doen, geïntimeerde q.q. standpunt diende in te nemen omtrent de door appellante opgeworpen exceptie van gebrek aan rechtsmacht.

I.
Geïntimeerde q.q. eist thans op grond van artikel 703, derde lid Ger.W. dat appellante (als rechtspersoon) de identiteit mededeelt van de natuurlijke personen die haar organen zijn, aanvoerende dat, gelet op het feit dat appellante een vennootschap naar Engels recht is, het verre van zeker is dat het verzoekschrift tot hoger beroep is ingesteld door een orgaan dat daartoe bevoegd is; dat hij, in geval van onregelmatigheid, verzoekt het verzoekschrift tot hoger beroep onontvankelijk te verklaren.

Te dezen dient vooreerst te worden opgemerkt dat bij tussenarrest van 29 november 2010 het hoger beroep reeds ontvankelijk werd verklaard, en dat dit arrest op dit punt definitief is.

1.
Krachtens het derde lid van artikel 703 Ger.W., heeft de partij tegen wie een akte, als bedoeld in het tweede lid, wordt ingeroepen, het recht in iedere stand van het geding te eisen dat de rechtspersoon de identiteit mededeelt van de natuurlijke personen, die zijn organen zijn. Bij toepassing van het laatste lid van artikel 703 Ger.W. kan de zaak worden uitgesteld zolang aan deze vordering niet is voldaan.

De in het derde lid bedoelde mededeling heeft een louter informatieve functie en uitsluitend tot doel, ten titel van inlichting, wettelijke informatie te verstrekken omtrent de samenstelling van alle organen en niet alleen van de organen die de beslissing om in rechte op te treden hebben genomen. De finaliteit van de bepaling is de tegenpartij de mogelijkheid te bieden te kunnen onderzoeken of de rechtspersoon wel rechtsgeldig in rechte wordt vertegenwoordigd en of de beslissingen tot en in verband met het voeren van de procedure regelmatig, rechtmatig en door de bevoegde organen werden genomen.

De in artikel 703, derde lid Ger.W. genoemde vordering is geen vordering maar wel een opschortende procedurele exceptie, die inhoudt dat de rechter, indien hij op het verzoek ingaat, de behandeling van de zaak kan schorsen tot aan het geformuleerde verzoek is voldaan.

2.
Bij gebrek aan overlegging van de namen van de natuurlijke personen die de organen van de rechtspersoon zijn (art. 703, derde lid Ger.W.), mag niet zonder meer geconcludeerd worden dat de proceshandeling noch beslist, noch tijdig bekrachtigd werd door het daartoe bevoegde orgaan. Artikel 703 Ger.W. heeft immers niet tot doel de samenstelling van het bevoegde orgaan op de dag waarop opdracht werd gegeven tot de proceshandeling te vernemen, maar wel de samenstelling van alle organen van de vennootschap te doen kennen.

Op zich heeft de mededelingsplicht van artikel 703 Ger.W. slechts een informatieve functie waarvan het enkele verzuim niet volstaat om ertoe te besluiten dat de proceshandeling niet gelast werd door het daartoe bevoegde orgaan. De sanctie van zulk verzuim is, zoals hierboven reeds gezegd, normalerwijze de opschorting van de uitspraak (art. 703, vierde lid Ger.W.).

Nu geïntimeerde q.q. evenwel geen gewag maakt van gegevens die ernstige twijfels kunnen wekken over de bevoegdheid van het orgaan van appellante dat beslist heeft om hoger beroep in te stellen, en de bewijslast rust op geïntimeerde q.q. die de regelmatigheid van de beslissing van appellante om hoger beroep in te stellen betwist, toont geïntimeerde q.q. niet afdoende naar recht aan dat zijn betwisting gegrond is.

3.
De door geïntimeerde opgeworpen exceptie van artikel 703 Ger.W. wordt derhalve verworpen als ongegrond.

II.

A.
Appellante werpt in het verzoekschrift tot hoger beroep het gebrek aan rechtsmacht op van de Belgische gerechten om van de onderhavige zaak kennis te nemen, en verzoekt de zaak te verwijzen naar de rechtbank van koophandel bij de Royal Court of Justice, Strand, London WC2 A2LL.

Geïntimeerde q.q. betwist deze stelling, aanvoerende:

- dat op meerdere facturen van de BVBA H. (stukken 1, 2, 3 en 7 van geïntimeerde q.q.) volgend forumbeding is opgenomen: "Elke betwisting wordt volgens het Belgisch recht beslecht en zal tot de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbanken van Antwerpen behoren";
- dat appellante meerdere malen kennis heeft gekregen van de voorwaarden opgenomen in het forumbeding;
- dat appellante bovendien andere facturen heeft betaald en derhalve uitdrukkelijk aanvaard heeft;
- dat er nooit enige vorm van protest is vastgesteld vanwege appellante;

en dat zodoende de Belgische gerechten op grond van artikel 23 EEX-Vo wel degelijk rechtsmacht hebben om van onderhavig geschil kennis te nemen.

Bijgevolg dient in casu te worden onderzocht of aan de vereisten van een volgens artikel 23 EEX-Vo geldige forumkeuze is voldaan.

1.
Artikel 23 EEX-Vo onderwerpt het inroepen van een forumbeding aan drie voorwaarden: dat minstens een van de partijen zijn woonplaats heeft in een lidstaat, dat het geschil een grensoverschrijdend karakter vertoont en dat de rechter van een lidstaat wordt aangeduid.

