-A +A

Internering onbevoegdheid kamer voor bescherming van de maatschappij om te oordelen over in gebreke blijven van de Belgische Staat om geïnterneerde binnen redelijke termijn over te brengen van gevangenis naar inrichting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 05/11/2013
A.R.: 
P.13.1087.N

De kamer voor de bescherming van de maatschappij is niet bevoegd om te oordelen over een eventueel in gebreke blijven van de Belgische Staat om de geïnterneerde binnen een redelijke termijn over te brengen van de psychiatrische afdeling van een gevangenis naar één van de inrichtingen bedoeld in art. 3, 4°, b), c) en d), noch over een vordering die ertoe strekt de Belgische Staat het bevel te geven daartoe over te gaan op straffen van de verbeurte van een dwangsom.

Krachtens art. 3, 6°, van de wet van 5 mei 2014 wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder kamer voor bescherming van de maatschappij: de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken.

Krachtens art. 11 van dezelfde wet, zoals gewijzigd door art. 152 van de wet van 4 mei 2016 «houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie», vindt, indien de beklaagde, de beschuldigde of inverdenkinggestelde op het ogenblik dat de internering bevolen wordt, aangehouden is of ingeval de rechter de internering met onmiddellijke opsluiting beveelt, de internering voorlopig plaats in de psychiatrische afdeling van een gevangenis.

Krachtens art. 19, eerste lid, van dezelfde wet, is de plaatsing de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij spoedeisendheid, tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in art. 3, 4°, b), c) en d), waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd.

Krachtens art. 19, tweede lid, van dezelfde wet, zoals gewijzigd door art. 159 van de wet van 4 mei 2016 «houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie», is de overplaatsing de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij spoedeisendheid, tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in art. 3, 4°, b), c) en d), waarnaar de geïnterneerde persoon dient te worden overgebracht, uit het oogpunt van veiligheid of aangepaste zorg.

3. Uit deze bepalingen volgt allereerst dat de internering in de psychiatrische afdeling van een gevangenis voorlopig dient te zijn en voorts dat de kamer voor bescherming van de maatschappij specifiek en uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken en, al dan niet bij spoedeisendheid, beslist over de plaatsing of overplaatsing in of naar één van de inrichtingen bedoeld in art. 3, 4°, b), c) en d), van de geïnterneerde.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1216
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.16.0535.N

Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen t/ S.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking overeenkomstig art. 88, § 2 Ger.W. gewezen door de waarnemend voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, van 2 december 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Krachtens art. 568, eerste lid Ger.W. neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen.

2. Krachtens art. 3, 6o, van de wet van 5 mei 2014 wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder kamer voor bescherming van de maatschappij: de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken.

Krachtens art. 11 van dezelfde wet, zoals gewijzigd door art. 152 van de wet van 4 mei 2016 «houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie», vindt, indien de beklaagde, de beschuldigde of inverdenkinggestelde op het ogenblik dat de internering bevolen wordt, aangehouden is of ingeval de rechter de internering met onmiddellijke opsluiting beveelt, de internering voorlopig plaats in de psychiatrische afdeling van een gevangenis.

Krachtens art. 19, eerste lid, van dezelfde wet, is de plaatsing de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij spoedeisendheid, tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in art. 3, 4o, b), c) en d), waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd.

Krachtens art. 19, tweede lid, van dezelfde wet, zoals gewijzigd door art. 159 van de wet van 4 mei 2016 «houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie», is de overplaatsing de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij spoedeisendheid, tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in art. 3, 4o, b), c) en d), waarnaar de geïnterneerde persoon dient te worden overgebracht, uit het oogpunt van veiligheid of aangepaste zorg.

3. Uit deze bepalingen volgt allereerst dat de internering in de psychiatrische afdeling van een gevangenis voorlopig dient te zijn en voorts dat de kamer voor bescherming van de maatschappij specifiek en uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken en, al dan niet bij spoedeisendheid, beslist over de plaatsing of overplaatsing in of naar één van de inrichtingen bedoeld in art. 3, 4o, b), c) en d), van de geïnterneerde.

Deze kamer is evenwel niet bevoegd om te oordelen over een eventueel in gebreke blijven van de Belgische Staat om de geïnterneerde binnen een redelijke termijn over te brengen van de psychiatrische afdeling van een gevangenis naar één van de inrichtingen bedoeld in art. 3, 4o, b), c) en d), noch over een vordering die ertoe strekt de Belgische Staat het bevel te geven daartoe over te gaan op straffen van de verbeurte van een dwangsom.

4. Blijkens de bewoordingen van de inleidende dagvaarding van 30 november 2015 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, voerde de eiser in de bodemprocedure aan dat:

– hij op 27 november 2008 door de raadkamer te Tongeren geïnterneerd werd wegens feiten gekwalificeerd als diefstal en openbare zedenschennis;

– hij uit dien hoofde sedert 24 februari 2009 tot op heden, met uitzondering van een onderbreking van een maand, opgesloten is te Merksplas;

– van een therapeutische tenlasteneming tijdens zijn gevangenschap aldaar geen sprake is;

– de redelijke termijn om een aangepaste psychiatrische instelling te vinden kan worden gesteld op vier maanden;

– de Belgische Staat nalatig is geweest om binnen een redelijke termijn een geschikte behandelplaats te vinden, wat een ernstige schending van art. 5.1 en art. 3 EVRM uitmaakt;

– hij aldus gedurende 2.286 dagen onrechtmatig van zijn vrijheid werd beroofd.

Op die gronden vorderde hij de veroordeling van de Belgische Staat tot het betalen van een schadevergoeding van 114.300 euro, onverminderd de interest.

Tevens vorderde hij dat aan de Belgische Staat bevel zou worden gegeven om hem «binnen veertien dagen na het te vellen vonnis over te brengen naar een aan zijn behoeften aangepaste instelling, dit onder de verbeurte van een dwangsom van 250 euro per begonnen dag opsluiting in de gevangenis».

Bij vonnis van 17 oktober 2016 verklaarde de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, de vordering in schadevergoeding, voor zover niet verjaard, ontvankelijk en ten dele gegrond.

Wat het gevorderd bevel tot overplaatsing betreft, wierp de rechtbank, met verwijzing naar de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank inzake de overplaatsing van geïnterneerden, ambtshalve een verdelingsincident op.

5. De waarnemende voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, die bij beschikking van 2 december 2016 oordeelde dat de vordering zoals die door de eiser in de bodemprocedure werd geformuleerd, niet behoort «tot de wettelijke opgelijste bevoegdheden van de kamer voor de bescherming van de maatschappij», die, gelet op haar bijzondere bevoegdheid en samenstelling, niet over de volheid van rechtsmacht van de burgerlijke rechter beschikt en die bijgevolg de zaak terug naar de initieel geadieerde kamer verwees, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Noot: 

• H. Heimans, T. Vander Beken en E. Schipaanboord, «Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering? Deel 2: de uitvoeringsfase», RW 2015-16, (42), p. 43, nrs. 5-7.

• H. Heimans, T. Vander Beken en E. Schipaanboord, «Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering. Deel 3: de reparatie», RW 2016-17, (603), p. 609, nr. 14 en p. 610, nrs. 17-18.

•  C. Idomon, «Bevoegdheid van de kortgedingrechter en van andere instanties inzake betwistingen omtrent de voorwaarden van detentie en internering», RW 2006-07, 42-48.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 25/03/2018 - 11:35
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 19:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.