-A +A

Inventaris is beschrijving en schatting van zowel de eigen vermogens van de echtgenoten als het gemeenschappelijk vermogen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 12/02/2015

Inventarissen zijn een beschrijving en schatting van zowel de eigen vermogens van de echtgenoten als het gemeenschappelijk vermogen. Ook de eedaflegging met toepassing van art. 1183, 11° Ger.W. beslaat de waarachtigheid van de opgave van zowel de eigen vermogens van de echtgenoten als het gemeenschappelijk vermogen.

Voorts heeft de in de artt. 1175 en 1183 Ger.W. bedoelde inventaris hoe dan ook tot doel de baten en de lasten van het huwelijksvermogen vast te stellen met het oog op de vereffening-verdeling, zodat «de partijen ertoe zijn gehouden om alle goederen te vermelden die een invloed kunnen hebben op de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen, ook al zou het goederen of waarden betreffen die krachtens een wettelijke bepaling worden geacht gemeenschappelijk te zijn, maar waarvan een van de echtgenoten, in geval van betwisting, in een procedure tot vereffening-verdeling eventueel het bewijs kan leveren dat zij tot zijn eigen vermogen behoren» 

De zienswijze dat de eigen goederen van een partij bij de inventaris op geen enkele wijze aan de orde kunnen worden gesteld, althans in zoverre die partij aannemelijk kan maken dat zij redelijkerwijze mocht aannemen dat de bedoelde goederen tot haar eigen vermogen behoren, gaat niet op. 

Mede blijkens het voormelde cassatiearrest van 26 januari 1999 zijn de partijen er immers toe gehouden «alle goederen te vermelden die een invloed kunnen hebben op de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen», wat het geval is met «goederen en waarden die krachtens een wettelijke bepaling geacht worden gemeenschappelijk te zijn, maar waarvan een van de echtgenoten, in geval van betwisting, in het raam van de procedure tot vereffening-verdeling, eventueel het bewijs kan leveren dat zij tot zijn eigen vermogen behoren».

Een inventaris houdt meer in dan zomaar een droge opsomming van onverdeelde goederen. Ze strekt tot het bepalen van de omvang van de onverdeelde boedel . Discussies over het eigen dan wel het gemeenschappelijk karakter van bepaalde goederen zijn in deze context bijgevolg ongetwijfeld relevant, zodat partijen dienaangaande de nodige verklaringen dienen af te leggen ook al strekt de procedure inzake de boedelbeschrijving niet tot de oplossing van de eigendomsvraag en ook al moeten de «eigen goederen» van een echtgenoot in beginsel niet in de inventaris worden opgenomen. Hetzelfde geldt wanneer een betwisting bestaat over het toebehoren van een bepaald goed aan een derde.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
387
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

G. t/ D.

I. Relevante feitelijke elementen

1. De partijen zijn ex-echtgenoten. Zij huwden op 4 augustus 1971 en zijn, na een bij dagvaarding van 22 april 1993 geïnitieerde procedure en blijkens (1) een vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper van 15 december 1993 en (2) een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 17 oktober 1994, uit de echt gescheiden, met navolgende overschrijving van het beschikkende gedeelte van de echtscheidingsuitspraak in de registers van de ambtenaar van de burgerlijke stand te Poperinge op 29 maart 1995.

Zij vielen, huwelijksvermogensrechtelijk gezien, onder het toenmalige wettelijke gemeenschapsstelsel.

De navolgende vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen werd afgesloten met een dading van 11 september 1998, die onder meer maakt dat M.D. (hierna: «D.») aan J.G. (hierna «G.») een bedrag van 3.000.000 fr. moet betalen, benevens kosten en bepaalde schulden.

Aan deze dading zijn drie inventarissen voorafgegaan: een eerste inventaris bij gerechtsdeurwaardersexploot van 3 september 1991 en twee navolgende inventarissen bij notariële akten van respectievelijk 7 oktober 1995 en 2 december 1997. De notariële inventaris van 7 oktober 1995, zoals voortgezet op 2 december 1997, behelst «de beschrijving en de schatting van alle goederen, roerende en onroerende, die behoren aan de partijen als eigen of aan het gemeenschappelijk vermogen dat tussen hen heeft bestaan, alles op vertoning en aangifte door de twee partijen». Bij het afsluiten van de inventaris van 2 december 1997 hebben de partijen met toepassing van art. 1183, 11o Ger.W. onder eed bevestigd onder meer dat «zij hebben aangegeven en doen bevatten in onderhavige inventaris al de goederen die zowel tot hun respectieve eigen vermogens als tot het gemeenschappelijk vermogen behoren in actieve en in passieve zin» en dat «zij niets verborgen of verduisterd hebben of weten dat er iets zou verborgen of verduisterd zijn geweest».