Ook volgens artikel 23 EEX-Vo kan een forumbeding enkel binden wanneer het deel uitmaakt van een schriftelijke overeenkomst of een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, beantwoordt aan een vorm die tussen partijen gebruikelijk is of geldt volgens de gebruiken van de internationale handel.

1.1.
In casu is geen sprake van een schriftelijke overeenkomst tussen partijen.

1.2.
Er is evenmin sprake van een mondelinge overeenkomst, die daarna door een van beide partijen schriftelijk werd bevestigd, nu de door geïntimeerde q.q. overgelegde 13 facturen, voorwerp van zijn vordering, geen algemene voorwaarden vermelden, en dus ook geen forumbeding (stukken 2 t.e.m. 14 van geïntimeerde q.q.).

De tevens door geïntimeerde q.q. overgelegde facturen (3) van respectievelijk 7 januari 2009, 8 januari 2009 en 9 januari 2009, "zoals" (volgens geïntimeerde q.q.) "ontvangen door appellante" (stukken 15 t.e.m. 16 van geïntimeerde q.q.), en die blijkbaar volgens geïntimeerde q.q. dezelfde zijn als de facturen vermeld onder de stukken 2, 3 en 4 van appellante en wel een forumbeding ten voordele van de rechtbanken van Antwerpen bevatten, zijn niet van aard om hieraan afbreuk te doen, nu:

- het niet bewezen is dat het om dezelfde facturen gaat, aangezien, hoewel de gefactureerde bedragen wel blijken overeen te stemmen, de opmaak van de facturen, het nummer van de facturen, een gedeelte van de erop aangebrachte vermeldingen, alsook de betalingsvoorwaarden, niet met elkaar overeenstemmen en duidelijk van elkaar afwijken;
- zelfs indien het om dezelfde facturen zou gaan - quad non, zie hierboven - het evenmin duidelijk is welke van de twee exemplaren, nl. het exemplaar met forumbeding of het exemplaar zonder forumbeding, aan appellante werd overgemaakt.

Bijgevolg is het niet bewezen dat in door geïntimeerde uitgestelde facturen een forumbeding was bedongen, laat staan dat hierover wilsovereenstemming tussen partijen is tot stand gekomen.

Ten overvloede kan bovendien worden opgemerkt dat wat betreft de schriftelijke bevestiging van een mondelinge overeenkomst, er vooreerst een specifieke afspraak over de bevoegdheid moet gemaakt zijn, en het duidelijk moet zijn dat partijen mondeling akkoord waren over dat beding; dat bijgevolg, zelfs in de veronderstelling dat in de door geïntimeerde q.q. uitgestelde facturen een forumbeding was bedongen - quad non, zie hierboven - de afwezigheid van protest niet toelaat te veronderstellen dat appellante het forumbeding heeft aanvaard. De factuur komt immers tot stand nadat de overeenkomst is ontstaan, zodat het geen forumbeding aan deze overeenkomst vermag toe te voegen.

Ten slotte kan nogmaals ten overvloede worden opgemerkt dat een forumbeding tot bepaling van internationale rechtsmacht, dat krachtens artikel 23 EEX-Vo is opgenomen in de algemene contractvoorwaarden, slechts uitwerking kan hebben indien deze voorwaarden gebruikelijk zijn in de handelsrelatie tussen partijen, hetgeen veronderstelt dat er nog andere transacties zijn dan die welke het voorwerp uitmaken van het onderhavig geding.

Het is in casu niet bewezen dat tussen appellante en geïntimeerde q.q. andere handelstransacties hebben plaats gevonden dan dezen die het voorwerp zijn van onderhavige procedure, nu geïntimeerde q.q. geen bewijs levert van zijn bewering dat appellante andere facturen heeft aanvaard en betaald. Bijgevolg wordt evenmin het bewijs geleverd van lopende handelsbetrekkingen.

2.
Gelet op het voorgaande is derhalve niet bewezen dat in casu een forumbeding in de factuurvoorwaarden van geïntimeerde q.q. was bedongen, laat staan dat aan de vormvereisten van artikel 23, 1., sub b) EEX-Vo is voldaan en dat er wilsovereenstemming tussen partijen was over een internationaal bevoegdheidsbeding ten gunste van de rechtbanken van Antwerpen.

Nu tussen partijen geen wilsovereenstemming is tot stand gekomen met betrekking tot de aanwijzing van de rechter te Antwerpen als bevoegde rechter, die voldoet aan een van de door artikel 23 EEX-Vo voorgeschreven wijzen van totstandkoming, heeft de Belgische rechter op grond van artikel 23 EEX-Vo geen rechtsmacht om kennis te nemen van de vorderingen van geïntimeerde q.q.

B.
Geïntimeerde q.q. wijst in ondergeschikte orde op het feit dat de BVBA H. bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 12 januari 2010 in staat van faillissement werd verklaard, en stelt dat in de gegeven omstandigheden:
- bij het onderzoek naar de rechtsmacht niet alleen rekening dient te worden met de EEX-Vo, maar ook naar de insolventieverordening;
- de insolventieverordening voorrang heeft op de EEX-Vo, daarbij verwijzend naar artikel 1, 2. van de EEX-Vo dat bepaalt dat de EEX-Vo niet van toepassing is op het faillissement;
- niet de Engelse rechter, maar de rechter van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van geïntimeerde q.q. gelegen is rechtsmacht (internationale bevoegdheid) heeft; dat, gezien zowel de werkelijke zetel als de statutaire zetel van geïntimeerde q.q. gelegen is te 2018 Antwerpen, (...), de Belgische gerechten, en meer in het bijzonder dit hof, rechtsmacht heeft om van onderhavig geschil kennis te nemen.

