-A +A

IPR bevoegdheid onderhoudsverplichtingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 24/10/2014
A.R.: 
C.13.0592.N

Krachtens artikel 5.2 EEX-Verordening heeft de onderhoudsgerechtigde de keuze om een vordering in te stellen voor het gerecht van zijn woonplaats of van zijn gewone verblijfplaats; uit artikel 59.1 EEX-Verordening volgt dat het gerecht waarvoor de vordering wordt ingesteld op grond van zijn intern recht vaststelt of de onderhoudsgerechtigde woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat van dat gerecht; indien een onderhoudsvordering wordt ingesteld voor de Belgische rechter, moet deze artikel 36 Gerechtelijk Wetboek toepassen aangezien dit artikel de vaststelling van de woonplaats in het procesrecht bepaalt; de woonplaats wordt aldus gedefinieerd als de plaats waar de onderhoudsgerechtigde op de bevolkingsregisters is ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf

Er is geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer het onderdeel dat ervan uitgaat dat de woonplaats een Unierechtelijke definitie heeft die overeenkomt met de bedoeling van de lidstaten faalt naar recht, aangezien de woonplaats uitsluitend wordt vastgesteld op basis van de internrechtelijke definitie van het gerecht waarvoor de vordering wordt ingesteld.

De vraag of de EEX-Verordening op de voorlopige of bewarende maatregelen kan worden toegepast, wordt volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet bepaald door de aard van die maatregelen, maar door de aard van de rechten welke erdoor worden bewaard; artikel 31 EEX-Verordening kan volgens deze rechtspraak dus niet worden ingeroepen voor de voorlopige of bewarende maatregelen inzake onderwerpen die van het toepassingsgebied van de verordening zijn uitgesloten, wanneer zij nauw samenhangen met de vermogensrechtelijke betrekkingen die rechtstreeks uit de huwelijksband voortvloeien.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/12
Pagina: 
880
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 20 juni 2013.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 5 augustus 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 1, 1., 1, 2., a), 5, 2., 31 en 59, 1. van de verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken;
de artikelen 1, 1., a), 1, 3., e), 3 en 20 van de verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening nr. 1347/2000;
de artikelen 2 en 4, § 1, Wetboek van Internationaal Privaatrecht;
de artikelen 1254, § 1 en 1280, eerste lid Gerechtelijk Wetboek;
artikel 102 Burgerlijk Wetboek;
artikel 1, § 1, 1° van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Aangevochten beslissing
Bij het bestreden eindarrest van 20 juni 2013 verklaart het hof van beroep te Gent, na het tussenarrest van 28 februari 2013 verder rechtdoend, binnen de grenzen van het reeds ontvankelijk verklaard hoger beroep en incidenteel beroep, het hoofdberoep gegrond, bevestigt binnen de perken van het hoger beroep de bestreden beschikking die op 22 september 2011 werd verleend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent in kort geding, die de verplichting tot samenwoning schorste, de verweerster machtigde om afzonderlijk te verblijven, zegde dat zij voorlopig de onverdeelde roerende goederen in haar bezit mag gebruiken, aan de eiser verbod oplegde om enig goed dat in onverdeeldheid tussen partijen is te vervreemden, hem oplegde om diverse persoonlijke goederen ter beschikking van de verweerster of van een derde te houden, een notaris aanstelde teneinde een inventaris op te stellen en de eiser veroordeelde tot betaling van een onderhoudsgeld, met dien verstande dat het hof van beroep het (geïndexeerde) basisbedrag van de persoonlijke onderhoudsuitkering, die de eiser tijdens de echtscheidingsprocedure aan de verweerster dient te betalen met ingang van 1 juni 2012, herleidt van 800 EUR naar 600 EUR per maand, en verwijst beide partijen in de helft van de kosten in hoger beroep, en acht zodoende de eerste rechter en zichzelf in hoger beroep bevoegd om uitspraak te doen over voornoemde voorlopige maatregelen. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen:

“2.1. Inzake de internationale bevoegdheid voor de onderhoudsvordering tijdens de echtscheidingsprocedure steunde de eerste rechter op artikel 5, 2. Brussel I-Verordening (verordening nr. 44/2001/EG van 22 december 2000).

De internationale bevoegdheid inzake onderhoudsverplichtingen en het daarop toepasselijk recht worden in casu geregeld door het WIPR. Het wetboek wordt slechts toegepast wanneer er geen internationale en/of Europeesrechterlijke IPR-regel van toepassing is (artikel 2 WIPR). Ten onrechte verwijst (de eiser) naar artikel 5 WIPR om te stellen dat de Belgische rechter niet bevoegd zou zijn. Onderhoudsvorderingen vallen onder de verordening Brussel I. De (internationale) bevoegdheid staat vast overeenkomstig artikel 5, 2. van desbetreffende verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging in burgerlijke en handelszaken (kortweg Brussel I-Verordening of EEX-Verord.) voor wat betreft de persoonlijke onderhoudsuitkering voor (de verweerster). Deze vordering wordt gebracht voor het gerecht van de woonplaats of de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde, in dit geval gelegen in het gerechtelijk arrondissement Gent.

2.2. (De eiser) blijft een betwisting voeren rond de hoofd- en/of verblijfplaats van (de verweerster).

(De verweerster) legde een getuigschrift van de stad Gent voor van haar woonplaats sinds 22 augustus 2008 op haar laatste (en nog steeds huidig) adres in Gent (stukken 4.a-b (verweerster)). Dat (de verweerster) daarnaast volgens (de eiser) voor een aantal instanties nog een aantal belangen' had behouden en aangesproken kon worden op het voormalig echtelijk adres in Frankrijk (meer bepaald voor eventuele verplichtingen aangaande verkiezingen, sociale zekerheid en fiscaliteit) doet daaraan geen afbreuk.

(De eiser) getuigt niet van enige administratieve betwisting of procedure over de woonplaats van (de verweerster), waarmee de voorzitter rekening kon of moest houden of waarmee het hof rekening zou kunnen of moeten houden. Een prejudiciële vraagstelling aan het Europees Hof van Justitie (of de verweerster een woon- of verblijfplaats had in de zin van de verordening) lost dit euvel niet op en is volledig naast de kwestie.

2.3. Ten onrechte maakte (de eiser) gewag van een bijkomende eis bij een hoofdvordering die betrekking heeft op de staat van de persoon. Volgens (de eiser) is de echtscheidingsvordering niet rechtsgeldig ingesteld.

De vordering tot echtscheiding en de vordering tot voorlopige maatregelen in hetzelfde exploot zijn twee onderscheiden vorderingen. De vordering tot voorlopige maatregelen is geen bijkomende eis die gesteld wordt aan de echtscheidingsrechter. Het is een zelfstandige hoofdvordering voor een andere rechter die evenzeer bij apart exploot kan worden ingesteld. De voorzitter in kort geding heeft geen uitspraak te doen over de bevoegdheid van de echtscheidingsrechter.

(De verweerster) stelde in kort geding geen vorderingen inzake huwelijksvermogensrecht zodat niet voor recht kan gezegd worden dat de kortgedingrechter ter zake niet bevoegd zou zijn. Het kort geding beoogt enkel voorlopige maatregelen die de grond van de zaak en ook het huwelijksvermogensrecht niet raken.

