-A +A

Internering uitvoeringsmodaliteit hoogdringendheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 13/12/2016
A.R.: 
P.16.1153.N

De rechter beoordeelt onaantastbaar of het verzoek van een geïnterneerde tot het nemen van een beslissing over de in artikel 54 Interneringswet opgesomde uitvoeringsmodaliteiten van de internering een behandeling bij hoogdringendheid vereist

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/7
Pagina: 
574
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.V.A. - Rolnr.: P.16.1160.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 9 november 2016.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
(…)

Eerste middel
Eerste onderdeel
4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 54 interneringswet: door te oordelen dat de procedure bij hoogdringendheid enkel is bedoeld voor eenvoudige zaken waarin geen of slechts een kort debat is vereist zonder verdere onderzoeksmaatregelen, legt het vonnis voorwaarden op die artikel 54 interneringswet niet bepaalt; die bepaling vereist enkel hoogdringendheid en laat bovendien toe dat in het kader van de procedure op verzet onderzoeksmaatregelen worden bevolen.

5. Artikel 54, § 1 interneringswet laat de kamer voor de bescherming van de maatschappij toe om bij hoogdringendheid een beslissing te nemen over een verzoek tot overplaatsing van de geïnterneerde en tot het toekennen van een uitgaansvergunning, zoals bedoeld in artikel 20, § 2, 3°, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht, invrijheidstelling op proef en vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.

Artikel 54, § 5 en § 6 interneringswet bepaalt dat tegen deze beschikking verzet kan worden aangetekend, waarover de kamer voor de bescherming van de maatschappij bij vonnis oordeelt.

6. De rechter beoordeelt onaantastbaar of het verzoek van een geïnterneerde tot het nemen van een beslissing over de in artikel 54 interneringswet opgesomde uitvoeringsmodaliteiten van de internering een behandeling bij hoogdringendheid vereist.

7. Het vonnis oordeelt dat:

uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 54 interneringswet tot doel heeft de kamer voor de bescherming van de maatschappij de mogelijkheid te geven snel op te treden in spoedeisende omstandigheden;
de procedure bij hoogdringendheid aldus duidelijk bedoeld is voor eenvoudige zaken, waarin geen of slecht een kort debat is vereist;
de vraag van de eiser om een plaatsbezoek te bevelen, een deskundige aan te stellen en getuigen te verhoren, alsook om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, zelf aangeeft dat het dossier niet bij hoogdringendheid kan worden behandeld;
de eiser in zijn verzoek bovendien een beslissing vraagt over een veelheid aan uitvoeringsmodaliteiten zonder voor één van deze modaliteiten een concreet plan voor te leggen en dat ook om deze reden de zaak niet in staat is om bij hoogdringendheid te worden behandeld.
Door op die gronden te oordelen dat de door de wetgever vereiste hoogdringendheid niet is aangetoond, voegt het vonnis geen vereisten toe aan artikel 54 interneringswet, maar verantwoordt het integendeel de beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 54 interneringswet: het vonnis verwijst voor de invulling van het begrip hoogdringendheid ten onrechte enkel naar de wetsgeschiedenis en enkele voorbeeldsituaties uit de rechtsleer; het vonnis laat na de door de eiser ingeroepen concrete feitelijke situatie te toetsen aan het begrip hoogdringendheid zoals reeds afgelijnd door het Hof in zijn rechtspraak over artikel 584 Gerechtelijk Wetboek en laat aldus na te verifiëren of een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen.

8. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de mogelijkheid om bij hoogdringendheid beslissingen over de uitvoeringsmodaliteiten van de internering te nemen, wordt verantwoord door te verwijzen naar het specifieke kader van de internering waar in het belang van de zorg of de veiligheid met veel flexibiliteit moet kunnen worden gehandeld.

Noch uit de wetsgeschiedenis noch uit de bewoordingen van artikel 54 interneringswet volgt dat het begrip hoogdringendheid in deze bepaling eenzelfde betekenis heeft als het begrip hoogdringendheid in artikel 584 Gerechtelijk Wetboek.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk.

Tweede middel
10. Het middel voert schending aan van de artikelen 5, 4. en 13 EVRM: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de door de eiser ingeroepen schending van de materiële vereisten van de artikelen 3 en 5, l., e) EVRM niet volstaat om diens verzoek tot het nemen van een beslissing over de uitvoeringsmodaliteiten van zijn internering hoogdringend te maken; een onrechtmatige detentie voldoet immers steeds aan de vereiste van hoogdringendheid; het vonnis oordeelt eveneens ten onrechte dat een verzoek van de eiser op grond van artikel 54 interneringswet niet kan leiden tot een definitieve invrijheidstelling; deze bepaling is de enige mogelijkheid waarover de geïnterneerde beschikt om zelf een verzoek aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij voor te leggen; door aldus te oordelen, verleent het vonnis aan de eiser geen daadwerkelijke rechtshulp; er bestaat geen andere rechtshulp dan een invrijheidstelling.