De stelling van geïntimeerde q.q. voormeld dat, gelet op het tussengekomen faillissement van de BVBA H., in casu de toepassing van de insolventieverordening steeds voorrang heeft op de EEX-Vo kan niet worden onderschreven.

De EEX-Vo is wel van toepassing op vorderingen van de curator die de gefailleerde (d.i. de BVBA H.) zelf had kunnen instellen. Wanneer, zoals in casu, de curator betaling vordert van de koopprijs van goederen die de gefailleerde voor de faillietverklaring aan een koper (appellante) had geleverd, oefent het faillissement geen bijzondere invloed uit op de vordering, behalve dat de curator hier als vertegenwoordiger van de schuldenaar optreedt.

De insolventieverordening mist derhalve daardoor toepassing op de onderhavige vordering van geïntimeerde q.q.

C.
Bij gebreke van rechterskeuze (forumkeuze), zoals voorzien in artikel 23 EEX-Vo, kan de eiser:
- in een geschil steeds vorderen voor de rechter van de woonplaats van de verweerder (in casu van appellante - art. 2 EEX-Vo), en:
- in een contractueel geschil (voor verbintenissen uit overeenkomst) eveneens vorderen voor de rechter van de plaats van uitvoering van de betwiste verbintenis (art. 5, 1. EEX-Vo).

1.
Artikel 5, 1., a) EEX-Vo bepaalt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

Krachtens artikel 5, 1., a) EEX-Vo blijft m.a.w. als basisregel dat verbintenissen uit overeenkomst eveneens kunnen worden gebracht voor de rechter van de plaats van de uitvoering van de betwiste verbintenis.

Artikel 5, 1., b) EEX-Vo bepaalt dat, voor de toepassing van artikel 5, 1., a) EEX-Vo, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van de uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat is, waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden.

Artikel 5, 1., b) definieert m.a.w. het "forum executionis contractus" voor o.m. de typeovereenkomst koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken. Zo geldt t.a.v. een internationale koop van roerende goederen, zoals in casu, de plaats waar de goederen volgens het contract werden geleverd of geleverd hadden moeten worden. Alle geschillen voortvloeiend uit de koop kunnen bijgevolg voor deze rechter worden gebracht.

Artikel 5, 1., c) bepaalt dat punt a) van toepassing is, indien punt b) niet van toepassing is. M.a.w. wanneer de plaats van uitvoering buiten een lidstaat ligt, wordt teruggegrepen naar de hoofdregel van artikel 5, 1., a) EEX-Vo (art. 5, 1., c) EEX-Vo).

2.
Wanneer, zoals in casu, geïntimeerde q.q. beweert dat er tussen partijen een of meer overeenkomsten van koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken zijn tot stand gekomen, dient de rechter, krachtens artikel 5, 1., b) EEX-Vo (plaats van levering van de kwestieuze goederen) vast te stellen of hij als rechter van de plaats van levering van de goederen over rechtsmacht beschikt.

Er ligt in casu geen overeenkomst voor tussen partijen waaruit de plaats van levering tussen hen blijkt en/of werd bepaald bij het sluiten van alle (beweerde) onderliggende overeenkomsten.

Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 5 december 2008 inzake de B.V. naar Nederlands recht K. / BVBA E.M. (RW 2009-10, nr. 10 van 7 november 2009) beslist dat de rechter de plaats van levering verordeningsautonoom diende te bepalen (d.w.z. dat voor het bepalen van de plaats van levering toepassing dient gemaakt van het door de EEX-Vo op autonome wijze bepaalde aanknopingspunt), en dat het bepalen van levering op grond van het Weens Koopverdrag artikel 5, 1., b) EEX-Vo schendt.

Nadat H. STORME in zijn noot onder dit arrest nog de mening was toegedaan dat het Hof van Cassatie met zijn oordeel (nl. dat de bepaling van de plaats van levering niet aan de hand van juridische maar van strikt feitelijke criteria dient te worden vastgesteld) een te ruime betekenis zou hebben gegeven aan het arrest Color Drack (HvJ 3 mei 2007, C-386/05), heeft het Hof van Justitie in zijn arrest van 25 februari 2010 in de zaak Car Trim GmbH / keySafety Systems Srl. (C-381/08) naar aanlei¬ding van een prejudiciële vraag van het Bundesgerichtshof over de betekenis van artikel 5, 1., b), EEX-Vo duidelijkheid verschaft over de wijze waarop de nationale rechter de plaats van levering als bedoeld in artikel 5, 1., sub b) EEX-Vo dient te bepalen, en wel als volgt:

"Artikel 5, 1., sub b), eerste streepje van verordening nr. 4412001 moet aldus worden uitgelegd dat bij een verzendingskoop de plaats waar de goederen krachtens de overeenkomst werden geleverd of hadden moeten geleverd, op basis van de bepalingen van de overeenkomst moet worden bepaald. Indien de plaats van levering niet aldus kan worden bepaald zonder dat het op de overeenkomst toepasselijk materieel recht wordt toegepast, is deze plaats de plaats van de materiële overdracht van de goederen waarmee de koper op de eindbestemming van de verkooptransactie de feitelijke macht om over deze goederen te beschikken heeft verkregen of had moeten verkrijgen."

