-A +A

Inwilligingsplicht rechter bij verstek sluit onderzoek naar bevoegdheid niet uit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arrondissementsrechtbank
Plaats van uitspraak: West-Vlaanderen
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/12/2016

Art. 630, tweede lid Ger.W. bepaalt dat van de verstekmakende verweerder vermoed wordt dat hij de bevoegdheid afwijst van de rechter voor wie de zaak aanhangig is.

Dit vermoeden van betwisting geldt in principe slechts wanneer de dwingende bevoegdheidsregels van de artt. 627, 628 en 629 Ger.W. van toepassing zijn..

In geval van verstek, moet de rechter hoe dan ook zijn territoriale bevoegdheid moet nagaan, zelfs bij ontstentenis van het wettelijk vermoeden van art. 630, tweede lid Ger.W. (Cass. 13 juni 1985, Arr.Cass. 1984-85, 1423). De rechter dient derhalve zijn territoriale bevoegdheid na te gaan in geval van verstek, zelfs wanneer de wet niet uitdrukkelijk bepaalt welke rechter territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van de vordering.

Daarentegen bepaalt het nieuwe art. 806 Ger.W., van toepassing sedert 1 november 2015: «In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.»

Hoewel de territoriale bevoegdheid in principe de openbare orde niet raakt, oordeelde het Hof reeds lang vóór de inwerkingtreding van het nieuwe art. 806 Ger.W. dat de rechter, desnoods ambtshalve, toch zijn territoriale bevoegdheid dient te onderzoeken (zie supra).

Onbetwistbaar behoort het tot de essentiële taak van de rechter erover te waken dat eenieder de kans heeft gekregen om voor hem te verschijnen. Deze processuele bescherming behelst zo nodig een onderzoek van de territoriale bevoegdheid. Men moet immers uitgaan van de finaliteit van art. 624 Ger.W. Deze wettekst speelt in het voordeel van de verweerder, zodat men van hem niet mag verwachten dat hij zich voor de rechter zou aanbieden, alleen maar om de onbevoegdheid op te werpen. De rechter moet nagaan of het gebeurlijk aftrekken van de verweerder van de rechter, die de wet hem toekent, het verstek van deze partij al dan niet kan verklaren (J. Laenens, «Overzicht van rechtspraak. De bevoegdheid (1979-1992)», TPR 1993, p. 1503, nr. 33).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
994
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV K. t/ J.S.

...

2. Feiten en gegevens van de vorderingen

De vordering, zoals gesteld in de dagvaarding van 20 april 2016, strekt tot veroordeling van de verwerende partij om aan eisende partij te betalen een schuld ten bedrage van 2.339 euro, vermeerderd met de intresten en een conventioneel schadebeding van 233,95 euro uit hoofde van een factuur van 29 mei 2016 voor levering van hengstensperma.

Op de inleidende zitting van 6 mei 2016 verscheen de verwerende partij niet en werd tegen hem verstek verleend.

In het verstekvonnis van 3 juni 2016 oordeelde de Rechtbank te Ieper dat de inhoud van art. 806 Ger.W. (nieuw) de rechter – in geval van verstek van de verwerende partij – niet ontslaat van de plicht om ook de territoriale bevoegdheid te onderzoeken op grond van art. 630, tweede lid Ger.W.

De rechtbank stelde voorts vast dat eisende partij zich op een forumbeding in haar verkoopsvoorwaarden beroept, maar dat uit de gegevens, gevoegd bij de dagvaarding, blijkt dat de verwerende partij politieambtenaar is, zodat de vraag rijst of art. 25 W.Kh. hier wel van toepassing is en of deze factuurvoorwaarden de verwerende partij wel tegenwerpelijk zijn.

Daar de eisende partij zich subsidiair op art. 624, 2o Ger.W. beroept, oordeelt de rechtbank dat het voorwerp van de vordering een verbintenis tot betaling betreft en dat een betaling haalbaar is krachtens art. 1247, tweede lid BW.

Met toepassing van art. 640 Ger.W. werd de zaak naar de arrondissementsrechtbank verwezen.

3. Beoordeling

Art. 630, tweede lid Ger.W. bepaalt dat van de verstekmakende verweerder vermoed wordt dat hij de bevoegdheid afwijst van de rechter voor wie de zaak aanhangig is.

