-A +A

IPR Echtscheiding en rechtsmacht – Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel Territoriale bevoegdheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 09/09/2016
A.R.: 
C.15.0359.N

Uit het hier nog toepasselijk artikel 3, derde lid Burgerlijk Wetboek volgt dat de Belgische wetten betreffende de staat en de bekwaamheid van de personen toepasselijk zijn op de Belgen, ook wanneer zij in het buitenland verblijven, en dat de vreemdelingen in België, wat de staat en de bekwaamheid van de personen betreft, in beginsel aan hun nationale wet zijn onderworpen.

2. Het wettelijk huwelijksvermogensstelsel waaraan de zonder contract gehuwde echtgenoten onderworpen zijn, is zo nauw met de instelling van het huwelijk verbonden dat dit stelsel geacht moet worden de staat van de personen te betreffen.

Wanneer de echtgenoten bij de voltrekking van het huwelijk dezelfde nationaliteit hebben, is dit stelsel onderworpen aan de wet van de gemeenschappelijke nationaliteit.

Zo de echtgenoten bij de voltrekking van hun huwelijk een verschillende nationaliteit hebben, wordt het stelsel geregeld door de wet van de eerste echtelijke verblijfplaats.

3. Overeenkomstig artikel 1 van het Verdrag van Den Haag van 12 april 1930 nopens zekere vragen betreffende de wetsconflicten inzake nationaliteit, goedgekeurd bij wet van 20 januari 1939, hierna Haags nationaliteitsverdrag genoemd, behoort het tot de bevoegdheid van iedere staat in zijn wetgeving te bepalen wie zijn onderdanen zijn. Deze wetgeving moet door de andere staten worden erkend, voor zover zij in overeenstemming is met de internationale verdragen, de internationale gewoonte en de algemeen erkende rechtsbeginselen ter zake van nationaliteit.

Krachtens artikel 2 Haags nationaliteitsverdrag moet iedere vraag of een persoon de nationaliteit van een staat bezit, worden beantwoord overeenkomstig de wetgeving van deze staat.

Artikel 5 Haags nationaliteitsverdrag bepaalt dat een persoon die twee of meer nationaliteiten bezit, in een derde staat zal moeten worden behandeld alsof hij er slechts één had. Onverminderd de rechtsregelen die in de derde staat ter zake van het personeel statuut worden toegepast en onder voorbehoud van de geldende verdragen, zal deze staat op zijn grondgebied van de nationaliteiten, die een zodanige persoon bezit, uitsluitend erkennen hetzij de nationaliteit van het land waarin de persoon zijn gewone en voornaamste verblijfplaats heeft, hetzij de nationaliteit van het land waaraan deze persoon in de gegeven omstandigheden feitelijk het nauwst verbonden schijnt te zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1395
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

R.-F. t/ M.

...

3. De feiten in de dagvaarding omschreven

Eisende partij heeft de verwerende partij op 29 december 2016 gedagvaard voor de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie familierechtbank, voor de inleidingszitting van 10 januari 2017. Wat de territoriale bevoegdheid betreft, is vermeld dat het huwelijk tussen partijen op 28 januari 2014 in Rabat (Marokko) plaatshad en met toepassing van art. 31, § 2, tweede lid van het Wetboek Internationaal Privaatrecht is ingeschreven in het bevolkingsregister te Kortrijk, en dat uit dit huwelijk een kind is geboren te Kortrijk op 8 februari 2015, maar partijen ook vóór het huwelijk reeds een gezamenlijk kind hadden, geboren te Kortrijk op 18 januari 2012, dat nooit officieel werd erkend.

Volgens het proces-verbaal van de inleidende terechtzitting op 10 januari 2017 werd door de rechtbank gevraagd om de overschrijving van de akte van huwelijk te Kortrijk te bezorgen, waaraan zoals gevraagd werd voldaan tegen de volgende zitting.

Er zijn achteraf ter zitting van de rechtbank afdeling Kortrijk op 21 februari 2017 voor eiseres «conclusies nopens bevoegdheid» neergelegd waarin wordt geantwoord op de opmerking van de rechtbank op de inleidingzitting dat de bevoegdheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkening van tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid tot intrekking van Verordening nr. 1347/2000.

Daarbij meende eiseres dat de geadieerde rechtbank op basis van art. 3 van de Brussel IIbis Verordening bevoegd is om te oordelen over de echtscheiding onder verwijzing naar dit art. 3.

Zij merkte nog op dat zij haar gewone verblijfplaats te Kortrijk had gedurende ten minste één jaar voorafgaand aan de indiening van haar verzoek tot echtscheiding, wat zou blijken uit de in hun onderlinge samenhang gelezen stukken 1 en 3.

Voor zoveel als nodig verwees eiseres ook naar art. 42 3o van het Wetboek Internationaal Privaatrecht, dat de geadieerde rechtbank territoriaal bevoegd zou maken daar de echtgenoot die de vordering instelt, bij haar instelling sedert ten minste twaalf maanden haar gewone verblijfplaats in België had.

Ten aanzien van de door de rechtbank op de inleidingszitting ingeroepen verordening «Rome III» (dus verordening 1259/2000 van de Raad van 20 december 2010) citeert eiseres uit art. 8 van deze verordening, en voor zover de Verordening Brussel II-bis niet van toepassing geacht zou worden, wijst zij op art. 55 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht.