Het Hof van Justitie heeft aldus in dit arrest duidelijk gesteld dat de Gemeenschaps-wetgever door de invoering van het begrip "plaats van levering" in artikel 5, 1., b) EEX-Vo uitdrukkelijk de conflictenrechtelijke methode of de "Tessili-rechtspraak met betrekking tot artikel 5, 1. van het toenmalige EEX-Verdrag (oftewel de recht¬spraak volgens dewelke de plaats van uitvoering van een verbintenis bepaald moet worden aan de hand van het recht dat erop van toepassing is), heeft willen bannen.

Wanneer partijen, zoals in casu, geen overeenkomst hebben gesloten over een bepaalde plaats van levering en/of geen bepaalde plaats van levering hebben bepaald, is derhalve de plaats van levering, in verband met de tussen partijen gesloten koopovereenkomsten, die ten grondslag liggen aan de vorderingen van geïntimeerde q.q., in toepassing van artikel 5, 1., b) EEX-Vo, de plaats van de materiële overdracht van de goederen, waarmee appellante op de eindbestemming van de verkooptransactie (in casu GB-( ... ), Verenigd Koninkrijk) de feitelijke macht om over de goederen te beschikken heeft verkregen of had moeten verkrijgen.

Nu niet betwist blijkt dat appellante de gefactureerde goederen heeft ontvangen op haar zetel te GB - ( ... ), Verenigd Koninkrijk, en appellante alleszins moet geacht worden aldaar de feitelijke macht om over de gefactureerde goederen te beschikken ontvangen te hebben, leidt dit tot rechtsmacht van de gerechten van het Verenigd Koninkrijk.

De Belgische rechter heeft derhalve evenmin op grond van artikel 5, 1. EEX-Vo rechtsmacht om van onderhavig geschil kennis te nemen.

3.
Nu de rechtsmacht van de Belgische rechter niet kan worden gesteund op artikel 23 EEX-Vo, noch op artikel 5, 1. EEX-Vo, is de hoofdregel van artikel 2, 1. EEX-Vo van toepassing (zijnde de bevoegde rechter van de woonplaats van appellante), op grond waarvan te dezen de gerechten van het Verenigd Koninkrijk rechtsmacht hebben.

Bij gevolg dient dit hof zich zonder rechtsmacht te verklaren om van onderhavig geschil kennis te nemen.

III.

Gelet op al het voorgaande, dienen de kosten van de beide aanleggen ten laste van geïntimeerde q.q. te worden gelegd, in hoofde van appellante niet begroot bij gebrek aan opgave.

OM DIE REDENEN HET HOF

Rechtdoende op tegenspraak in toepassing van artikel 74 7, § 2 Ger. W. ten aanzien van appellante.

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Het tussenarrest van 29 november 2010 verder uitwerkende.

Verklaart de door geïntimeerde q.q., overeenkomstig artikel 703, derde lid Ger.W., ingestelde vordering (die in se geen vordering is, maar wel een opschortende procedurele exceptie) ontvankelijk, doch ongegrond.

Verklaart het hoger beroep gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis.

Opnieuw wijzende,

Verklaart zich zonder rechtsmacht om van onderhavig geschil kennis te nemen.

Verwijst geïntimeerde q.q. in de kosten van de beide aanleggen, in hoofde van appellante niet begroot bij gebrek aan opgave.

Noot:

Caroline Clijmans, De “plaats van levering” in de zin van artikel 5.1.,b), eerste streepje EEX-verordering: Car Trim en Electrosteel Europe toegepast, RABG 2013 / 18, 1259.


Aanvullende rechtspraak:
• Hof van Beroep te Antwerpen, 19 november 2012, RABG 2013 / 18 pagina 1250.
(C. BVBA / 2. BVBA)
niet verschenen noch vertegenwoordigd;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis bij verstek tussen partijen gewezen op 27 juli 2011, door de rechtbank van koophandel te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd, waartegen een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld door verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof, op 30 augustus 2012.

Gehoord appellante ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2012.

Alhoewel behoorlijk opgeroepen bij gerechtsbrief van 31 augustus 2012 voor de openbare terechtzitting van 15 oktober 2012, is geïntimeerde niet, noch iemand voor haar, verschenen op de openbare terechtzitting voormeld van 15 oktober 2012. Appellante vorderde ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2012 verstek tegen geïntimeerde, dat werd verleend.

I.C. BVBA dagvaardde bij exploot van 24 mei 2011 2. BVBA in betaling van een saldo van een reeks facturen, zich uitstrekkend over een periode van 24 december 2008 tot en met 15 april 2009, ten bedrage van in totaal (27.887,61 EUR - betalingen ten bedrage van 8.089,40 EUR =) 15.036,70 EUR in hoofdsom, te vermeerderen met schadebeding ten bedrage van 10% op 22.969,74 EUR of 2.296,97 EUR en met interesten ten bedrage van 2.464,54 EUR, hetzij in totaal een bedrag van 19.798,21 EUR (stuk 26 van appellante), te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten op het bedrag van 15.036,70 EUR vanaf 24 maart 2011 tegen de herleide conventionele interestvoet van 8% (wet 2 augustus 2002) tot datum van dagvaarding en vanaf dan de gerechtelijke interesten tegen dezelfde herleide interestvoet van 8 % en de nalatigheidsinteresten tegen de gewone wettelijke interestvoet op 2.296,97 EUR tot de dag van algehele betaling, meer de kosten van het geding in haar hoofde begroot als volgt:
- dagvaardingskosten: p.m.
- RPV: 1.210,00 EUR
wegens levering van materialen voor cementgebonden industriële vloersystemen aan 2. BVBA.