2.4. (…)

(De eiser) betwist ten onrechte de urgentie. De hoogdringendheid wordt vermoed en de rechter in kort geding is ontslagen van elk onderzoek naar de hoogdringendheid in alle gevallen waarin de wet hem uitdrukkelijk aanduidt om kennis te nemen van de moeilijkheden die kunnen rijzen in de loop van bepaalde procedures, onder meer wanneer hij uitspraak doet in het kader van voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure. Ook desbetreffend is een prejudiciële vraag over de toetsing van het begrip hoogdringendheid (aan de verordening 2201/2003) niet op haar plaats.”

Grief
Eerste onderdeel
Naar luid van artikel 2 Wetboek van Internationaal Privaatrecht regelt, onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen, van het recht van de Europese Unie of van bepalingen in bijzondere wetten, deze wet voor internationale gevallen de bevoegdheid van de Belgische rechters, de aanwijzing van het toepasselijk recht en de voorwaarden voor de uitwerking in België van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken en in handelszaken.

Artikel 1, 3., e) van de verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening nr. 1347/2000 bepaalt uitdrukkelijk dat de verordening niet van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.

Op artikel 20 van deze verordening nr. 2201/2003, dat bepaalt dat in spoedeisende gevallen deze verordening voor de gerechten van een lidstaat geen beletsel vormt om met betrekking tot personen of goederen die zich in die staat bevinden, voorlopige en bewarende maatregelen te nemen waarin de wetgeving van die lidstaat voorziet, zelfs indien krachtens deze verordening een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen, kon derhalve geen beroep worden gedaan ter verantwoording van de internationale rechtsmacht van de Belgische rechter om kennis te nemen van de vordering, strekkende tot het bekomen van een onderhoudsgeld ten laste van de eiser.

Blijkens artikel 1, 1. van de verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken wordt deze verordening toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht.

Artikel 5, 2. van de verordening nr. 44/2001 [dat] bepaalt dat een persoon, die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat ten aanzien van onderhoudsverplichtingen kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde woonplaats of verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van de personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen recht bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen, kan alleszins de bevoegdheid van de Belgische rechter in kort geding niet verantwoorden.

Voornoemde verordening is zodoende van toepassing op iedere vordering strekkende tot het bekomen van een onderhoudsgeld, zelfs zo deze wordt ingesteld naar aanleiding van een echtscheidingsprocedure.

Artikel 59, 1. van de verordening nr. 44/2001 bepaalt dat om vast te stellen of een partij haar woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, het gerecht zijn intern recht toepast.

Artikel 4, § 1 WIPR, dat een definitie geeft van het begrip woonplaats, geldt enkel in de gevallen waarin dit wetboek ook toepassing vindt omdat er geen toepassing dient te worden gemaakt van een internationaal verdrag dan wel van een Europeesrechtelijke regel, zodat hierop geen beroep kan worden gedaan ter bepaling van het begrip “woonplaats”, waarvan sprake in artikel 5, 2. van de verordening nr. 44/2001, in onderhavige situatie.

Naar luid van artikel 102 Burgerlijk Wetboek is de woonplaats van iedere Belg, wat betreft de uitoefening van zijn burgerlijke rechten, daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft.

Voormeld begrip is een feitelijk begrip en onafhankelijk van de vermeldingen in de [het] bevolkingsregister, waarvan de vermeldingen op zichzelf niet noodzakelijk de werkelijkheid van de woonplaats bewijzen.

Artikel 1, § 1, 1° van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen dat bepaalt dat in elke gemeente worden gehouden: bevolkingsregisters waarin ingeschreven worden op de plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben, ongeacht of zij er aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn, de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven, die gemachtigd zijn zich er te vestigen, of die om een andere reden ingeschreven worden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met uitzondering van de vreemdelingen die zijn ingeschreven in het in 2° bedoelde register, bevestigt trouwens dat de inschrijving in de bevolkingsregisters niet noodzakelijk beantwoordt aan een werkelijk verblijf en/of overeenstemt met de plaats waar de betrokkene zijn burgerlijke rechten uitoefent.

De woonplaats veronderstelt meer bepaald de wil van de betrokkene om de (meerderheid) van zijn belangen op een bepaalde plaats te vestigen; het is de plaats waar men het centrum van zijn belangen heeft gevestigd.

Te dezen stelt het hof van beroep vast dat de verweerster een getuigschrift van de stad Gent voor van haar woonplaats sinds 22 augustus 2008 op haar laatste (en nog steeds huidig) adres in Gent voorlegt.

Het stelt eveneens vast dat volgens de eiser de verweerster voor een aantal instanties nog een aantal “belangen” had behouden en aangesproken kon worden op het voormalig echtelijk adres in Frankrijk, meer bepaald voor eventuele verplichtingen aangaande verkiezingen, sociale zekerheid en fiscaliteit, zonder uit te sluiten dat zulks correct is.

Ter zake voerde de eiser in zijn allesomvattende besluiten meer bepaald op pagina 11 aan dat “de eiseres immers ook nog ingeschreven (is) in Frankrijk voor de sociale zekerheid (zie stuk 9 concludent). Ze is eveneens ingeschreven op de kieslijsten met als adres de echtelijke verblijfplaats (zie attest van de burgemeester van Auros - stuk 6). Ook voor de Franse fiscale overheid is de eiseres nog steeds ingeschreven te Auros (stuk 10 concludent) terwijl de Franse overheid haar nog steeds aanschrijft te Auros inzake het bevolkingsonderzoek (stuk 11 concludent)”.

Die aanvoeringen worden door het bestreden arrest niet tegengesproken.

Het hof van beroep haalt evenmin andere gegevens aan waaruit blijkt dat de verweerster haar burgerlijke rechten daadwerkelijk uitoefent te Gent of dat zij aldaar het centrum van haar belangen heeft gevestigd.

Besluit

Op grond van de gedane vaststellingen, waaruit alleen blijkt dat de verweerster een getuigschrift van woonst te Gent overlegde, doch waaruit niet blijkt dat zij aldaar effectief het centrum van haar belangen heeft gevestigd en er meer bepaald haar burgerlijke rechten uitoefent, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing dat de Belgische rechter internationaal bevoegd was om kennis te nemen van de onderhoudsvordering niet naar recht (schending van art. 2 en 4, § 1 WIPR, 102 BW, 1, 1., 5, 2. en 59, 1. van de verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken, 1, 3., e) en 20 van de verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening nr. 1347/2000, 1, § 1, 1° van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen).

In de veronderstelling dat [het] Hof [van Cassatie] evenwel zou aannemen dat naar Belgisch recht de woonplaats in de zin van artikel 5, 2. van de verordening nr. 44/2001 de plaats is waar de onderhoudsgerechtigde is ingeschreven in de bevolkingsregisters, nodigt de eiser het Hof uit, alvorens verder recht te doen, aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag voor te leggen of het verenigbaar is met de bedoeling van de lidstaten om als bevoegde rechter in de zin van artikel 5, 2. van de verordening nr. 44/2001 een rechter te weerhouden van een plaats, waar de onderhoudsgerechtigde weliswaar is ingeschreven in de bevolkingsregisters als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf, doch waar hij niet noodzakelijk ook werkelijk verblijft en zijn rechten uitoefent.

