-A +A

Internering - Persoon die in stelling is opgenomen kan nog steeds recidivegevaar opleveren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 31/10/2017
A.R.: 
2017/NT/191

Internering

Beoordeling recidivegevaar artikel 9
Reeds in instelling opgenomen persoon voldoet ook aan recidivegevaar
 

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

...

I. Ten gronde

De eerste rechter is van oordeel dat de beveiligingsmaatregel van de internering lastens AD niet kan worden uitgesproken nu niet zou voldaan zijn aan de criteria die noodzakelijk zijn tot het opleggen van dergelijke maatregel.

Meer bepaald zou niet afdoende blijken dat op datum van de bestreden uitspraak, het gevaar bestaat dat AD als gevolg van haar toestand, eventueel in samenhang met andere risicofactoren opnieuw feiten zoals opgenomen in de oorspronkelijke tenlasteleggingen 1 en 2 zal plegen (meer bepaald de aanranding der eerbaarheid met geweld of bedreiging te hebben gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijk of vrouwelijk geslacht beneden de volle leeftijd van zestien jaar, meer bepaald op ML (geboren op 3 april 2004) en KD, (geboren op 10 september 2001) met de omstandigheid dat de aanranding der eerbaarheid werd gepleegd op de persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van leeftijd, zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of haar bekend was).

Op basis van de vaststellingen van haar professionele begeleiders besluit de eerste rechter dat AD, gelet op haar verstandelijke capaciteiten (van een driejarige), aan een geestesstoornis lijdt die haar oordeelsvermogen teniet doet en wordt de beklaagde op grond van artikel 71 van het Strafwetboek - zoals gewijzigd bij wet van 5 mei 2014 - vrijgesproken.

***

Het opleggen van de beveiligingsmaatregel van de internering wordt thans wettelijk geregeld door de bepalingen van de Wet van 5 mei 2014 - zoals gewijzigd bij wet van 4 mei 2016 - in werking getreden op 1 oktober 2016.

De internering van personen met een geestesstoornis wordt in artikel 2 gedefinieerd als een veiligheidsmaatregel die er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn/ haar toestand vereist met het oog op zijn/ haar re-integratie in de maatschappij.
Rekening houdend met het veiligheidsrisico en de gezondheid van de geïnterneerde persoon zal hem de nodige zorg aangeboden worden om een menswaardig leven te leiden.
Die zorg is gericht op de maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie en verloopt waar aangewezen en mogelijk via een zorgtraject waarin aan de geïnterneerde persoon telkens zorg op maat wordt aangeboden.

In artikel 2 wordt naast de maatschappelijke beveiliging derhalve een recht op aangepaste zorg (met het oog op re-integratie) in de wet ingeschreven.

Overeenkomstig artikel 9§1 van de Wet van 5 mei 2014 - zoals gewijzigd - kunnen de vonnisgerechten de internering bevelen van een persoon:

1° die een misdaad of een wanbedrijf heeft gepleegd die (dat) de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt;

2° die op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast;

3° bij wie gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren opnieuw feiten zoals bedoeld in 1° zal plegen.

Met de nieuwe interneringswet werd de sociale gevaarlijkheid geïncorporeerd door middel van de invoering van een minimumdrempel qua ernst van het misdrijf.

De internering kan enkel bevolen worden ten aanzien van een persoon die een misdaad of wanbedrijf heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden heeft aangetast of bedreigd.

Het vonnisgerecht beoordeelt op met redenen omklede wijze of het feit de fysieke of psychische integriteit van derden heeft aangetast of bedreigd.

De feiten voorwerp van de tenlasteleggingen 1 en 2 zijn in hoofde van AD - mede gelet op haar destijds afgelegde bekentenissen - ook voor het hof ten genoege van recht bewezen gebleven, hetgeen door haar overigens niet werd betwist.

Het hof treedt de overweging van de eerste rechter bij, zoals vermeld op het zevende blad van het bestreden vonnis, waar wordt vastgesteld dat de feiten - nl. de aanranding der eerbaarheid met geweld van twee minderjarige kinderen die wegens hun psychiatrische problematiek zich op het ogenblik der feiten in een kwetsbare toestand bevonden (ML heeft autisme en KD heeft het syndroom van Down), een misdaad uitmaken die de fysieke of psychische integriteit van beide slachtoffers heeft aangetast of bedreigd.