De rechtbank van koophandel te Hasselt verklaarde zich in het bestreden vonnis van 2 7 juli 2011 zonder internationale rechtsmacht, en liet de kosten ten laste van C. BVBA, niet begroot zijnde in hoofde van 2. BVBA bij gebreke van omstandige opgave.

II. C. BVBA (appellante) verzoekt bij hervorming van het bestreden vonnis:
- te zeggen voor recht dat het hof internationaal bevoegd is om kennis te nemen van haar rechtsvordering, en vervolgens:
- haar uitgebreide hoofdvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens 2. BVBA te veroordelen om te betalen aan haar het bedrag van 21.563,07 EUR, samengesteld als volgt:
• hoofdsom: 22.969,74 EUR
• interesten herleid tot de interestvoet van artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002: 4.227,58 EUR
• schadebeding herleid tot 10%: 2.296,97 EUR
• te verminderen met betaling t.b.v. - 8.089,40 EUR
blijft een saldo van 21.563,07 EUR
te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten op het bedrag van 15.036,70 EUR vanaf 29 augustus 2012 tegen de herleide conventionele interestvoet van 8,5% (wet 2 augustus 2002) tot datum van dagvaarding en vanaf dan de gerechtelijke interesten tegen dezelfde herleide conventionele interestvoet van 8,5% en de nalatigheidsinteresten tegen de gewone wettelijke interestvoet op 2.296,97 EUR tot de dag van algehele betaling, en met de kosten van het geding, in haar hoofde begroot als volgt:
- dagvaardingskosten: 678,90 EUR
- akte van afgifte: 50,00 EUR
- RPV eerste aanleg: 1.210,00 EUR
- rolrecht hoger beroep: p.m.
- RPV hoger beroep: 1.210,00 EUR.

III. Wat betreft de rechtsmacht

De vordering van C. BVBA - zijnde een vennootschap naar Belgisch recht, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is in ( ... ) (België) - zoals ingeleid voor de eerste rechter, strekte ertoe 2. BVBA - zijnde een vennootschap naar Frans recht, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is in( ... ) (Frankrijk) - te horen veroordelen tot betaling van een openstaand facturensaldo wegens levering van goederen aan 2. BVBA.

1.Wanneer de partijen, van wie er tenminste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van de geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van deze lidstaat bevoegd (art. 23, 1. EEX-Vo). Deze overeenkomst tot aanwijzing van een gerecht wordt gesloten:
- hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;
- hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelswijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden;
- hetzij in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

1.1. Er ligt geen schriftelijke overeenkomst voor, noch een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, waarin de rechter van een lidstaat wordt aangewezen.
Volgens C. BVBA is een overeenkomst tot aanwijzing van de Belgische rechtbanken tot stand gekomen ingevolge de aanvaarding door 2. BVBA van de algemene voorwaarden, vermeld op de keerzijde van haar facturen, waarin een bevoegdheidsbeding is opgenomen. Zij wijst erop dat er tussen partijen courante handelsbetrekkingen bestonden, daarbij verwijzend naar meerdere door haar uitgestelde facturen; dat dezelfde algemene voorwaarden steeds op de keerzijde van de facturen voorkwamen en dat 2. BVBA deze voorwaarden nooit geprotesteerd heeft.

Artikel 14 van de overgelegde algemene voorwaarden (stuk 27 van appellante) - die volgens C. BVBA vermeld staan op de keerzijde van de facturen en waarnaar uitdrukkelijk op de voorzijde wordt verwezen - bepaalt, vrij vertaald: "In geval van betwisting is uitsluitend de rechtbank van het arrondissement Hasselt bevoegd."

1.2. De door C. BVBA overgelegde facturen vermelden op de keerzijde geen algemene voorwaarden, zodat het niet bewezen is dat op de keerzijde van de door C. aan 2. BVBA uitgestelde facturen algemene voorwaarden waren vermeld, noch dat, zelfs in de veronderstelling dat op de keerzijde van deze facturen algemene voorwaarden waren vermeld, deze algemene voorwaarden identiek dezelfde waren als de algemene voorwaarden die C. BVBA thans afzonderlijk onder stuk 27 overlegt.

Bijgevolg blijft C. BVBA in gebreke aan te tonen dat op de door haar aan 2. BVBA uitgestelde facturen een bevoegdheidsbeding was opgenomen, laat staan dat dit door 2. BVBA werd aanvaard.

1.3.Bovendien kan ten overvloede worden opgemerkt dat, zelfs in de veronderstelling dat op de keerzijde van de door C. BVBA aan het adres van 2. BVBA uitgestelde facturen algemene voorwaarden waren vermeld, waarin voormeld bevoegdheidsbeding was opgenomen (quad non, zie hierboven), de Belgische gerechten uit dit bevoegdheidsbeding ook geen rechtsmacht konden putten om kennis te nemen van het geschil tussen partijen.