Op het proces-verbaal van de zitting van de verwijzende rechtbank van 21 februari 2017 is genoteerd dat de laatste echtelijke verblijfplaats in Kortrijk was gelegen op adres (...): gedaagde had er geen woonplaats, aangezien hij illegaal in België verbleef (...).

De verwijzende rechter overwoog in het vonnis van 21 maart 2017 dat zij rechtsmacht had zoals uitgelegd, dat het Belgische recht kon worden toegepast, zowel wat de territoriale als de materiële bevoegdheid betreft, en omtrent de territoriale bevoegdheid, dat niet eerder een familierechtbank was geadieerd in deze zaak en dat met toepassing van art. 629bis, § 5 Ger.W. de familierechtbank van de woonplaats van «verweerder» of de gemeenschappelijke laatste echtelijke verblijfplaats bevoegd is.

Conform art. 630, laatste lid Ger.W. wordt van de verweerder die niet verschijnt, vermoed dat hij de bevoegdheid afwijst van de rechter voor wie de zaak aanhangig is. De verwijzende rechtbank stelde vast dat uit de inleidende dagvaarding niet bleek dat verweerder een gekende woon- of verblijfplaats had in België, terwijl eiseres zelf ter zitting mededeelde dat verweerder nooit was ingeschreven op de echtelijke verblijfplaats te Kortrijk, wegens zijn illegaliteit, zodat eiseres niet kon aantonen dat verweerder daar ooit verbleven zou hebben.

De verwijzende rechter leidde uit de stukken af dat «verweerder» op 5 december 2011 gedwongen werd om ons land te verlaten en gerepatrieerd werd naar Marokko door toedoen van de Belgische Dienst Vreemdelingenzaken en dat op 15 september 2014 hem een beslissing tot weigering van een visumaanvraag gezinshereniging voor België werd betekend.

De verwijzende rechter had twijfels over haar bevoegdheid en wijst op art. 13 WIPR, dat bepaalt dat de zaak waarvoor geen rechtbank bevoegd is overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek, dient te worden gebracht voor de (Nederlandstalige) Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.

De verwijzende rechter legde, gezien haar twijfels over de bevoegdheid, de zaak overeenkomstig art. 640 Ger.W. voor aan de arrondissementsrechter.

4. Beoordeling door de arrondissementsrechtbank

Hier is duidelijk dat de verwijzende rechter geen probleem had met rechtsmacht of toepasselijke Belgische wetgeving en haar twijfel enkel sloeg op de territoriale bevoegdheid.

Bij de beoordeling van de bevoegdheid moet worden uitgegaan van de vordering in de bewoordingen waarin ze door de eiser is gesteld in de gedinginleidende akte (zie o.m.: Cass. 8 september 1978, Arr.Cass. 1978-79, 26; Cass. 19 december 1985, Arr.Cass. 1985-86, 589; Cass. 21 oktober 1996, Arr.Cass. 1996, 946; B. Maes, Inleiding tot het Burgerlijke Procesrecht, Brugge, die Keure, 2012, 79).

Hoewel noch eiseres noch haar raadsman verschenen, kunnen wij de stukken van eisende partij raadplegen als gevoegd in het dossier van de rechtspleging.

De rechtbank waar eiseres woonachtig is, zou voor de beoordeling van een vordering in echtscheiding inderdaad enkel bevoegd zijn indien zou blijken dat de gedaagde ook op haar adres heeft verbleven en dit als echtelijke woonplaats in aanmerking zou kunnen worden genomen.

Wij ook zien géén enkel bewijs dat gedaagde «verweerder» op het adres van eiseres te Kortrijk, (...), ooit is ingeschreven of zelfs maar effectief zou hebben verbleven, en dit wordt daarenboven inderdaad onmogelijk geacht, daar hij blijkbaar reeds vóór het huwelijk (van 2014) in 2011 gedwongen werd gerepatrieerd en een visumaanvraag tot gezinshereniging in 2014 werd geweigerd.

Nu er geen gekende woon- of verblijfplaats van gedaagde is, dient inderdaad overeenkomstig art. 13 van het Wetboek Internationaal Privaat Recht de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel bevoegd te worden geacht om over de vordering in echtscheiding te oordelen.

...

Noot: 

J. Verhellen, De Gemeenschappelijke nationaliteit van de (ex) echtgenoten in gevallen van dubbele nationaliteit, T. Fam. 2011/6

De auteur wijst erop dat dit arrest op het eerste geicht slechts een relatieve releventiewaarde zou kunnen hebben gezien de echtscheiding werd uitgeproken volgens het oude echtscheidingsrecht.

De auteur relativeert door de overgangsbepalingen van het WIPR.

Het IPR heeft inderdaad de verwijzingsregels inzake het toepasselijk huwelijksvermogensrecht omgendraaird in de zaken zonder huwelikscontract. 

Vanaf heden wordt in eerste instantie rekeing gehouden met de wet van de eerste gewone verblijfplaats en pas in ondergeschikte orde met de wet van de gemeenschappelijke nationaliteit. Maar deze regel zoals voorzien in artikel 51 WIPR is slechts toepasselijk op huwelijken gesloten na 1 oktober 2004.

Nog zeer lang zullen dus de oude verwijzingsregels belang hebben.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 24/04/2018 - 00:09
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.