2. G. was in de periode 1978-1992 als werknemer tewerkgesteld bij de C.-Bank (thans K.-Bank). Zijn werkgever heeft ten behoeve van G. een groepsverzekering (...) afgesloten met het oog op opbouw van een aanvullend pensioen. De werkgever en de werknemer betaalden elk de helft.

Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar heeft G. dientengevolge op 3 januari 2011 een netto-bedrag van 31.226,19 euro ontvangen (gelet op een bruto-aanspraak ten bedrage van 37.296,12 euro).

II. Beroepen vonnis

Bij tussenvonnis van 1 december 2010 (in de zaak met A.R. nr. 10/0121/A) gaat de eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper in op de bij dagvaarding van 17 februari 2010 geïnitieerde en verder bij conclusie benaarstigde vordering van D. tot veroordeling van G. om aan D. primair de totaliteit (alsdan provisioneel begroot op 44.000 euro) en subsidiair de helft (alsdan provisioneel begroot op 22.000 euro) van de opbrengst van voormelde groepsverzekering te betalen, vermeerderd met de interesten en de gedingkosten. De rechtbank oordeelt dat de vordering ontvankelijk is en gegrond in die zin (1) dat voormelde dading is aangetast door bedrog van G. die bij voormelde notariële inventarissen en de erop geënte dading doelbewust het bestaan van voormelde groepsverzekering heeft verzwegen en (2) dat de opbrengst van voormelde groepsverzekering een gemeenschappelijk karakter heeft, zodat G. een in het licht van de nog over te leggen verzekeringspolis nader te bepalen bedrag moet voldoen.

De rechtbank heropent het debat.

III. Hoger beroep

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 27 december 2010 stelt G. hoger beroep in tegen het voormelde tussenvonnis van 1 december 2010. Hij beoogt primair de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van D. en subsidiair de beperking van deze vordering tot de helft van de netto-afkoopwaarde per 22 april 1993 (d.i. de datum van de dagvaarding tot echtscheiding).

2. D. concretiseert haar oorspronkelijke vordering en beoogt in hoger beroep, nadat het hof de zaak met toepassing van art. 1068, eerste lid Ger.W. aan zich heeft getrokken, de veroordeling van G. om aan D. primair de totaliteit (ten bedrage van 31.226,19 euro) en subsidiair de helft (ten bedrage van 15.613,10 euro) van de netto-opbrengst van voormelde groepsverzekering te betalen, vermeerderd met de interesten (vanaf 3 januari 2011, d.i. de datum van de uitbetaling) en de gedingkosten van beide aanleggen.

...

IV. Beoordeling

1. Het tijdig en regelmatig ingestelde hoger beroep is ontvankelijk.

2. Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat ook de oorspronkelijke vordering ontvankelijk is. De door G. bedoelde exceptie van dading kan niet dienen. In zoverre D. aanvoert dat de dading van 11 september 1998 door bedrog is aangetast, vertoont zij belang en hoedanigheid in de zin van de artt. 17-18 Ger.W., zodat haar vordering ontvankelijk is (Cass. 16 november 2007, RW 2009-10, 532). Voorts is een exceptie van dading slechts werkzaam indien de nadien ingestelde vordering (1) dezelfde partijenconstellatie, (2) hetzelfde voorwerp en (3) dezelfde oorzaak als de geldige dading betreft (B. Tilleman e.a., Dading in APR, Antwerpen, Kluwer, 2000, p. 428, nr. 883).

3. Krachtens art. 2053, tweede lid BW is een dading vernietigbaar in geval van bedrog. Deze bepaling bevat een herhaling van art. 1116 BW.