1.3.1.Het akkoord dat volgens artikel 23, 1. EEX-Vo tussen partijen moet bestaan tot aanwijzing van een bevoegde rechter, kan niet worden afgeleid uit het uitblijven van elke reactie op het ontvangen, na het sluiten van het contract zelf, van een factuur of van algemene voorwaarden, waarin een forumbeding is opgenomen, noch uit de uitvoering van de overeenkomst.

Dit is nochtans anders en er kan worden aangenomen dat aan het vereiste van artikel 23, .1 EEX-Vo wel is voldaan, wanneer uit voorgaande regelmatige handelsbetrekkingen kan worden afgeleid dat de wederpartij het forumbeding op de facturen kende en aanvaardde.

Uit de door C. BVBA overgelegde stukken dient te worden afgeleid dat de eerste contacten tussen partijen dateren van eind november 2008 (e-mail van 28 november 2008 houdende bestelling) en dat de laatste bestelling dateert van midden maart 2009 (laatste factuur dateert blijkbaar van 16 maart 2009) - (stuk 22 van appellante).

De facturen die het voorwerp uitmaken van de betwisting werden opgesteld tussen 19 december 2008 en 16 maart 2009.
C. BVBA toont niet aan dat de aanvaarding door 2. BVBA van het forumbeding in casu kan worden afgeleid uit regelmatige handelsbetrekkingen, voorafgaand aan die waarop de betwisting betrekking heeft en waarbij dit forumbeding telkens op dezelfde wijze werd vermeld. Er kan slechts sprake zijn van gebruikelijke handelswijzen wanneer een courante handelsrelatie bestaat tussen partijen die de betreffende handelswijze voldoende lang toepassen om verplichtingen in de toekomst te scheppen. Het blijkt niet dat dit tussen partijen het geval was.

1.3.2.C. BVBA toont evenmin aan dat de vermelding van een forumbeding op de factuur, zonder enige voorafgaande mededeling, overeenstemt met een gewoonte, die geldt in de branche van de internationale handel, waarin de partijen werkzaam zijn en dat 2. BVBA dit gebruik kende of geacht werd te kennen.
C. BVBA kan er in dit verband niet mee volstaan te verwijzen naar de bewijskracht van de factuur en de factuurvoorwaarden in geval van stilzwijgende aanvaarding ervan naar Belgisch handelsrecht, of in algemene termen aan te voeren dat het in de internationale handel gebruikelijk zou zijn standaardvoorwaarden op te nemen in algemene factuurvoorwaarden. Zij reikt geen enkel gegeven aan waaruit zou kunnen worden besloten dat de door haar toegepaste handelswijze doorgaans in acht genomen wordt in haar handelsbranche, noch dat 2. BVBA daarvan op de hoogte was of moest zijn.

1.3.3. Bijgevolg konden de Belgische gerechten, ook in geval van factuurvoorwaarden van de C. BVBA met een forumbeding (quad non), om de hierboven vermelde redenen, geen rechtsmacht putten uit een overeenkomst tot aanwijzing van een rechter op grond van artikel 23, 1. EEX-Vo om kennis te nemen van het geschil tussen partijen.

2. C. BVBA beroept zich in ondergeschikte orde op artikel 5 EEX-Vo dat luidt als volgt:
"Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.

a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:
• voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
• voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is."

C. BVBA stelt meer bepaald dat de goederen, voorwerp van de facturen en van de onderliggende tussen partijen gesloten koop/verkoopovereenkomsten, gebeurden "AF FABRIEK" of "EX WORKS", en dat de Belgische rechtsinstanties bijgevolg bevoegd zijn om van het geschil kennis te nemen.
In het kader van de verordening wordt met deze bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst de plaats van levering dus vastgelegd als zelfstandig aanknopingscriterium dat kan worden toegepast op alle vorderingen uit een overeenkomst voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, en niet alleen op vorderingen die op de leveringsverplichting zelf zijn gebaseerd.

In de verordening zijn evenwel niet de begrippen "levering" of "plaats van levering" in de zin van artikel 5, 1., sub b), eerste streepje van deze verordening gedefinieerd.

De autonomie van de in artikel 5, 1., sub b) van de verordening geformuleerde aanknopingscriteria sluit uit dat de regels van internationaal privaatrecht van de lidstaat van het bevoegde gerecht en het op grond daarvan toepasselijk materieel recht worden toegepast.

Artikel 5, 1., sub b), eerste streepje van de EEX-Vo moet aldus worden uitgelegd dat bij verkoop op afstand de plaats waar de goederen volgens de overeenkomst werden geleverd of hadden moeten worden geleverd, op basis van de bepalingen van deze overeenkomst moet worden bepaald.

Om na te gaan of de plaats van levering is bepaald "volgens de overeenkomst", moet de aangezochte nationale rechter alle voorwaarden en alle relevante clausules van deze overeenkomst op basis waarvan deze plaats duidelijk kan worden aangewezen in beschouwing nemen. Dit omvat de voorwaarden en clausules die algemeen erkend en in de internationale handel gebruikelijk zijn, zoals de door de Internationale Kamer van Koophandel opgestelde Incoterms ("international commercial terms") in de in 2000 gepubliceerde versie.
Indien de plaats van levering niet aldus kan worden bepaald zonder toepassing van het op de overeenkomst toepasselijk materieel recht, is dit de plaats van de materiële overdracht van de goederen, waardoor de koper op de eindbestemming van de verkooptransactie de feitelijke beschikkingsmacht over deze goederen heeft verkregen of had moeten verkrijgen.