Tweede onderdeel
Blijkens artikel 1, 1. van de verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken wordt deze verordening toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht.

Van het toepassingsgebied van de verordening wordt weliswaar naar luid van artikel 1, 2., a) van de verordening nr. 44/2001 uitgesloten de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen.

Die uitgesloten materies dienen autonoom te worden uitgelegd.

Onder de staat en bekwaamheid van de persoon vallen onder andere vragen van huwelijk, zowel de geldigheid als de gevolgen ervan ten aanzien van de persoon van de echtgenoten, en echtscheiding, terwijl het begrip huwelijksgoederenrecht alle vermogensrechtelijke regelingen, die rechtstreeks uit de huwelijksband dan wel uit de beëindiging van die band voortvloeien, worden geviseerd.

Ter beantwoording van de vraag of een vordering al dan niet één van die uitgesloten onderwerpen betreft, is bovendien niet de vorm van de vordering, maar enkel de bijzondere inhoud beslissend.

Of een geschil binnen het materiële toepassingsgebied van de verordening valt hangt enkel af van de aard van de rechten die men beoogt door te zetten of te bewaren. Of de rechter gevraagd wordt ten voorlopige titel dan wel ten gronde te beslissen is niet relevant.

De rechter zal op grond van de verordening nr. 44/2001 bijgevolg slechts kennis kunnen nemen van een vordering strekkende tot het bevelen van voorlopige maatregelen voor zover deze maatregelen geen uitgesloten materie betreffen.

De toepassing van artikel 31 van de verordening nr. 44/2001, dat bepaalt dat in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat kunnen worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen, veronderstelt inderdaad dat de voorlopige of bewarende maatregelen betrekking hebben op een onderwerp dat tot de materiële werkingssfeer van de verordening behoort.

Te dezen verzocht de verweerster de rechter in kort geding onder meer de verplichting tot samenwoning te schorsen, haar te machtigen afzonderlijk te verblijven, de eiser verbod op te leggen haar op enigerlei wijze te verontrusten op haar afzonderlijke verblijfplaats, op gevaar te worden uitgedreven, desnoods met tussenkomst van de openbare macht, te zeggen voor recht dat zij voorlopig de in haar bezit zijnde roerende goederen, die in onverdeeldheid tussen partijen zijn, kan gebruiken, de eiser verbod op te leggen om enig goed, dat in onverdeeldheid is tussen partijen, te vervreemden, weg te maken of op gelijk welke wijze te bezwaren zonder haar toestemming, een notaris aan te stellen teneinde een inventaris op te stellen van alle goederen die zich in de echtelijke woonst bevinden, te zeggen dat eiser een aantal persoonlijke goederen van de verweerster dient ter beschikking te houden van de verweerster of van een derde die ze daar zal komen afhalen.

Deze maatregelen strekten ertoe zowel de persoonlijke als de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk en van de nagestreefde ontbinding van het huwelijk, weze het voorlopig, te regelen en betreffen zodoende zowel de staat van de partijen als de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk.

Deze materie is evenwel uitgesloten uit het toepassingsgebied van de verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

Besluit

Het hof van beroep, dat oordeelt dat de verweerster in kort geding geen vordering inzake huwelijksvermogensrecht instelde, maar enkel voorlopige maatregelen vorderde die de grond van de zaak en ook het huwelijksvermogensrecht niet raken, terwijl de nagestreefde maatregelen zowel de persoon van de echtgenoten als hun goederen betroffen, meer bepaald de persoonlijke en patrimoniale gevolgen van het huwelijk hangende de echtscheidingsprocedure, andere dan een alimentatiegeld, vermocht niet wettig te besluiten dat de Belgische rechter bevoegd was om van deze vordering kennis te nemen (schending van art. 1,1., 1, 2., a) en 31 van de verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken).

Derde onderdeel
Naar luid van artikel 1, 1., a) van de verordening nr. 2201/2003/EG van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, is deze verordening, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk.

Deze verordening is niet van toepassing op kwesties, zoals de echtscheidingsgronden, de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk of andere bijkomende maatregelen.

Artikel 3 van deze verordening bepaalt inzake de algemene bevoegdheid:

1. Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:

a) op het grondgebied waarvan:

de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of
zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of
de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of
in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of
zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of
zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn “domicile” (woonplaats) heeft;
b) waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun “domicile” (woonplaats) hebben.

Naar luid van artikel 20, 1. van de verordening nr. 2201/2003/EG vormt deze verordening in spoedeisende gevallen voor de gerechten van een lidstaat weliswaar geen beletsel om met betrekking tot personen of goederen die zich in die staat bevinden, voorlopige en bewarende maatregelen te nemen waarin de wetgeving van die lidstaat voorziet, zelfs indien krachtens deze verordening een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen.

De verordening stelt voor deze afwijkende bevoegdheid als bijzondere voorwaarde dat er door de rechter spoedeisendheid wordt vastgesteld.

Daartoe volstaat het evenwel niet te verwijzen naar een intern procesrechtelijke regel die de spoedeisendheid vermoedt ingeval de rechter gevraagd wordt uitspraak te doen over voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure, te meer daar deze vermoede hoogdringendheid per definitie veronderstelt dat de echtscheidingseis ook voor de Belgische rechter kan worden ingeleid, zoals volgt uit de artikelen 1254, § 1 en 1280, eerste lid Gerechtelijk Wetboek.

De rechter dient aan de hand van feitelijke omstandigheden vast te stellen dat in de gegeven situatie de behandeling van de vordering geen uitstel verdraagt.

Te dezen betwistte de eiser uitdrukkelijk in zijn allesomvattende conclusie dat de Belgische rechter bevoegd was om kennis te nemen van de echtscheidingsvordering en derhalve ook van de vordering strekkende tot het bevelen van voorlopige en bewarende maatregelen, aangezien de verweerster niet aantoonde dat zij haar gewone verblijfplaats had in België in de zin van de verordening nr. 2201/2003 sinds meer dan een jaar (p. 9).

Bovendien betwistte hij iedere spoed, minstens was er sprake van een zelf gecreëerde hoogdringendheid die niet beantwoordt aan het spoedeisend geval in de zin van de verordening.

Te dezen blijkt weliswaar uit geen enkele feitelijke vaststelling van het bestreden arrest dat er sprake was van een spoedeisende situatie die kon verantwoorden dat, in afwijking van de algemene bevoegdheidsregels, aan de Belgische rechter voorlopige en bewarende maatregelen werden gevraagd.

Besluit

Het hof van beroep dat zich ertoe beperkt te verwijzen naar een intern procesrechtelijke regel volgens dewelke “de hoogdringendheid wordt vermoed en de rechter in kort geding is ontslagen van elk onderzoek naar de hoogdringendheid in alle gevallen waarin de wet hem uitdrukkelijk aanduidt om kennis te nemen van de moeilijkheden die kunnen rijzen in de loop van bepaalde procedures, onder meer wanneer hij uitspraak doet in het kader van voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure”, verantwoordt zijn beslissing dat de Belgische rechter internationaal bevoegd was om de gevorderde voorlopige maatregelen te bevelen, niet naar recht (schending van art. 1, 1., a), 3 en 20 van de verordening nr. 2201/2003/EG van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, 1254, § 1, en 1280, eerste lid Ger.W.). Bovendien kon het hof van beroep op grond van die bepaling alleszins geen maatregelen bevelen met betrekking tot goederen die zich niet op het Belgische grondgebied bevonden (schending van art. 1, 1., a), 3 en 20 van de verordening nr. 2201/2003/EG van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000).

