-A +A

Inwilligingsplicht bij verstek neemt de bewijslast van de eiser niet weg

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 17/10/2016

Art. 806 Ger.W., zoals gewijzigd door de wet van 19 oktober 2015 (“Potpourri I”), doet geen afbreuk aan art. 870 Ger.W. op basis waarvan eiseres in eerste instantie de elementen waarop haar vordering gebaseerd is, moet bewijzen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV E. t/ I.D.

...

Tegen gedaagde, die tijdig en regelmatig werd gedagvaard, maar niet verscheen, noch vertegenwoordigd werd, werd verstek gevorderd.

Eiseres, die wegens een verkeersongeval op 30 december 2014 de derde benadeelde vergoedde, vordert van gedaagde terugbetaling van een contractuele vrijstelling van 800 euro, vermeerderd met de interest.

Art. 806 Ger.W., zoals gewijzigd door de wet van 19 oktober 2015 (“Potpourri I”), doet geen afbreuk aan art. 870 Ger.W. op basis waarvan eiseres in eerste instantie de elementen waarop haar vordering gebaseerd is, moet bewijzen.

De rechtbank stelt vast dat de eiseres niet voldoet aan haar bewijslast.

De rechtbank wijst op een niet onbelangrijk onderscheid tussen de regresvordering op basis van de artt. 24 en 25 van de modelpolis enerzijds en de contractuele vrijstelling anderzijds.

De regresvordering op basis van de artt. 24 en 25 van de modelpolis maakt deel uit van de algemene voorwaarden van de polis, bijlage bij het KB van 14 december 1992, waaruit voortvloeit dat de verzekeraar in geval van een dergelijke regresvordering de aanvaarding van de bedingen van de polis niet hoeft te bewijzen, maar dat de verzekeringsnemer (of in voorkomend geval de verzekerde) het bewijs moet leveren van een eventuele afwijking van de modelpolis.

De contractuele vrijstelling maakt echter geen deel uit van de algemene voorwaarden van de modelpolis, maar moet in voorkomend geval blijken uit de bijzondere voorwaarden.

Anders dan voor het regres op basis van de artt. 24 en 25 van de modelpolis (Cass. 9 maart 2007, T.Pol. 2007, 148; Cass., 18 januari 2010, RW 2010-11, 1129), blijft in het thans voorliggende geval van de contractuele vrijstelling de bewijslast van de verzekeraar m.b.t. de aanvaarding van het beding en dus de vereiste van de voorlegging van een door de verzekeringsnemer ondertekende polis onverkort bestaan (Pol. Mechelen, 8 februari 2008, T.Pol. 2008, 98, met verwijzingen in het vonnis; I. Boone, “Het regresrecht van de WAM-verzekeraar: een ondertekende polis hoeft niet”, De Verz. 2007, p. 321, nr. 12).

De rechtbank stelt vast dat de door eiseres overgelegde bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst, waaruit zou moeten blijken dat de gevorderde contractuele vrijstelling bedongen werd, en die overigens vermeldt dat ze slechts in één exemplaar werden opgemaakt, niet door gedaagde – verzekeringsnemer – ondertekend werden.

De vordering is niet gegrond bij gebrek aan afdoend bewijs.

De rechtbank verwijst betreffende dit alles ook naar haar eerdere rechtspraak: Pol. Gent 26 september 2011, T.Vred./T.Pol., 2012, 557/189.

Volledigheidshalve vermeldt de rechtbank nog dat de vordering wordt afgewezen op basis van een beoordeling ten gronde en niet op basis van een exceptie, zodat er geen reden is tot voorafgaande heropening van het debat op basis van art. 774, tweede lid Ger.W. (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek Gerechtelijk Recht, 2008, nrs. 950 en 951).

...

Noot: 

D. Scheers en P. Thiriar, Potpourri I – Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 113 zeer terecht gewaarschuwd toen zij schreven: “Doordat art. 806 Ger.W. thans niet meer uitdrukkelijk bepaalt dat de rechter kan optreden in geval van een kennelijk ongegronde vordering, bestaat de kans dat de rechtspraak het begrip openbare orde in art. 806 Ger.W. heel ruim gaat interpreteren om de rechter toch de mogelijkheid te geven om een overdreven eis of een onrechtmatig schadebeding af te wijzen.

De wetgever heeft zelf een aanzet om het begrip openbare orde zo te bekijken dat een overdreven (...) schadebeding zou kunnen worden afgewezen. Dat standpunt verdient geen navolging en kan leiden tot een zo ruime invulling van het begrip openbare orde dat het iedere zin gaat verliezen. Het valt zeer te betreuren dat de mogelijkheid voor de rechter om ambtshalve op te treden wanneer een eis kennelijk ongegrond is, niet werd behouden”.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 15/05/2017 - 15:04
Laatst aangepast op: ma, 15/05/2017 - 15:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.