Het middel verzoekt tevens de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

“Schendt de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering artikelen 3, 5, 1., 5, 4. en 13 EVRM, gelezen in samenhang met artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu deze wet in géén enkele sanctie voorziet indien de geïnterneerde in niet in aan zijn geestesziekte aangepaste omstandigheden wordt opgesloten, en indien hij niet in vrijheid kan worden gesteld omdat hij een gevaar vormt voor de maatschappij, waardoor het nationale rechtscollege bevoegd om [de eiser] daadwerkelijke rechtshulp te geven (de KBM) over géén enkele mogelijkheid beschikt om de vastgestelde onrechtmatigheid te sanctioneren?”
“Schendt de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering artikelen 3, 5, 1., 5, 4. en 13 EVRM, gelezen in samenhang met artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu deze wet géén invrijheidstelling (op proef of definitief) mogelijk maakt indien de geïnterneerde niet langer geestesziek is of omdat hij niet langer een gevaar vormt voor de maatschappij, waardoor het nationale rechtscollege bevoegd om [de eiser] daadwerkelijke rechtshulp te geven (de KBM) over géén enkele mogelijkheid beschikt om de vastgestelde onrechtmatige vrijheidsberoving te beëindigen?”
11. Artikel 5, 4. EVRM verhindert niet dat op het recht op voorziening bij een rechter door de wet beperkingen worden gesteld.

12. Artikel 29, § 1 onterneringswet bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen de 2 maanden die volgen op het in kracht van gewijsde gegane vonnis of arrest tot internering de zaak aanhangig maakt bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij met het oog op het laten aanwijzen van de inrichting waar de internering ten uitvoer dient te worden gelegd of met het oog op de toekenning van een andere uitvoeringsmodaliteit, zoals een uitgaansvergunning, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht, invrijheidstelling op proef of vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering. Deze procedure is aan termijnen gebonden die een uitspraak binnen een redelijke termijn moeten waarborgen.

13. De plaatsing, het verder beheer van de internering en de beslissing over de definitieve invrijheidstelling worden in de interneringswet verder aan een periodiek onderzoek onderworpen, waarbij de kamer voor de bescherming van de maatschappij op gestelde tijdstippen de toestand van de geïnterneerde moet onderzoeken, zonder dat deze daartoe het initiatief moet nemen. Ook hier gelden termijnen die een uitspraak binnen een redelijke termijn moeten waarborgen.

14. Artikel 81/1 interneringswet bepaalt dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij zich op de hoogte houdt van de toestand van de geïnterneerde persoon en zich met het oog daarop naar de plaats van zijn internering kan begeven of deze taak aan één of meer van haar leden opdragen.

15. Artikel 54 interneringswet bepaalt op dit systeem van periodiek onderzoek een uitzondering in geval van hoogdringendheid, waarbij naast het Openbaar Ministerie en de directeur of de verantwoordelijke van de zorg van de inrichting ook de geïnterneerde of zijn advocaat de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan verzoeken een beslissing te treffen over bepaalde uitvoeringsmodaliteiten van de internering.

16. De omstandigheid dat de geïnterneerde of zijn advocaat slechts bij hoogdringendheid een verzoek kan instellen om toekenning te krijgen van een overplaatsing, een uitgaansvergunning, zoals bedoeld in artikel 20, § 2, 3°, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht, invrijheidstelling op proef of vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering, houdt geen begrenzing in waardoor de toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast.

17. Het middel dat ervan uitgaat dat de artikelen 5, 4. en 13 EVRM vereisen dat elke door een geïnterneerde ingeroepen strijdigheid van zijn detentieomstandigheden met artikel 3 EVRM voor hem automatisch het recht opent op een overeenkomstig artikel 54 interneringswet bij hoogdringendheid genomen beschikking of vonnis, faalt naar recht.

18. De prejudiciële vragen strekken tot een toetsing van de interneringswet aan de artikelen 10 en 11 Grondwet, zonder evenwel te preciseren welke de bekritiseerde ongelijke behandeling is.

De prejudiciële vragen strekken verder tot een toetsing van de interneringswet aan de artikelen 3, 5, 1., 5, 4. en 13 EVRM, maar niet aan een bepaling van de Grondwet.

Wanneer de schending wordt opgeworpen door een wetsbepaling van een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd door een bepaling in Titel II van de Grondwet en een bepaling van Europees of internationaal recht, moet dat rechtscollege, overeenkomstig artikel 26, § 4 bijzondere wet Grondwettelijk Hof, eerst aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag stellen over de bestaanbaarheid van die wetsbepaling met de bepaling uit Titel II van de Grondwet. Er is evenwel geen aanleiding aan het Grondwettelijk Hof te vragen de bestaanbaarheid van een wettelijke bepaling te toetsen aan een bepaling van Europees of internationaal recht.

Het blijkt niet dat de door de artikelen 3, 5, 1., 5, 4. en 13 EVRM gegarandeerde rechten op geheel of gedeeltelijk analoge wijze worden gewaarborgd door een bepaling uit Titel II van de Grondwet.

Er is bijgevolg geen grond tot het stellen van de prejudiciële vragen.

Derde middel
(…)

Vierde middel
(…)

Vijfde middel
(…)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Noot: 

Hanoulle, K., « Nieuwe interneringswet: nieuwe en oude interpretatieproblemen », R.A.B.G., 2017/7, p. 579-582

Rechtsleer:

• HEIMANS, H. en VANDER BEKEN, T., 'De nieuwe interneringswet van 5 mei 2014' in J. CASSELMAN, R. DE RYCKE en H. HEIMANS (eds.), Internering. Nieuwe interneringswet en organisatie van de zorg, Brugge, Die Keure, 2015, 49-110;

• HEIMANS, H., VANDER BEKEN, T. en SCHIPAANBOORD, A.E., Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering? 'Deel 1: De gerechtelijke fase', RW 2014-15, 1043-1064, ' Deel 2: De uitvoeringsfase', RW 2015-2016, 42-62, ' Deel 3: De reparatie', RW 2016-2017, 603-619.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 21/07/2017 - 10:10
Laatst aangepast op: vr, 21/07/2017 - 10:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.