Bovendien nodigt de eiser [het] Hof uit, alvorens recht te doen, aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag voor te leggen of het voor de toepassing van artikel 20 van de verordening nr. 2201/2003/EG van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 volstaat dat de rechter verwijst naar een intern procesrechtelijke regel, waaruit volgt dat “de hoogdringendheid wordt vermoed en de rechter in kort geding is ontslagen van elk onderzoek naar de hoogdringendheid in alle gevallen waarin de wet hem uitdrukkelijk aanduidt om kennis te nemen van de moeilijkheden die kunnen rijzen in de loop van bepaalde procedures, onder meer wanneer hij uitspraak doet in het kader van voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure”, dan wel of hij verplicht is aan de hand van een onderzoek van de feiten vast te stellen dat de zaak wel degelijk spoedeisend is en verantwoordt dat er met betrekking tot de persoon en de goederen van de persoon in de staat waar deze zich bevinden wordt afgeweken van de algemene bevoegdheidsregels en dat er voorlopige en bewarende maatregelen worden genomen.

Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;
artikelen 2, 4, § 2, 1° en 74 Wetboek van Internationaal Privaatrecht.
Aangevochten beslissing
Bij het bestreden eindarrest van 20 juni 2013 verklaart het hof van beroep te Gent, na het tussenarrest van 28 februari 2013 verder rechtdoend, binnen de grenzen van het reeds ontvankelijk verklaard hoger beroep en incidenteel beroep, het hoofdberoep gegrond, bevestigt binnen de perken van het hoger beroep de bestreden beschikking die op 22 september 2011 werd verleend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent in kort geding, die de verplichting tot samenwoning schorste, de verweerster machtigde om afzonderlijk te verblijven, zegde dat zij voorlopig de onverdeelde roerende goederen in haar bezit mag gebruiken, aan de eiser verbod oplegde om enig goed dat in onverdeeldheid tussen partijen is te vervreemden, hem oplegde om diverse persoonlijke goederen ter beschikking van de verweerster of van een derde te houden, een notaris aanstelde teneinde een inventaris op te stellen en de eiser veroordeelde tot betaling van een onderhoudsgeld, met dien verstande dat het hof van beroep het (geïndexeerde) basisbedrag van de persoonlijke onderhoudsuitkering, die de eiser tijdens de echtscheidingsprocedure aan de verweerster dient te betalen met ingang van 1 juni 2012, herleidt van 800 EUR naar 600 EUR per maand, en verwijst beide partijen in de helft van de kosten in hoger beroep, en acht zodoende de eerste rechter en zichzelf in hoger beroep bevoegd om uitspraak te doen over voornoemde voorlopige maatregelen. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen:

“2.2. (De eiser) blijft een betwisting voeren rond de hoofd- en/of verblijfplaats van (de verweerster).

(De verweerster) legde een getuigschrift van de stad Gent voor van haar woonplaats sinds 22 augustus 2008 op haar laatste (en nog steeds huidig) adres in Gent (stukken 4.a-b (de verweerster)). Dat (de verweerster) daarnaast volgens (de eiser) voor een aantal instanties nog een aantal 'belangen' had behouden en aangesproken kon worden op het voormalig echtelijk adres in Frankrijk (meer bepaald voor eventuele verplichtingen aangaande verkiezingen, sociale zekerheid en fiscaliteit) doet daaraan geen afbreuk.

(De eiser) getuigt niet van enige administratieve betwisting of procedure over de woonplaats van (de verweerster), waarmee de voorzitter rekening kon of moest houden of waarmee het hof rekening zou kunnen of moeten houden. Een prejudiciële vraagstelling aan het Europees Hof van Justitie (of de verweerster een woon- of verblijfplaats had in de zin van de verordening) lost dit euvel niet op en is volledig naast de kwestie.

2.3. Ten onrechte maakte (de eiser) gewag van een bijkomende eis bij een hoofdvordering die betrekking heeft op de staat van de persoon. Volgens de eiser is de echtscheidingsvordering niet rechtsgeldig ingesteld.

De vordering tot echtscheiding en de vordering tot voorlopige maatregelen in hetzelfde exploot zijn twee onderscheiden vorderingen. De vordering tot voorlopige maatregelen is geen bijkomende eis die gesteld wordt aan de echtscheidingsrechter. Het is een zelfstandige hoofdvordering voor een andere rechter die evenzeer bij apart exploot kan worden ingesteld. De voorzitter in kort geding heeft geen uitspraak te doen over de bevoegdheid van de echtscheidingsrechter.

(De verweerster) stelde in kort geding geen vordering inzake huwelijksvermogensrecht zodat niet voor recht kan gezegd worden dat de kortgedingrechter ter zake niet bevoegd zou zijn. Het kort geding beoogt enkel voorlopige maatregelen die de grond van de zaak en ook het huwelijksvermogensrecht niet raken.

2.4. Met betrekking tot de gevorderde persoonlijke onderhoudsuitkering voor (de verweerster) wordt het Belgisch recht als toepasselijk recht aangewezen door artikel 74, § 1 WIPR, zijnde het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde op het tijdstip dat de alimentatievordering wordt ingeroepen.

(…)

De eerste rechter kon aldus terecht oordelen dat (de eiser) een onderhoudsbijdrage van 800 EUR per maand verschuldigd is met ingang van 1 maart 2011. Bij gewijzigde omstandigheden kan deze uitkering worden aangepast. Aldus wordt het basisbedrag met ingang van 1 juni 2012 (informatie pensioenuitkeringen voor (de verweerster)) herleid naar 600 EUR per maand. Het is niet bekend of (de verweerster) rechten heeft of kan laten gelden op een inkomensgarantie voor ouderen.”

Grief
Eerste onderdeel
Naar luid van artikel 2 Wetboek van Internationaal Privaatrecht [hierna WIPR] regelt, onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen, van het recht van de Europese Unie of van bepalingen in bijzondere wetten, deze wet voor internationale gevallen de bevoegdheid van de Belgische rechters, de aanwijzing van het toepasselijk recht en de voorwaarden voor de uitwerking in België van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken en in handelszaken.

Artikel 74 WIPR bepaalt inzake het recht toepasselijk op onderhoudsverplichtingen:

Ҥ 1. De onderhoudsverplichting wordt beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied de onderhoudsgerechtigde op het tijdstip dat ze wordt ingeroepen zijn gewone verblijfplaats heeft.

De onderhoudsverplichting wordt evenwel beheerst door het recht van de Staat waarvan de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtige op het tijdstip dat deze wordt ingeroepen de nationaliteit hebben indien de onderhoudsplichtige op dat tijdstip zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die Staat heeft.”

Deze bepaling verwijst zodoende naar het begrip gewone verblijfplaats, zoals omschreven in artikel 4 WIPR, ter bepaling van het toepasselijk recht.

Naar luid van artikel 4, § 2, 1° WIPR wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder gewone verblijfplaats: de plaats waar een natuurlijke persoon zich hoofdzakelijk heeft gevestigd, zelfs bij afwezigheid van registratie en onafhankelijk van een verblijfs- of vestigingsvergunning; om deze plaats te bepalen wordt met name rekening gehouden met omstandigheden van persoonlijke of professionele aard die duurzame banden met die plaats aantonen of wijzen op de wil om die banden te scheppen.