Op basis van het op 11 februari 2016 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen - afdeling Gent - neergelegd deskundig verslag van Dr. P dd. 26 januari 2016 en de voorliggende stukken van het strafdossier (waaronder de verklaring van de orthopedagoog verbonden aan de VZW Vesta waar AD thans nog steeds verblijft , Mevrouw M V) dient het besluit van de eerste rechter dat AD gelet op haar handicap op het ogenblik van de bestreden uitspraak leed aan een geestesstoornis die haar oordeelsvermogen teniet doet, evenzeer te worden bijgetreden.

In het aangehaald verslag van Dr. P wordt immers vastgesteld dat AD omwille van haar mentale handicap - die overigens heeft geleid tot een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 3 juni 2010 waarbij zij verlengd minderjarig werd verklaard - een emotionele ontwikkelingsleeftijd heeft die niet hoger is dan een kind van achttien maanden.

Haar intelligentiequotiënt wordt bepaald op 48.

Zij kent evenmin het onderscheid tussen goed en kwaad en heeft moeite met het begrijpen van verbale communicatie.

Volgens deskundige P zal zij blijvend aangewezen zijn op de omkadering en structuur in een woonvorm met concrete begeleidingsrichtlijnen en in dit verband adviseert de deskundige de consolidatie in de woonvorm waar zij thans verblijft, namelijk het orthopedagogisch centrum Vesta.

Dr. P besluit dat AD voor zichzelf of voor de maatschappij een gevaar uitmaakt indien ze geen gestructureerde behandeling ondergaat.

Een gestructureerde behandeling met externe controle door concrete begeleidingsvoorschriften en medicatie is te adviseren overeenkomstig artikel 9bis van de Probatiewet, waarbij het gedrag van AD een verdere geneeskundige psychiatrische of psychologische behandeling noodzakelijk maakt welke ambulant mogelijk is.

***

De niet betwiste feiten voorwerp van de tenlasteleggingen 1 en 2 hebben zich voorgedaan tijdens het verblijf van AD in het pleeggezin van MV die naast haar eigen kinderen, de zorg heeft van drie mentaal gehandicapte pleegkinderen, waaronder AD en het (toen 10-jarige) slachtoffer ML die lijdt aan autisme.

Het tweede slachtoffer betreft het dochtertje van een bevriend koppel van MV, dertien jaar op het ogenblik der feiten en lijdend aan het syndroom van Down.

AD verbleef in het pleeggezin van Mevrouw V van 9 juli 2013 tot 25 februari 2015.

De aan AD ten late gelegde feiten hebben geleid tot haar plaatsing in het orthopedagogisch centrum Vesta, alwaar zij thans nog steeds voltijds verblijft.

Uit de verdere informatie in verband met de psychische en sociale situatie van AD blijkt dat zij op jonge leeftijd zelf herhaaldelijk het slachtoffer werd van seksueel misbruik en dat haar gedrag naar mannen toe abnormaal was. (cfr. infra)

Naar aanleiding van het voorgenomen videoverhoor namen de onderzoekers in datum van 13 augustus 2015 telefonisch contact op met de orthopedagoog verbonden aan de instelling VZW Vesta, (M V) teneinde de communicatievaardigheden van AD te bevragen.

Uit dit telefonisch onderhoud is gebleken dat AD een zestal maanden aldaar verblijft en bij aankomst zeer verward was. Ze wist niet wat kon of niet kon op het vlak van normen.

AD heeft het verstandelijk niveau van een driejarige en kan fantasie en realiteit niet van elkaar onderscheiden.

Tijdens de therapeutische gesprekken zou ook zijn gebleken dat AD de feiten waarvan zij zelf slachtoffer was vermengt met deze waar zij als dader is opgetreden. (cfr. stuk 77 van het strafdossier)

Uit de aan het proces-verbaal nummer 074679/2015 in verband met het videoverhoor van AD op 15 oktober 2015 gevoegde verslagen van de pleegzorg en het ortho-agogisch / psychologisch verslag van M V van oktober 2015, blijkt verder dat:

• AD niet kan terugvallen op enig sociaal netwerk. Zij staat sinds zeer jonge leeftijd onder toezicht van de jeugdrechtbank wegens fysiek geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader. In 2012 verbleef AD korte tijd terug thuis bij moeder, maar dit liep snel uit de hand bij zover dat zij door haar werd buiten gezet. Na kort verblijf in TNW Vesta en kortverblijf Even (PTB) werd ze op 9 juli 2013 geplaatst in het pleeggezin van mevrouw V.