Uit de door C. BVBA overgelegde e-mails van 28 november 2008, 9 december 2008 en 23 februari 2009 uitgaande van 2. BVBA, houdende de plaatsing van bestelling van goederen bij C. BVBA (stukken 1 en 2 van appellante) - en voorwerp van de ingevorderde facturen - blijkt dat op deze orders wat betreft de levering steeds is vermeld: "LEVERING: Af fabriek ... ".

De Incoterm "EX WORKS - EXW" of "AF FABRIEK" betekent in principe:
- dat de verkoper (in casu C. BVBA) de goederen in het eigen magazijn ter beschikking stelt van de koper (in casu 2. BVBA);
- dat de koper (2. BVBA) de goederen in de magazijnen van de verkoper (C. BVBA) in ontvangst neemt; dat de koper op eigen kosten en risico alle schikkingen treft om de goederen naar hun bestemming te brengen (laden, uitvoerformaliteiten, uitvoervergunningen, enz.);

Uit deze orders blijkt aldus dat tussen partijen werd overeengekomen dat de levering van de goederen plaatsvond in de magazijnen van C. BVBA, gelegen te(".) (België),

Hetgeen bovendien bevestiging vindt in een e-mail van 2. BVBA van 28 november 2008 aan C. BVBA (stuk 1 van appellante), waarin tevens melding wordt gemaakt van: "P.S.: De grote lopende order halen wij af: vrijdag ".",alsook in een e-mail van 2. BVBA van 5 maart 2009 aan C. BVBA (stuk 20 van appellante) waarin eerste genoemde laat weten dat haar vervoerder voornemens is om de goederen bestemd voor I.i .) morgen (bij C. BVBA) op te halen.

Voormelde stukken in hun geheel genomen tonen afdoende naar recht aan dat in casu tussen partijen als plaats van levering van de goederen - voorwerp van de door C. BVBA in onderhavige procedure ingevorderde facturen ten aanzien van 2. BVBA, - was overeengekomen, het magazijn van C. BVBA, gelegen te I.v.) (België).

Bijgevolg kan C. BVBA zich aldus beroepen op artikel 5, 1., b), eerste streepje EEX-Vo, en hebben de Belgische gerechten, en inzonderheid dit hof wel degelijk rechtsmacht om kennis te nemen van de vordering van C. BVBA.

III. Wat betreft het toepasselijk recht

Nu de onderliggende overeenkomsten van de door C. BVBA gevorderde facturen internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken betreffen, geldt het Weens Koopverdrag in elk geval wanneer de landen waar respectievelijk de verkoper en de koper gevestigd zijn op het ogenblik dat zij de overeenkomst(en) sluiten, verdragsstaten zijn (art. 1, 1), a) C.I.S.G.).

Nu België, waar in casu de verkoper (C. BVBA) is gevestigd, een verdragsstaat is waar het Weens Koopverdrag van toepassing is vanaf 1 november 1997, en Frankrijk, waar in casu de koper (2. BVBA) is gevestigd, eveneens een verdragsstaat is waar het Weens Koopverdrag van toepassing is vanaf 1 januari 1988, moet de Belgische rechter het Weens Koopverdrag toepassen op de tussen partijen in 2008 en 2009 gesloten internationale koopovereenkomsten betreffende roerende goederen, die ten grondslag liggen van de door C. BVBA ten laste van 2. BVBA gevorderde facturen.

Vragen betreffende de door het C.I.S.G. geregelde onderwerpen die hierin niet uitdrukkelijk zijn beslist, worden opgelost aan de hand van de algemene beginselen waarop dit verdrag berust, of bij ontstentenis van zodanige beginselen, in overeenstemming met het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijk recht (art. 7, 2) C.I.S.G.).

Nu, zoals hierboven reeds gezegd, het niet bewezen is dat de algemene voorwaarden van C., volgens deze laatste vermeld op de keerzijde van de facturen, aan

2.

BVBA, bekend waren, laat staan aanvaard werden, kan er derhalve evenmin sprake zijn van een rechtskeuze ten voordele van het Belgisch recht, zoals bepaald in artikel 14 van die algemene voorwaarden.

Bij gebreke van rechtskeuze wordt het toepasselijk recht bepaald door de verwijzingsregel, uiteengezet in artikel 4 van het EVO.
Inzake wederkerige overeenkomsten, waarbij een verbintenis wordt geleverd tegen de betaling van een geldsom, kenmerkt het contract de prestatie waarvoor wordt betaald.

Koopovereenkomsten worden bijgevolg onderworpen aan de wet van de gewone verblijfplaats van de verkoper. Inzake koop van roerende lichamelijke zaken, primeert in België evenwel het Haagse Koopverdrag van 15 juni 1955 op de Europese verwijzingsregeling. Ook krachtens artikel 3, § 2 van dit Haags Verdrag wordt de koop geregeerd door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft.

Nu in casu C. BVBA (verkoper) haar maatschappelijke zetel gevestigd is te(".) (België), dient derhalve het Weens Koopverdrag in geval van leemten aangevuld te worden met het nationaal recht dat volgens haar IPR op de overeenkomst(en) van toepassing blijft, zijnde te dezen het Belgisch recht.