Dat begrip berust op feitelijke elementen en is te onderscheiden van de woonplaats, waarmee blijkens artikel 4, § 1 WIPR wordt bedoeld: de plaats waar een natuurlijke persoon volgens de bevolkingsregisters, de vreemdelingenregisters of het wachtregister in België zijn hoofdverblijf heeft.

Zo uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de verweerster beschikte over een woonplaats in Gent in de zin van artikel 4, § 1 WIPR, blijkt uit de gedane vaststellingen niet dat zij aldaar ook haar gewone verblijfplaats in de zin van artikel 4, § 2, 1° WIPR had gevestigd.

De gedane feitelijke vaststellingen laten alleszins niet toe te besluiten tot het voorhanden zijn van dergelijke gewone verblijfplaats te Gent.

Besluit

Op grond van de gedane vaststellingen, waaruit niet blijkt dat de gewone verblijfplaats van de verweerster te Gent was gevestigd, kon het hof van beroep niet wettig besluiten, impliciet doch zeker, dat er van het Belgisch recht toepassing diende te worden gemaakt ter bepaling van het recht, toepasselijk op het door haar gevorderde onderhoudsgeld (schending van art. 2, 4, § 2, 1° en 74 WIPR).

Tweede onderdeel
De eiser voerde in zijn allesomvattende besluiten op pagina's 18 en 19 aan dat:

hij aan de verweerster nooit een onderhoudsbijdrage had betaald, maar enkel een bijdrage in de huishouding in overeenstemming met de huwelijksovereenkomst tussen partijen;
de verweerster, die eveneens inkomsten heeft (o.m. huur inkomsten) nooit enige bijdrage heeft betaald;
eventueel onderhoudsgeld geen schending kan inhouden van de verplichting onder het huwelijkscontract dat de verweerster voor de helft moet instaan voor de gemeenschappelijk aangegane kosten wanneer het huwelijk geen stand houdt om andere redenen dan overlijden;
deze elementen voor gevolg hebben dat de verweerster niet gerechtigd is op enig onderhoudsgeld.
Besluit

Het hof van beroep laat het middel, geput uit de verplichtingen die door partijen bij het huwelijkscontract werden aangegaan, te weten dat de verweerster voor de helft moet instaan voor de gemeenschappelijk aangegane kosten wanneer het huwelijk geen stand houdt om andere redenen dan overlijden, derwijze dat zij geen aanspraak kon maken op enige onderhoudsbijdrage, onbeantwoord en heeft zijn beslissing derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van art. 149 gec. Gw. van 17 februari 1994).

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1. Artikel 5, 2. van de verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, hierna EEX-verordening, bepaalt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ten aanzien van onderhoudsverplichtingen in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen recht bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen.

Artikel 59, 1. EEX-verordening bepaalt dat om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, het gerecht zijn intern recht toepast.

Artikel 102 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de woonplaats van iedere Belg, wat betreft de uitoefening van zijn burgerlijke rechten, daar is waar hij zijn hoofdverblijf heeft.

Krachtens artikel 36 Gerechtelijk Wetboek wordt in dit wetboek onder woonplaats verstaan: de plaats waar de persoon op de bevolkingsregisters is ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.

2. Krachtens artikel 5, 2. EEX-verordening heeft de onderhoudsgerechtigde de keuze om een vordering in te stellen voor het gerecht van zijn woonplaats of van zijn gewone verblijfplaats.

Uit artikel 59.1 EEX-Verordening volgt dat het gerecht waarvoor de vordering wordt ingesteld op grond van zijn intern recht vaststelt of de onderhoudsgerechtigde woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat van dat gerecht.

Indien een onderhoudsvordering wordt ingesteld voor de Belgische rechter, moet deze artikel 36 Gerechtelijk Wetboek toepassen aangezien dit artikel de vaststelling van de woonplaats in het procesrecht bepaalt.

De woonplaats wordt aldus gedefinieerd als de plaats waar de onderhoudsgerechtigde op de bevolkingsregisters is ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.

3. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de Belgische rechter bij de vaststelling van de woonplaats toepassing moet maken van artikel 102 Burgerlijk Wetboek en derhalve dient te onderzoeken op welke plaats de onderhoudsgerechtigde zijn burgerlijke rechten daadwerkelijk uitoefent, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het aldus naar recht.

4. Aangezien de woonplaats uitsluitend wordt vastgesteld op basis van de internrechtelijke definitie van het gerecht waarvoor de vordering wordt ingesteld, faalt het onderdeel eveneens naar recht in zoverre het verder ervan uitgaat dat de woonplaats een Unierechtelijke definitie heeft die overeenkomt met de bedoeling van de lidstaten.

Hieruit volgt dat er geen aanleiding is tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag.

Tweede onderdeel
Ontvankelijkheid
5. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: gelet op de beperking van het hoger beroep tot de beslissing over de onderhoudsvordering tijdens de echtscheidingsprocedure diende de appelrechter geen uitspraak te doen over de andere bevolen voorlopige maatregelen, zodat het onderdeel opkomt tegen overtollige redenen en dus geen belang heeft.

6. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de eiser zijn hoger beroep niet heeft beperkt tot de beslissing over de onderhoudsvordering tijdens de echtscheidingsprocedure, maar hij integendeel ook verder de bevoegdheid van de Belgische rechter in kort geding betwistte om de andere gevorderde voorlopige maatregelen te nemen.

Anders dan waarvan de verweerster uitgaat, stelt de appelrechter met de redenen waarmee hij het voorwerp van de betwisting summier omschrijft, ook niet vast dat het hoger beroep werd beperkt tot de beslissing over de onderhoudsvordering tijdens de echtscheidingsprocedure.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid
7. Artikel 1, 1. EEX-verordening bepaalt dat deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht.

Krachtens artikel 1, 2., a), van deze verordening is zij niet van toepassing op de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen.

Artikel 31 EEX-verordening bepaalt dat in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat kunnen worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.

8. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals die met name is vastgelegd in de arresten van 27 maart 1979 in de zaak nr. 143/78 (De Cavel I), 6 maart 1980 in de zaak nr. 120/79 (De Cavel II), 26 maart 1992 in de zaak C-261/90 (Reichert en Kockler) en 10 februari 2009 in de zaak C-185/07 (Al- lianz SpA en Generali Assicurazioni Generali SpA), wordt de vraag of de EEX-verordening op voorlopige of bewarende maatregelen kan worden toegepast, niet door de aard van die maatregelen bepaald, maar door de aard van de rechten welke erdoor worden bewaard.

Artikel 31 EEX-verordening kan volgens deze rechtspraak dus niet worden ingeroepen voor voorlopige of bewarende maatregelen inzake onderwerpen die van het toepassingsgebied van de verordening zijn uitgesloten. Zo oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie bij arresten van 27 maart 1979 in de zaak nr. 143/78 (De Cavel I) en van 31 maart 1982 in de zaak nr. 25/81 (W. / H.) dat voorlopige of bewarende maatregelen van het toepassingsgebied van de verordening zijn uitgesloten, wanneer zij nauw samenhangen met de vermogensrechtelijke betrekkingen die rechtstreeks uit de huwelijksband voortvloeien.

