-A +A

Invordering van fiscale schulden van gehuwden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 08/06/2006
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
405

Hof van Cassatie

1e Kamer – 8 juni 2006

 

 

D.H. t/ Belgische Staat, minister van Financiën en ontvanger der belastingen van het ontvangkantoor Brasschaat
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
...
III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Tweede onderdeel
1. Krachtens art. 73 W.I.B. 1964, zoals van toepassing vóór zijn vervanging bij art. 51 van de wet van 5 januari 1976, worden de belastbare inkomsten van echtgenoten samengevoegd, ongeacht het aangenomen huwelijksstelsel, en wordt de aanslag op naam van het gezinshoofd gevestigd.
2. Krachtens het te dezen toepasselijke art. 294, § 1, W.I.B. 1964 mag de invordering van de belasting gevestigd ten name van het gezinshoofd worden vervolgd op al de roerende of onroerende goederen van de echtgenoten, alsmede op die van de kinderen wier inkomen met dat der ouders werd samengevoegd.
Deze verhaalsmogelijkheid is niet van toepassing indien de echtgenoot laat blijken dat hij die goederen vóór zijn huwelijk bezat of dat hij ze nadien heeft verkregen door wederbelegging van de realisatieprijs van dergelijke goederen, of indien die echtgenoot of de kinderen laten blijken dat hun goederen of de gelden waarmede die goederen werden aangeschaft, voortkomen van een nalatenschap, van een schenking uitgaande van andere personen dan de belastingplichtige, ofwel van hun eigen inkomsten of nog van de realisatie van aldus verkregen goederen.
3. Art. 294, § 1, W.I.B. 1964 heeft niet tot gevolg dat echtgenoten hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de belastingschuld, maar bepaalt enkel de omvang van het verhaalsrecht van de schatkist.
4. Het arrest oordeelt dat krachtens de wet een passieve hoofdelijkheid bestaat tussen echtgenoten, omdat zij beiden gehouden zijn tot dezelfde belastingschuld, zodat de betekening van een dwangbevel aan de ene echtgenoot ook de verjaring tegen de andere echtgenoot stuit.
5. Het arrest schendt derhalve art. 294, § 1, W.I.B. 1964.
Het onderdeel is gegrond.
opm. dit betreft momenteel art. 394, § 1, W.I.B. 1992.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 03/11/2009 - 22:48
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.