Met de eerste rechter is het hof verder van oordeel dat G., door tegen beter weten bij de redactie van en eedaflegging bij de twee notariële inventarissen van respectievelijk 7 oktober 1995 en 2 december 1997 geen melding te maken van voormelde groepsverzekering, bedrog heeft gepleegd.

4. Zoals aangegeven, behelzen de inventarissen een beschrijving en schatting van zowel de eigen vermogens van de echtgenoten als het gemeenschappelijk vermogen. Ook de eedaflegging met toepassing van art. 1183, 11o Ger.W. beslaat de waarachtigheid van de opgave van zowel de eigen vermogens van de echtgenoten als het gemeenschappelijk vermogen.

Voorts heeft de in de artt. 1175 en 1183 Ger.W. bedoelde inventaris hoe dan ook tot doel de baten en de lasten van het huwelijksvermogen vast te stellen met het oog op de vereffening-verdeling, zodat «de partijen ertoe zijn gehouden om alle goederen te vermelden die een invloed kunnen hebben op de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen, ook al zou het goederen of waarden betreffen die krachtens een wettelijke bepaling worden geacht gemeenschappelijk te zijn, maar waarvan een van de echtgenoten, in geval van betwisting, in een procedure tot vereffening-verdeling eventueel het bewijs kan leveren dat zij tot zijn eigen vermogen behoren» (Cass. 26 januari 1999, RW 1999-00, 1231, noot S. Van Overbeke).

De zienswijze dat de eigen goederen van een partij bij de inventaris op geen enkele wijze aan de orde kunnen worden gesteld, althans in zoverre die partij aannemelijk kan maken dat zij redelijkerwijze mocht aannemen dat de bedoelde goederen tot haar eigen vermogen behoren, gaat niet op (S. Van Overbeke, «Meineed bij boedelbeschrijving in geval van betwistingen omtrent het eigen of gemeenschappelijk karakter van de goederen» (noot onder Cass. 26 januari 1999, RW 1999-2000, p. 1233, nrs. 6-7). Mede blijkens het voormelde cassatiearrest van 26 januari 1999 zijn de partijen er immers toe gehouden «alle goederen te vermelden die een invloed kunnen hebben op de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen», wat het geval is met «goederen en waarden die krachtens een wettelijke bepaling geacht worden gemeenschappelijk te zijn, maar waarvan een van de echtgenoten, in geval van betwisting, in het raam van de procedure tot vereffening-verdeling, eventueel het bewijs kan leveren dat zij tot zijn eigen vermogen behoren» (C. Declerck en S. Vangoetsenhoven, «Verzegeling, boedelbeschrijving en gerechtelijke vereffening-verdeling – Capita selecta» in A.-L. Verbeke, e.a. (eds.), Themiscahier familiaal vermogensrecht, Brugge, die Keure, 2013, p. 62, nr. 15; W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 270-271, nr. 497; zie ook: Cass. 28 februari 2012, RABG 2013, 954, noot M. Govaerts; Cass. 22 mei 2012, RABG 2013, 956, noot M. Govaerts; zie ook eerder: Cass. 24 oktober 1989, RW 1990-91, 164, noot).

Een inventaris houdt meer in dan zomaar een droge opsomming van onverdeelde goederen. Ze strekt tot het bepalen van de omvang van de onverdeelde boedel (art. 1175, eerste lid Ger.W.). Discussies over het eigen dan wel het gemeenschappelijk karakter van bepaalde goederen zijn in deze context bijgevolg ongetwijfeld relevant, zodat partijen dienaangaande de nodige verklaringen dienen af te leggen (art. 1183, 8o Ger.W.; T. Van Sinay, «Commentaar bij art. 1183 Ger.W.» in Comm.Ger. 1996, p. 10, nr. 17; T. Van Sinay en J. Verstappen, Boedelbeschrijving inzake familiaal vermogensrecht en faillissementen, Gent, Mys & Breesch, 1993, p. 102, nr. 226), ook al strekt de procedure inzake de boedelbeschrijving niet tot de oplossing van de eigendomsvraag en ook al moeten de «eigen goederen» van een echtgenoot in beginsel niet in de inventaris worden opgenomen. Hetzelfde geldt wanneer een betwisting bestaat over het toebehoren van een bepaald goed aan een derde (T. Van Sinay en J. Verstappen, Boedelbeschrijving inzake familiaal vermogensrecht en faillissementen, Gent, Mys & Breesch, 1993, p. 102, nr. 225).