9. De appelrechter oordeelt dat “[de verweerster] in kort geding geen vorderingen [stelde] inzake huwelijksvermogensrecht zodat niet voor recht kan gezegd worden dat de [kortgedingrechter] ter zake niet bevoegd zou zijn” en dat “het kort geding enkel voorlopige maatregelen [beoogt] die de grond van de zaak en ook het huwelijksvermogensrecht niet raken”.

De appelrechter die aldus uitsluitend op grond van de aard van de gevorderde maatregelen oordeelt dat de Belgische kortgedingrechter bevoegd is, zonder te onderzoeken of de rechten die door de voorlopige maatregelen worden bewaard betrekking hebben op een onderwerp dat van het toepassingsgebied van de EEX-verordening is uitgesloten, met name of de voorlopige maatregelen nauw samenhangen met de vermogensrechtelijke betrekkingen die rechtstreeks uit de huwelijksband voortvloeien, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel
Eerste onderdeel
10. De appelrechter oordeelt: “[De verweerster] legde een getuigschrift van de stad Gent voor van haar woonplaats sinds 22 augustus 2008 op haar laatste (en nog steeds huidig) adres in Gent (…). Dat [de verweerster] daarnaast volgens [de eiser] voor een aantal instanties nog een aantal belangen' had behouden en aangesproken kon worden op het voormalig echtelijk adres in Frankrijk (meer bepaald voor eventuele verplichtingen aangaande verkiezingen, sociale zekerheid en fiscaliteit) doet daaraan geen afbreuk.”

11. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, geeft de appelrechter met die redenen te kennen dat de verweerster duurzame banden met de stad Gent heeft of minstens de wil heeft om die banden te scheppen en dus aldaar haar gewone verblijfplaats heeft.

Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel
12. De eiser heeft voor de appelrechter aangevoerd dat de verweerster op grond van bepaalde verplichtingen die de partijen bij het huwelijkscontract zijn aangegaan geen recht heeft op enig onderhoudsgeld tijdens de echtscheidingsprocedure, namelijk omdat de eiser aan de verweerster nooit een onderhoudsbijdrage heeft betaald, maar enkel een bijdrage in de huishouding in overeenstemming met de huwelijksovereenkomst tussen de partijen, terwijl de verweerster, die eveneens inkomsten heeft, nooit enige bijdrage heeft betaald en zij op grond van het huwelijkscontract voor de helft moet instaan voor de gemeenschappelijk aangegane kosten wanneer het huwelijk geen stand houdt om andere redenen dan overlijden.

13. De appelrechter verwerpt en beantwoordt dit verweer met de redenen dat:

de eiser tot januari 2011 aan de verweerster een onderhoudsgeld betaalde van gemiddeld 800 EUR per maand;
er geen vaststellingen of aanwijzingen zijn van mindere inkomsten of hogere lasten in 2011 en 2012 die zouden kunnen inhouden dat de draagkracht van de eiser daarna is verminderd;
zowel de hulp- als de bijdrageplicht van de eiser blijven voortduren tijdens de echtscheidingsprocedure, zolang het huwelijk niet ontbonden is;
de verweerster zolang in staat moet zijn om het levensniveau aan te houden dat zij zou gehad hebben indien er geen scheiding was geweest en pas na de echtscheiding andere criteria gelden;
de eerste rechter aldus terecht kon oordelen dat de eiser een onderhoudsbijdrage van 800 EUR per maand verschuldigd is met ingang van 1 maart 2011;
bij gewijzigde omstandigheden deze uitkering kan worden aangepast, zodat het basisbedrag met ingang van 1 juni 2011 wordt herleid naar 600 EUR per maand.
Hij diende daarbij niet verder te antwoorden op de beweringen inzake de verplichtingen die de partijen bij het huwelijkscontract hadden aangegaan, aangezien deze beweringen geen apart middel vormen, maar het slechts argumenten zijn tot staving van het verweer dat de verweerster geen recht had op onderhoudsgeld tijdens de echtscheidingsprocedure.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Overige grieven
14. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het oordeelt over de door de verweerster gevorderde persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheidingsprocedure.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

C.13.0592.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. De betwisting kadert in een vordering tot echtscheiding en tot het bekomen van voorlopige maatregelen door verweerster lastens eiser. Eiser betwistte de bevoegdheid van de Belgische rechter.

2. Het bestreden arrest bevestigt, binnen de perken van het hoger beroep, de beroepen beschikking die de verplichting tot samenwonen schorste, verweerster machtigde om afzonderlijk te verblijven, zegde dat zij voorlopig de onverdeelde roerende goederen in haar bezit mag gebruiken, aan eiser verbod oplegde om enig goed dat in onverdeeldheid tussen partijen is te vervreemden, hem oplegde om diverse persoonlijke goederen ter beschikking van verweerster of van een derde te houden, een notaris aanstelde teneinde een inventaris op te stellen en eiser veroordeelde tot betaling van een onderhoudsgeld, met dien verstande dat het basisbedrag van de persoonlijke onderhoudsuitkering wordt herleid.

3. Tegen deze beslissing, waardoor de appelrechter zodoende de eerste rechter en zichzelf in hoger beroep bevoegd achtte om uitspraak te doen over voornoemde voorlopige maatregelen, voert eiser twee middelen tot cassatie aan.

II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN

1. Het eerste onderdeel van het eerste middel verwijt het appelgerecht zijn beslissing dat de Belgische rechter internationaal bevoegd was om kennis te nemen van de onderhoudsvordering niet naar recht te verantwoorden.

1.2. Overeenkomstig artikel 5.2 van Verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening) kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat t.a.v. van onderhoudsverplichtingen worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen recht bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van de partijen.

1.3. Waar in voormeld artikel 5.2 aan de onderhoudsgerechtigde de keuze wordt gegeven de vordering te brengen voor zijn woonplaats of gewone verblijfplaats, wordt er voor de invulling van het begrip woonplaats in artikel 59.1 van diezelfde Verordening verwezen naar het interne recht van de lidstaat(1). De Belgische rechter zal daarbij toepassing dienen te maken van artikel 36 Ger.W. en niet van artikel 102 BW(2).Er is immers sprake van een vraagstuk van rechterlijke bevoegdheid(3). Een persoon zal derhalve in België zijn woonplaats hebben indien hij in dit land is ingeschreven op de bevolkingsregisters als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf(4).

1.4. Uit artikel 59 EEX-Verordening volgt derhalve dat op grond van het interne recht van het gerecht waar de zaak aanhangig is gemaakt, wordt bepaald of de woonplaats op het grondgebied ligt van het land van dat gerecht. Voor het begrip van de woonplaats wordt dus de definitie gehanteerd die in de betrokken interne rechtsorde geldt. Zoals hierboven besproken, is de woonplaats van de onderhoudsgerechtigde volgens het Belgische recht de plaats waar hij in de bevolkingsregisters is ingeschreven als hebbende daar zijn hoofdverblijf, op grond van artikel 36 Ger.W..

1.5. Waar het appelgerecht in deze in feite en op niet betwiste wijze heeft vastgesteld (p. 5/9, nr. 2.2) dat verweerster is ingeschreven in de bevolkingsregisters van de stad Gent, en zij aldaar aldus haar woonplaats heeft in de zin van artikel 36 Ger.W., volgt hieruit m.i. dan ook dat het appelgerecht naar recht kon oordelen dat het bevoegd was om van de onderhoudsvordering van verweerster kennis te nemen op basis van artikel 5.2 van Verordening nr. 44/2001.