IV. Wat betreft de grond van de zaak

1. De (uitgebreide) vordering van C. BVBA tegen 2. BVBA in betaling van een openstaand facturensaldo is, bij gebreke van een tijdig en concreet protest van de facturen in kwestie door 2. BVBA (waardoor deze facturen in toepassing van art. 25 W.Kh. en op grond van het Weens Koopverdrag, als stilzwijgend aanvaard dienen te worden beschouwd), alsmede op grond van de overgelegde stukken, gegrond voor een bedrag in hoofdsom van 14.873,40 EUR (zie verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 30 augustus 2012, p. 3, punt 4.2.).

2. Aangezien, zoals hierboven reeds gezegd, het niet bewezen is dat de aan 2. BVBA uitgestelde facturen op de keerzijde algemene voorwaarden bevatten, noch dat deze in bevestigend geval dezelfde waren als deze door C. BVBA afzonderlijk overgelegd onder stuk 27, laat staan dat zij in de gegeven omstandigheden door 2. BVBA gekend en aanvaard werden, kan C. op grond van deze algemene voorwaarden uiteraard geen aanspraak maken op het in artikel 13 van haar onder stuk 2 7 overgelegde algemene voorwaarden bedongen schadebeding, herleid tot 10%, noch op de hierin bedongen conventionele interesten, herleid tot de interestvoet van artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002.

C. BVBA kan wel op grond van artikel 78 C.I.S.G. aanspraak maken op interesten bij niet-betaling of laattijdige betaling. Inderdaad uit artikel 78 C.I.S.G. volgt dat interest verschuldigd is bij laattijdige betaling.

Het C.I.S.G. bepaalt evenwel niet welke interestvoet geldt. Voor zover de algemene beginselen van het C.I.S.G. geen soelaas brengen wat betreft de toepasselijke rente, moet het antwoord, luidens artikel 7, 2) C.I.S.G. gezocht worden bij het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijk recht.

Naar Belgisch IPR wordt de interestvoet bepaald door de lex contractus, zijnde in casu, zoals hierboven reeds aangetoond, het Belgisch recht.

Dat de lex contractus de interestvoet oplevert, kan ook worden afgeleid uit het EVO, artikel 10, 1°, c): "de gevolgen van gehele of gedeeltelijke tekortkoming, daaronder begrepen de vaststelling van de schade voor zover hiervoor rechtsregels gelden" worden geregeld door de lex contractus. Hieruit volgt dat ook de interestvoet ter vergoeding van de schade wegens een wanbetaling luidens het EVO door de lex contractus wordt bepaald.

C. BVBA kan aldus krachtens het toepasselijk Belgisch recht op voormeld bedrag in hoofdsom van 14.873,40 EUR aanspraak maken op de verwijlinteresten tegen de gewone wettelijke interestvoet vanaf 3 november 2009, zijnde de datum van de aangetekende ingebrekestelling uitgaande van de raadsman van C. BVBA.

3.

De uitgebreide vordering van C. BVBA tegen 2. BVBA is derhalve slechts gegrond voor het bedrag van 14.873,40 EUR, te vermeerderen met de verwijlinteresten tegen de gewone wettelijke rentevoet vanaf 3 november 2009 tot 24 mei 2011, en van dan af te vermeerderen met de gerechtelijke interesten tegen de gewone wettelijke rentevoet tot de dag van de algehele betaling.

V. Kosten en rechtsplegingsvergoeding

Gelet op het voorgaande, dienen de kosten van de beide aanleggen ten laste van 2. BVBA te worden gelegd, aan de zijde van C. BVBA begroot op 678,90 EUR dagvaarding eerste aanleg en 210,00 EUR rolrecht hoger beroep.
C. BVBA kan als de grotendeels in het gelijkgestelde partij eveneens ten aanzien van 2. BVBA aanspraak maken op een RPV in eerste aanleg, begroot op 1.210,00 EUR, alsook op een RPV in hoger beroep, begroot op 1.210,00 EUR, zijnde de basisbedragen in de voorliggende procedures. 2. BVBA dient te worden veroordeeld tot betaling van deze bedragen aan C. BVBA.

VI. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op verstek ten aanzien van 2. BVBA.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof,
Ontvangt het hoger beroep; verklaart het gegrond. Hervormt het bestreden vonnis.
Opnieuw wijzende,
Zegt voor recht dat de Belgische rechtbanken en hoven, en inzonderheid dit hof, rechtsmacht hebben om kennis te nemen van de vordering van C. BVBA.
Trekt de zaak voor het overige, ingevolge de devolutieve kracht van het hoger beroep, aan zich.
Verklaart de (hoofd)vordering van C. BVBA tegen 2. BVBA ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, en veroordeelt 2. BVBA om te betalen aan C. BVBA het bedrag van 14.873,40 EUR, te vermeerderen met de verwijlinteresten tegen de gewone wettelijke rentevoet vanaf 3 november 2009 tot 24 mei 2011, en van dan af te vermeerderen met de gerechtelijke interesten tegen de gewone wettelijke rentevoet tot de dag van de algehele betaling.
Verwijst 2. BVBA in de kosten van de beide aanleggen, aan de zijde van C. BVBA begroot op 678,90 EUR dagvaarding eerste aanleg en 210,00 EUR rolrecht hoger beroep.
Verwijst 2. BVBA eveneens ten aanzien van C. BVBA in een RPV in eerste aanleg, begroot op 1.210,00 EUR en in een RPV in hoger beroep, eveneens begroot op 1.210,00 EUR, en veroordeelt 2. BVBA tot betaling van deze bedragen aan C. BVBA.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 07/10/2014 - 18:38
Laatst aangepast op: di, 07/10/2014 - 18:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.