Overigens, wanneer een partij naar aanleiding van de inventaris het bestaan van bepaalde goederen verzwijgt, kan zij zelfs een latere strafrechtelijke veroordeling wegens meineed niet zomaar ontlopen door erop te wijzen dat de bedoelde goederen, althans volgens haar, tot haar eigen vermogen of dat van haar familie, kennissen of andere derden behoren (vgl. Antwerpen, 4 juni 1993, RW 1994-95, 124, met noot, i.h.b. p. 126, nr. 3).

Wat het huwelijksvermogensrecht betreft, mag bovendien niet uit het oog worden verloren dat het gemeenschappelijke karakter van de goederen de algemene regel is (art. 1405, 4o BW). In zijn voormelde arrest van 26 januari 1999 blijkt het Hof van Cassatie hier overigens uitdrukkelijk op te wijzen: het Hof gewaagt van «goederen en waarden die krachtens een wettelijke bepaling geacht worden gemeenschappelijk te zijn».

Eigenlijk dienen de echtgenoten in echtscheiding alles aan te geven waarvan zij weten dat het een invloed kan hebben op de samenstelling van het huwelijksvermogen en de mede gelet op die samenstelling door te voeren vereffening-verdeling (zie ook, inzake echtscheiding door onderlinge toestemming, waar nadrukkelijk opgave moet worden gedaan van o.m. de groepsverzekeringen, en dit ondanks het gebeurlijk beweerde eigen karakter ervan: S. Brouwers, «EOT-actualia», Not. Fisc. M. 2010, p. 57-58, nr. 1; M. Grégoire, «Les assurances-vie et les assurances-décès» in M. Grégoire en G. Mahieu (eds.), Le divorce par consentement mutuel, Brussel, Bruylant, 1993, p. 323-324, nr. 23; R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten – Een empirisch-juridische studie, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 148-152, nrs. 184-189; H. Vanbockrijck en G. Verschelden, «Art. 1287 Ger.W.» in Comm. Pers. 2008, p. 13, nr. 14; zie ook, in een nalatenschapscontext: Cass. 25 oktober 2003, T.Not. 2005, 268).

5. In die optiek diende G. bij de redactie van en de eedaflegging bij de twee notariële inventarissen van respectievelijk 7 oktober 1995 en 2 december 1997 melding te maken van voormelde groepsverzekering, omdat hij alsdan op de hoogte was van het bestaan ervan en de aanzienlijke opbrengstwaarde. Hij kan redelijkerwijze niet aanvoeren dat de opgave van de groepsverzekering de uitkomst van de op de notariële inventarissen geënte dading niet zou hebben beïnvloed.

6. Dat ook D. daarvan op de hoogte was of minstens kon zijn, doet daaraan geen afbreuk (Cass. 28 februari 2012, RABG 2013, 954, noot M. Govaerts; Cass. 22 mei 2012, RABG 2013, 956, noot M. Govaerts).

G. kan overigens bezwaarlijk aan de hand van post en rekeninguittreksels, weliswaar op zijn naam maar gebeurlijk (ook na de feitelijke scheiding) toegekomen op het adres van D., aanvoeren dat D. concreet van de groepsverzekering op de hoogte was. Niets sluit uit dat de bedoelde post en rekeninguittreksels, ondanks de gebeurlijk voor een bepaalde periode aangehouden verzending op het gewezen gezinsadres waar D. is blijven wonen, zijn doorgezonden naar G., die overigens redelijkerwijze niet kan aanvoeren sinds de (feitelijke) scheiding geen administratie meer over de groepsverzekering te hebben gehad. Meer algemeen bewijst G. niet dat D. (ten tijde van de scheiding en de afwikkeling ervan) afdoende concreet (vóór de aan G. persoonlijk en vertrouwelijk geadresseerde brief van de verzekeringsmaatschappij van 22 januari 2008, waar concrete bedragen worden aangegeven) van de groepsverzekering op de hoogte was.