1.6. In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, lijkt dit mij dan ook te falen naar recht.

1.7. Het onderdeel nodigt uw Hof uit, alvorens recht te doen, aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag voor te leggen of het verenigbaar is met de bedoeling van de lidstaten om als bevoegde rechter in de zin van artikel 5.2 van de Verordening nr. 44/2001 een rechter te weerhouden van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde weliswaar is ingeschreven in de bevolkingsregisters als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf, maar waar hij niet noodzakelijk ook werkelijk verblijft en zijn rechten uitoefent? Volgens het onderdeel zou de bedoeling van de lidstaten de internrechtelijke definitie van de woonplaats dus kunnen beïnvloeden, en lijkt het er aldus vanuit te gaan dat het begrip van de woonplaats een autonome, Unierechtelijke dimensie kan aannemen die de louter internrechtelijke definitie van de woonplaats (in casu de plaats van inschrijving in de bevolkingsregisters) eventueel kan bijstellen. Dit is m.i. echter in strijd met de duidelijke collusieregel die is vastgesteld in artikel 59 EEX-Verordening. In dit artikel hebben de opstellers van de verordening immers niet gekozen voor een Unierechtelijk concept van de woonplaats, maar hebben zij de invulling daarvan uitsluitend laten afhangen van het interne recht van het gerecht waar de vordering is ingesteld.

1.8. Vanuit voormelde benadering bestaat er m.i. derhalve geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag en komt het mij aldus ook niet toevallig voor dat er geen precedenten werden gevonden van rechtspraak waarin het Europees Hof van Justitie uitlegging geeft van het begrip woonplaats in de zin van de artikelen 5.2 en 59 EEX-Verordening.

2. In het tweede onderdeel voert eiser een schending aan van de artikelen 1.1, 1.2.a) en 31 van de reeds eerder vermelde Verordening nr. 44/2001 in zover het appelgerecht oordeelt dat verweerster in kort geding geen vordering inzake huwelijksvermogensrecht instelde, maar enkel voorlopige maatregelen vorderde die de grond van de zaak en ook het huwelijksvermogensvermogen niet raken, terwijl de nagestreefde maatregelen zowel de persoon van de echtgenoten als hun goederen betroffen, meer bepaald de persoonlijke en patrimoniale gevolgen van het huwelijk hangende de echtscheidingsprocedure, andere dan een alimentatiegeld.

2.1. Blijkens artikel 1.1 wordt deze verordening toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht, en naar luid van artikel 1.2.a) wordt van het toepassingsgebied van de verordening uitgesloten de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen.

2.2. Waar artikel 31 EEX-Verordening de mogelijkheid schept om voorlopige en bewarende maatregelen voorgeschreven in de wetgeving van een lidstaat bij de rechterlijke autoriteiten van die staat aan te vragen, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens de EEX-Verordening bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, volgt uit vaststaande rechtspraak van het Europees Hof van Justitie evenwel dat dit artikel enkel van toepassing is op voorlopige of bewarende maatregelen inzake onderwerpen die binnen het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening vallen(5). Artikel 31 is dus niet van toepassing op vorderingen tot voorlopige maatregelen inzake onderwerpen die van het toepassingsgebied van de verordening uitgesloten zijn, zoals de staat van natuurlijke personen en het huwelijksgoederenrecht. Dit laatste begrip omvat niet alleen de in sommige nationale wetgevingen bepaaldelijk en uitsluitend voor de goederen van de echtgenoten getroffen regelingen, maar betreft evenzeer alle vermogensrechtelijke relaties die rechtstreeks uit de huwelijksband (dan wel uit het slaken ervan) voortvloeien(6). Vorderingen tot voorlopige maatregelen worden aldus van het toepassingsgebied van de verordening uitgesloten wanneer de maatregelen nauw samenhangen met de vermogensrechtelijke betrekkingen die rechtstreeks uit de huwelijksband voortvloeien(7). De vraag of de verordening kan worden toegepast op voorlopige en bewarende maatregelen wordt dus niet door de aard van de maatregelen bepaald, maar door de aard van de rechten welke erdoor worden bewaard(8).

2.3. Waar in deze de appelrechter louter vaststelt dat de voorlopige maatregelen de grond van de zaak en ook het huwelijksvermogensrecht niet raken (p. 6.9., al. 2), en op grond hiervan oordeelt dat de kortgedingrechter bevoegd is op basis van de EEX-Verordening, houdt hij m.i. enkel rekening met de aard van de gevorderde maatregel en beoordeelt hij niet of de rechten die door de voorlopige maatregelen worden bewaard betrekking hebben op een onderwerp dat van de verordening is uitgesloten, met name of de voorlopige maatregelen nauw samenhangen met de vermogensrechtelijke betrekkingen die rechtstreeks uit de huwelijksband voortvloeien, en verantwoordt hij aldus zijn beslissing niet naar recht.

2.4. Het tweede onderdeel van het eerste middel komt mij dan ook gegrond over, te meer daar - in tegenstelling tot wat door verweerster in haar memorie van antwoord wordt naar voor geschoven - het hoger beroep van eiser zich m.i. niet beperkte tot de beslissing van de voorzitter in kort geding m.b.t. het aan verweerster toegekend onderhoudsgeld. Zowel in de akte van hoger beroep als in zijn laatste appelconclusie betwistte eiser in hoofdorde de bevoegdheid van de Belgische rechter voor alle gevorderde en door de eerste rechter toegekende voorlopige maatregelen. Het is slechts in ondergeschikte orde dat hij alleen over de onderhoudsvordering ten gronde betwisting voerde. De overweging van de bestreden beslissing dat het geding tussen partijen een door verweerster gevorderde persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheidsprocedure betreft, laat m.i. dan ook niet toe te stellen dat de appelrechter niet bekritiseerd vaststelt dat eiser slechts een beperkt hoger beroep heeft ingesteld.

3. In het eerste onderdeel van het tweede middel verwijt eiser het appelgerecht een schending van de artikelen 2, 4 § 2, en 74 van het Wetboek van internationaal privaatrecht (WIPR), in zover het impliciet maar zeker beslist tot toepassing van het Belgisch recht op het door verweerster gevorderde onderhoudsgeld, nu op grond van de gedane vaststellingen niet blijkt dat de gewone verblijfplaats van verweerster te Gent was gevestigd.

3.1. Het WIPR voorziet in artikel 74, § 1, het toepasselijke recht bij gebreke aan keuze in een overeenkomst tot verstrekking van onderhoud. Het knoopt voornamelijk aan bij de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde. De onderhoudsverplichting wordt beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied de onderhoudsgerechtigde op het tijdstip dat ze wordt ingeroepen zijn gewone verblijfplaats heeft. De partijen kunnen echter ook een overeenkomst tot onderhoud sluiten. Zij kunnen dan kiezen tussen twee toepasselijke rechtstelsels, d.w.z. het recht van de staat waarvan op het tijdstip van die keuze een van hen de nationaliteit heeft of het recht van het land op wiens grondgebied, op dat tijdstip, een van hun zijn gewone verblijfplaats heeft (artikel 75, § 1)(9). Uit de mogelijkheid om een afwijkende overeenkomst te sluiten, volgt m.i. dus alleszins dat artikel 74, § 1, WIPR de openbare orde niet raakt en evenmin een dwingende wetsbepaling is.