Dit vermoeden van betwisting geldt in principe slechts wanneer de dwingende bevoegdheidsregels van de artt. 627, 628 en 629 Ger.W. van toepassing zijn. Dit principe werd onder meer bevestigd door het Hof van Cassatie in een arrest van 13 juni 1985. Het Hof voegde er echter wel aan toe dat in geval van verstek, de rechter hoe dan ook zijn territoriale bevoegdheid moet nagaan, zelfs bij ontstentenis van het wettelijk vermoeden van art. 630, tweede lid Ger.W. (Cass. 13 juni 1985, Arr.Cass. 1984-85, 1423). De rechter dient derhalve zijn territoriale bevoegdheid na te gaan in geval van verstek, zelfs wanneer de wet niet uitdrukkelijk bepaalt welke rechter territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van de vordering.

Daarentegen bepaalt het nieuwe art. 806 Ger.W., van toepassing sedert 1 november 2015: «In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.»

Hoewel de territoriale bevoegdheid in principe de openbare orde niet raakt, oordeelde het Hof reeds lang vóór de inwerkingtreding van het nieuwe art. 806 Ger.W. dat de rechter, desnoods ambtshalve, toch zijn territoriale bevoegdheid dient te onderzoeken (zie supra).

Onbetwistbaar behoort het tot de essentiële taak van de rechter erover te waken dat eenieder de kans heeft gekregen om voor hem te verschijnen. Deze processuele bescherming behelst zo nodig een onderzoek van de territoriale bevoegdheid. Men moet immers uitgaan van de finaliteit van art. 624 Ger.W. Deze wettekst speelt in het voordeel van de verweerder, zodat men van hem niet mag verwachten dat hij zich voor de rechter zou aanbieden, alleen maar om de onbevoegdheid op te werpen. De rechter moet nagaan of het gebeurlijk aftrekken van de verweerder van de rechter, die de wet hem toekent, het verstek van deze partij al dan niet kan verklaren (J. Laenens, «Overzicht van rechtspraak. De bevoegdheid (1979-1992)», TPR 1993, p. 1503, nr. 33).

De tekst van het nieuwe art. 806 Ger.W. staat daar niet aan in de weg. Het blijft de taak van de rechter bij verstek om na te gaan of de afwezige verweerder regelmatig is gedagvaard of opgeroepen. Het is en blijft de taak van de rechter bij verstek na te gaan of hij wel bevoegd is. De vereiste bevoegdheidscontrole omvat de materiële bevoegdheid wanneer ze de openbare orde raakt en in elk geval de territoriale bevoegdheid, ook wanneer ze de openbare orde niet raakt en slechts van dwingend of aanvullend recht is. De parlementaire voorbereiding leert dat de teneur van het cassatiearrest van 13 juni 1985 zou kunnen blijven dienen. Art. 630, tweede lid Ger.W. blijft verenigbaar met art. 806 Ger.W. Meer algemeen moet de rechter in geval van verstek een sanctie opleggen bij miskenning van om het even welke territoriale bevoegdheidsregel (Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54 1219/009, p. 8-9; Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54 1219/009, p. 9; Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54 1219/005, p. 99-100; S. Mosselmans, «Taak van de rechter bij verstek», RW 2016-17, 3).

Ook de territoriale bevoegdheid moet worden beoordeeld op grond van wat in de dagvaarding staat vermeld. Uit de dagvaarding, noch uit de persoonsgegevens, gevoegd bij de dagvaarding, blijkt dat de versteklatende verwerende partij een handelaar zou zijn, waarop het vermoeden van art. 25 W.Kh. eventueel zou kunnen worden toegepast.

De toepassing van art. 624, 2o Ger.W. leidt evenmin tot de bevoegdheid van de Rechtbank te Ieper, omdat het voorwerp van de vordering een betalingsverbintenis is. Bij gebrek aan een gekozen plaats van betaling dient er betaald te worden in de woonplaats van de schuldenaar (art. 1247, tweede lid BW). Aangezien de verwerende partij te 6960 Manhay woont, is de Rechtbank van Eerste Aanleg Luxemburg, afdeling Marche-en-Famenne territoriaal bevoegd.

Noot: 

• F. Lejeune, «Simplification de la procédure par défaut et métamorphose de l’appel, pour quelle éfficacité?» in J. Englebert en X. Taton (eds.), Le procès civil efficace – Première analyse de la loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile (dite «loi pot-pourri 1»), Limal, Anthemis, 2015, p. 122-123, nr. 29;

• S. Mosselmans, «Taak van de rechter bij verstek», RW 2016-17, p. 16, nr. 47;

• P. Taelman en K. Broeckx, «Rechtsmiddelen na Potpourri I» in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), Hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, Brugge, die Keure, 2016, p. 111, nr. 10;

• J.-F. van Drooghenbroeck, «Le défaut – Réajustement de la protection du justiciable défaillant» in H. Bourlarbah en J.-F. van Drooghenbroeck (eds.), Pot-Pourri I et autres actualités de droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2016, p. 204-205, nrs. 33-34.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 11/02/2018 - 17:40
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.