G. voert dan ook vergeefs aan dat de vordering van D. niet kan slagen wegens de verjaring. De in art. 1304, eerste lid BW bedoelde verjaringstermijn van tien jaar begint, in geval van bedrog, eerst te lopen vanaf de dag waarop het bedrog is ontdekt (art. 1304, tweede lid BW). G. bewijst geenszins dat D. het bedrog waarop zij zich beroept meer dan tien jaar vóór haar vordering heeft ontdekt.

7. In dezelfde voormelde context is het concrete antwoord op de vraag of voormelde groepsverzekering de facto een spaarverrichting uitmaakt, zodat het tijdens het huwelijk met arbeidsinkomsten sensu lato opgebouwde groepsverzekeringskapitaal (gebeurlijk met toepassing van art. 1405, 1o en/of 4o BW) een gemeenschappelijk karakter vertoont vooralsnog niet doorslaggevend. G. kan zich bezwaarlijk verschuilen achter de ten tijde van de twee notariële inventarissen van respectievelijk 7 oktober 1995 en 2 december 1997 nog toepasselijke artt. 127-128 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, die pas later en meer precies ingevolge de arresten van 26 mei 1999 en 27 juni 2011 van het Grondwettelijk Hof discriminatoir zijn geacht, ook wat de groepsverzekering betreft (zie dienaangaande o.m.: R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix, B. Weyts en D. Wuyts (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 112 e.v., nrs. 12 e.v.; F. Buyssens en V. Allaerts, «Het Grondwettelijk Hof beslecht: het groepsverzekeringskapitaal valt in de huwgemeenschap – Praktische gevolgen: goed of slecht?» in W. Pintens en C. Declerck, Patrimonium 2012, Antwerpen, Intersentia, 2012, 151 e.v.; zie ook: Cass. 30 november 2012, Rev.trim.dr.fam. 2013, 968). Ook ten tijde van de litigieuze inventarissen was er (minstens mogelijkheid tot) discussie over het eigen dan wel gemeenschappelijke karakter van het tijdens het huwelijk met arbeidsinkomsten sensu lato opgebouwde groepsverzekeringskapitaal (zie voor een algemeen overzicht o.m.: C. Devoet, «Aanvullende pensioenen en huwelijksvermogensrecht» in H. Casman en M. Van Look (eds.), Huwelijksvermogensrecht, Mechelen, Kluwer, 2013, XXII). Voormelde artt. 127-128 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst worden opgeheven ingevolge de op 1 november 2014 in werking getreden nieuwe wet betreffende de verzekeringen (G. Jocqué, «De Wet Landverzekeringsovereenkomst en de Verzekeringswet 1974 in de nieuwe Wet Verzekeringen», RW 2014-15, p. 492, nr. 32 en p. 496, nr. 32).

8. Hoewel ten tijde van de dading van 11 september 1998 niet vaststond dat de afkoopwaarde van de groepsverzekering een gemeenschappelijk karakter had, kon ook dan redelijkerwijze worden verdedigd dat de groepsverzekering de facto een spaarverrichting uitmaakt, zodat het tijdens het huwelijk met arbeidsinkomsten sensu lato opgebouwde groepsverzekeringskapitaal (gebeurlijk met toepassing van art. 1405, 1o en/of 4o BW) een gemeenschappelijk karakter vertoont. Door zijn bedrieglijke houding heeft G. minstens de discussie dienaangaande (zoals zij nadien mede in het licht van de arresten van het Grondwettelijk Hof van 26 mei 1999 en 27 juni 2011 is uitgedeind) uitgesloten. G. heeft zodoende belet dat de dading (die, zoals aangegeven, onder meer maakt dat D. aan G. een bedrag van 3.000.000 fr. moet betalen, benevens kosten en bepaalde schulden) met meer kennis van zaken is gesloten.