• Een terugkeer naar het natuurlijk netwerk (bij de biologische moeder) wordt uitgesloten omwille van de instabiliteit en het veiligheidsrisico (eerder seksueel misbruik van AD in het verleden).

• AD heeft een zwak inlevingsvermogen en bekijkt alles vanuit de eigen behoeften. Ze verliest zich in fantasie, kent weinig grenzen op communicatief vlak en heeft weinig empathisch vermogen.

• Volgens de gegevens vermeld in de aanvraag bij het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap dd. 26 februari 2015 kan enkel een tehuis niet werkende bezigheid (TNW) met toezicht voor het welzijn van de medebewoners, de nodige zorg aan AD bieden.

• In het verslag gedateerd oktober 2015 benadrukt de ortho-agoog M V dat AD onaangepast sociaal gedrag vertoont in de manier van contact nemen of uitspraken, alsook het risico op seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Gelet op deze elementen, meer bepaald de voorgeschiedenis van AD (die zelf herhaaldelijk het slachtoffer werd van seksueel misbruik), haar verstandelijke beperking, de vaststelling dat zij fictie en realiteit niet van elkaar blijkt te kunnen onderscheiden waarbij uit de therapeutische gesprekken met haar begeleiders is gebleken dat AD de feiten waarvan zij slachtoffer werd vermengt met deze alwaar zij als dader heeft gehandeld en het totaal gebrek aan familiale omkadering, bestaat in hoofde van AD het gevaar dat zij als gevolg van haar geestesstoornis, in samenhang met de voormelde riscofactoren (o.m. haar voorgeschiedenis als slachtoffer van seksueel misbruik en de afwezigheid van een ondersteunende stabiele familiale context), opnieuw gelijkaardige misdrijven zal plegen die de psychische of fysieke integriteit van derden aantasten of bedreigen.

De namens AD ter zitting van het hof van 3 oktober 2017 neergelegde beroepsconclusie, noch de bij deze conclusie gevoegde nieuwe stukken zijn van aard om enige afbreuk te doen aan dit besluit.

Wel integendeel.
De attesten van de ortho-agoog M V van 3 november 2016 en 2 oktober 2017 laten in hoofde van AD, ingevolge voorgaande traumatische ervaring van misbruik, andermaal de nood aan permanente professionele begeleiding optekenen: "Door de opeenvolging van traumatische ervaringen van misbruik, in het verleden heeft AD nood aan permanente professionele begeleiding die voor haar de grens bepalen van wat goed en niet goed is. Om dit vanuit een veilig kader te bieden, ligt de nadruk zowel op preventie als een continue adequate begeleiding."

Alwaar aan alle interneringsvoorwaarden werd voldaan is het Hof van oordeel dat de internering volstrekt noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij enerzijds en met het oog op de zorgverstrekking die de toestand van AD vereist (met het oog op de re-integratie in de maatschappij), anderzijds.

De nood aan therapie, medicatie en/ of klinische behandeling van AD alsook de duidelijke nood aan controle en toezicht teneinde te beletten dat zij zichzelf - en vooral - anderen schade zal berokken, noodzaken het opleggen van deze beveiligingsmaatregel.

Het hof stelt vast dat de huidige setting waar AD thans verblijft (VZW Vesta) de in artikel 2 van de interneringswet voorgeschreven zorg op maat biedt, zodat mag worden verondersteld dat de veiligheidsmaatregel der internering geen wijziging zal brengen aan dit zorgtraject.

De hervorming van het bestreden vonnis dringt zich dan ook op.

...

(Vierde kamer, 2017/NT/191, 31 oktober 2017)

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 05/01/2018 - 10:22
Laatst aangepast op: vr, 05/01/2018 - 10:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.