3.2. Waar artikel 74 WIPR ter bepaling van het toepasselijke recht zodoende verwijst naar het begrip gewone verblijfplaats, zoals omschreven in artikel 4 WIPR, en naar luid van § 2, 1° van dit artikel voor de toepassing van deze wet onder gewone verblijfsplaats wordt verstaan de plaats waar een natuurlijke persoon zich hoofdzakelijk heeft gevestigd, zelfs bij afwezigheid van registratie en onafhankelijk van een verblijfs- of vestigingsvergunning, en dat om deze plaats te bepalen met name wordt rekening gehouden met omstandigheden van persoonlijke of professionele aard die duurzame banden met die plaats aantonen of wijzen op de wil om die banden te scheppen, valt - op basis van de beoordeling door de appelrechter omtrent de bepaling van de woonplaats van verweerster te Gent (met afwijzing van bepaalde tegenindicaties) (p. 5/9, nr. 2.2) - m.i. toch moeilijk te ontkennen dat dergelijk oordeel niet de voormelde vereiste criteria m.b.t. de gewone verblijfplaats van verweerster (sinds bijna vijf jaar al) zou omvatten en inhouden.

3.3 Dit onderdeel lijkt mij dan ook niet te kunnen aangenomen worden.

4. In het tweede onderdeel van het tweede middel werpt eiser een motiveringsgebrek op doordat het bestreden arrest niet antwoordt op diens middel in zijn syntheseconclusie m.b.t. de verplichtingen die door partijen bij het huwelijkscontract werden aangegaan, nl. dat verweerster voor de helft moet instaan voor de gemeenschappelijke aangegane kosten wanneer het huwelijk geen stand houdt om andere redenen dan overlijden, zodat zij geen aanspraak kon maken op enige onderhoudsbijdrage.

4.1. Ook dit onderdeel lijkt mij evenmin te kunnen aangenomen worden.

4.2. Waar eiser tot staving van zijn middel verschillende argumenten aanvoerde, was het verweer inzake de verplichtingen die door partijen bij het huwelijkscontract werden aangegaan bijgevolg slechts één ervan om te stellen dat verweerster geen recht had op enig onderhoudsgeld tijdens de echtscheidingsprocedure.

4.3. Volgens vaststaande rechtspraak van uw Hof(10) houdt de verplichting om de vonnissen en arresten met redenen te omkleden en te antwoorden op de regelmatig aangevoerde middelen niet de verplichting in om te antwoorden op de argumenten die tot staving van die middelen zijn aangevoerd en geen afzonderlijke middelen vormen.

4.4. Op die basis komt het mij dan ook voor dat de appelrechter, naast het ter zake reeds eerder met redenen verworpen en beantwoord verweer van eiser (p. 7/9, laatste al., en 8/9, eerste al.), niet verder diende te antwoorden op de beweringen inzake de verplichtingen die de partijen bij het huwelijkscontract hadden aangegaan.

III. CONCLUSIE: Nu de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden, concludeer ik in zoverre tot VERNIETIGING.
_________________
(1) Zie M. Traest, Commentaar bij artikel 5(2) EEX-Verordening, in Gerechtelijk recht. Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2005, nrs. 5 en 6.
(2) J. Erauw, Niet-uitsluitende bevoegdheidsgronden in H. van Houtte en M. Pertegas Sender (red.), Europese IPR-Verdragen, Leuven, Acco, 1997, 76.
(3) P. Renard, Rapport over het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB. C. 5 maart 1979, nr. 59/17, waar in voetnoot 3 expliciet naar België wordt verwezen.
(4) M. Traest, Commentaar bij artikel 59 EEX-Verordening, in Gerechtelijk recht. Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2005, nr. 8.
(5) HvJ 27 maart 1979, De Cavel I, 143/78, Jurisp. 1979, 1056, r.o. 9; HvJ 31 maart 1982, W./H., 25/81, Jurispr. 1981, 1990, r.o. 7-9; HvJ 26 maart 1992, Reichert en Kockler t. Dresden Bank AG, C-261//90, Jurisp. 1992, I-2175, r.o. 34; zie ook M. Pertegas-Sender, Commentaar bij artikel 31 EEX-Verordening in Gerechtelijk recht. Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2003, 4.
(6) HvJ 27 maart 1979, De Cavel I, 143/78, Jurispr. 1979, 1056, r.o.7; HvJ 31 maart 1982, W./H. 25/81,Jurispr; 1981, 1190, r.o. 6.
(7) Bijvoorbeeld: verzegeling van een beslag op vermogensbestanddelen tijdens de echtscheidingsprocedure (cf. supra De Cavel I); de afgifte van een document teneinde te voorkomen dat de daarin voorkomende verklaringen als bewijs wordt gebruikt in een rechtsgeschil betreffende het beheer van het vermogen van de vrouw (cf. supra W./H.).
(8) HvJ 27 maart 1979, De Cavel I, 143/78, Jurispr. 1979, 1056, r.o. 8; HvJ 6 maart 1980, De Cavel II, 120/79, Jurispr. 1980, 732, r.o. 9; HvJ 26 maart 1992, Reichert en Kockler t. Dresdner Bank AG, C-261/90, Jurispr. 1992, I-2175, r.o. 32; HvJ 10 februari 2009, Allianz SpA en Generali Assicurazioni Generali Sp A t. West Tankers Inc., C-185/07, Jur. 2009, I-663, r.o. 22; zie ook P. Wautelet, Commentaar bij art. 1 EEX-Verdrag, in Gerechtelijk recht; Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 1999, nr. 24.
(9) J. Erauw en H. Storme, Internationaal privaatrecht, in Beginselen van Belgisch privaatrecht, XVII, Mechelen, Kluwer 2009, 611-612, nrs. 525 en 526.
(10) Cass. 15 april 2002, AR S.01.0085.F, AC 2002, nr. 229; Cass. 16 november 2007, AR C.06.0205.F, AC 2006, nr. 559; zie ook S. Mosselmans, Rechterlijke motivering anno 2010, Gent, Larcier, nr. 72, vn. 201.

Noot: 

Swerts, K., « Over voorlopige of bewarende maatregelen en de vaststelling van de woonplaats inzake bevoegdheidsgeschillen bij onderhoudsverplichtingen », R.A.B.G., 2015/12, p. 877-881.

Rechtsleer:

• M. Traest, “Commentaar bij artikel 5 (2) EEX-Verordening” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2005, 6, nr. 6.

•J. Erauw, “Niet-uitsluitende bevoegdheidsgronden” in H. Van Houtte en M. Pertegas Sender (eds.), Europese IPR-verdragen, Leuven, Acco, 1997, (71) 76;

• M. Traest, “Commentaar bij artikel 59 EEX-Verordening” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2004, 5, nr. 8, met verwijzing naar P. Jenard, “Rapport over het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken”, Pb.C. 5 maart 1979, nr. 59/15-18, 17.

• A. Smets, “Commentaar bij artikel 36 Ger.W.” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2002, nr. 1.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/07/2017 - 11:15
Laatst aangepast op: ma, 10/07/2017 - 11:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.