Zoals aangegeven, kan G. redelijkerwijze niet aanvoeren dat de opgave van de groepsverzekering de uitkomst van de op de notariële inventarissen geënte dading niet zou hebben beïnvloed. Had D. ingevolge de opgave van de groepsverzekering door G. met meer kennis van zaken kunnen onderhandelen over de dading, dan zou zij die dading aan andere voorwaarden hebben gesloten. Het al dan niet verschoonbare karakter van het bedrog doet er niet toe. Incidenteel bedrog is derhalve aan de orde, zodat G. thans tot schadevergoeding is gehouden. Deze schadevergoeding heeft een veeleer verbintenisrechtelijke dan wel een huwelijksvermogensrechtelijke grondslag, omdat de partijen bij het sluiten van de daging op 11 september 1998 de weg van het huwelijksvermogensrecht hebben verlaten door middel van een dading in de zin van de artt. 2044 e.v. BW. Art. 1448 BW (dat in een huwelijksvermogensrechtelijke sanctie voor heling van gemeenschappelijke goederen voorziet) is derhalve niet aan de orde, terwijl, zoals aangegeven, ten tijde van de dading van 11 september 1998 evenmin vaststond dat de afkoopwaarde van de groepsverzekering een gemeenschappelijk karakter had.

9. Rest zodoende de vraag naar het concrete schadebedrag dat G. ingevolge zijn bedrog aan D. moet betalen.

Zoals aangegeven, heeft G., bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar, op 3 januari 2011 een netto-bedrag van 31.226,19 euro ontvangen (gelet op een bruto aanspraak ten bedrage van 37.296,12 euro).

Meer indicatief tot invulling van het discussieforum van de ingevolge het bedrog van G. te zeer in het nadeel van D. onderhandelde dading van 11 september 1998 (die, zoals aangegeven, onder meer maakt dat D. aan G. een bedrag van 3.000.000 fr. moet betalen, benevens kosten en bepaalde schulden) is evenwel de afkoopwaarde van de groepsverzekering ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel en meer precies op 22 april 1993 (art. 1278, tweede lid Ger.W.; zie ook: Antwerpen 4 november 2009, TBBR 2010, 329, noot N. Torfs). Deze netto-afkoopwaarde per 22 april 1993 (na fiscale en parafiscale inhoudingen) bedraagt blijkbaar volgens een berekening van de verzekeringsmaatschappij 10.666,88 x 95% = 10.133,54 euro.

Nog meer indicatief is de afkoopwaarde van de groepsverzekering ten tijde van de dading van 11 september 1998 en de dientengevolge doorgevoerde verdeling (zie ook en vergelijk: art. 890 BW; Cass. 5 december 2013, RABG 2014, 1030, noot A. Reniers). Deze afkoopwaarde ligt ergens halverwege tussen het voormelde bedrag van 31.226,19 en 10.133,54 euro, terwijl het hof concrete cijfergegevens mist.

Het staat buiten kijf dat de groepsverzekering ten tijde van de dading van 11 september 1998 voor afkoop vatbaar was. In de (zoals aangegeven, redelijkerwijze verdedigbare maar niet vaststaande) zienswijze dat de afkoopwaarde van de groepsverzekering een gemeenschappelijk karakter had, zou de helft daarvan ten behoeve van D. in de onderhandelingen tot de dading van 11 september 1998 zijn besloten. Voormelde elementen maken dat het hof, bij gebrek aan betere berekeningsmethoden, het concrete schadebedrag dat G. ingevolge zijn incidenteel bedrog aan D. moet betalen, op heden ex aequo et bono raamt op een bedrag van 7.500 euro, vermeerderd met de gerechtelijke (verwijl)interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot de datum van de algehele betaling.

10. Het hoger beroep van G. slaagt niet. Het beroepen tussenvonnis van 1 december 2010 verdient, gelet op voormelde redengeving, bevestiging in zoverre de eerste rechter oordeelt dat de vordering ontvankelijk is en gegrond in die zin dat voormelde dading is aangetast door bedrog van G. die bij voormelde notariële inventarissen en de erop geënte dading doelbewust het bestaan van voormelde groepsverzekering heeft verzwegen, zodat G. een in het licht van de nog over te leggen verzekeringspolis nader te bepalen bedrag moet voldoen.

Het hof trekt de zaak aan zich met toepassing van art. 1068, eerste lid Ger.W. en gaat zodoende verder deels in op de vordering van D.

...

Noot: 

• B. Verlooy De vernietiging van een dading wegens benadeling, RABG 2010/12, 761, noot onder het arrest zoals eveneens gebubliceerd in RABG/12, 755.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 01/11/2017 - 15:37
Laatst aangepast op: wo, 01/11/2017 - 15:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.