-A +A

Internering in onaangepaste inrichting is onrechtmatige detentie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 07/12/2016

De geïnterneerde faalt in zijn bezwaren tegen zijn opsluiting in de psychiatrische afdeling van de gevangenis, gezien hij wel degelijk de behandelingssetting zou krijgen die de geïnterneerde persoon nodig heeft, weze het na verblijf in psychiatrisch ziekenhuis, waar hij vrijgelaten werd, doch weer werd vastgehouden wegens schending van de voorwaarden.

 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017
Pagina: 
854
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

L.P. [ ... ] appellant, [ ... ]

tegen:

1. De Belgische Staat, [ ... ] geïntimeerde,[ ... ]

2. De Vlaamse Gemeenschap.] ... ] geïntimeerde,

[ ... ]

1. De heer L.P. werd op 13.03.2001 geïnterneerd door de correctionele rechtbank te Brussel wegens verkrachting van een kind onder de 14 jaar en aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging op een minderjarige jonger dan 16 jaar.

Op 31.08.2004 werd hij vrij op proef gesteld en opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis St. Lucia in Sint-Niklaas, doch wegens het niet naleven van de voorwaarden werd hij op 08.04.2005 opnieuw opgesloten. Hij verbleef in de psychiatrische annexen van de gevangenissen te Vorst, Turnhout en sedert 26.10.2010 verblijft hij in de psychiatrische afdeling van de gevangenis te Merksplas.

De heer L.P. heeft de Belgische Staat en de Vlaamse Gemeenschap gedagvaard op 30.10.2013 en hij vorderde:

voor zover als nodig, alvorens verder recht te doen, een plaatsbezoek in de gevangenis van Merksplas te bevelen om vast te stellen dat hij in niet aan zijn geestesziekte aangepaste omstandigheden opgesloten is;

te zeggen voor recht dat de huidige opsluitingsomstandigheden onrechtmatig zijn in het licht van art. 5.1 EVRM;

huidige geïntimeerden te bevelen om te voorzien in een prestatieverbintenis zoals vereist door art. 20 WBM en geregeld door de wet van 04.05.1999 en dit binnen de 14 dagen vanaf de tussen te komen beschikking, op straffe van een dwangsom van 2.500,- EUR vertraging;

in ondergeschikte orde, geïntimeerden te bevelen om een gespecialiseerde behandeling voor seksueel deviant gedrag aan te bieden binnen de 14 dagen vanaf de tussen te komen beschikking en dit op straffe van een dwangsom van 2.500,- EUR per dag vertraging;

geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding.

De Belgische Staat concludeerde tot de ontoelaatbaarheid, minstens ongegrondheid van de eis en de Vlaamse Gemeenschap tot het gebrek aan rechtsmacht, minstens de afwijzing van de vordering als onontvankelijk en meer ondergeschikt als ongegrond.

In ondergeschikte orde suggereerde zij een plaatsbezoek te bevelen in het forensisch psychiatrisch centrum te Gent.

2. Bij tussenbeschikking van 22.05.2014 werd de bevoegdheid aangenomen, de vordering ontvankelijk verklaard, de vordering om te voorzien in een prestatie-verbintenis ongegrond verklaard en werd alvorens verder recht te doen de heer Chris Dillen als gerechtsdeskundige aangesteld. De kosten werden aangehouden.

Met betrekking tot de afwijzing van de eis om te voorzien in een prestatieverbintenis overwoog de Voorzitter:

"Eiser meent dat verweerders dienen te voorzien in een prestatieverbintenis met het oog op een begeleiding of behandeling door een gespecialiseerde dienst. Hij leidt dit af uit art 2 van de wet tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers d.d. 01.07.1964 en de wet d.d. 04.05.1999 tot bekrachtiging van het samenwerkingsakkoord d.d. 08.10.1998 tussen de federale staat en de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 20 WBM voorziet in een specifiek regime voor een geïnterneerde die op proef in vrijheid is gesteld en de prestatieverbintenis, waarvan sprake in het samenwerkings-akkoord van 1998, heeft 1 enkel betrekking op ambulante behandelingen die extra penitentiaire centra voor geestelijke gezondheidszorg en centra voor algemeen welzijnswerk aanbieden.

Er is voor eiser niet beslist tot een invrijheidsstelling op proef en evenmin tot een ambulante behandeling.

Het onderdeel van de vordering betreffende het voorzien in en prestatieverbintenis is dan ook ongegrond".

Tegen deze tussenbeschikking werd geen hoger beroep ingesteld.

3. De gerechtsdeskundige, psychiater dr. Dillen, heeft zijn verslag neergelegd op 25.08.2015.

Hij beschreef de persoonlijkheid van appellant en zijn psychiatrische diagnose als volgt:

"Samenvattend is er bij betrokkene een multiple complexe psychiatrische pathologie, waarbij de pedofiele stoornis aanleiding heeft gegeven tot strafrechtelijke feiten. Het gevaarscriterium is zeer hoog en ondanks zeer krachtige libidoremmende medicatie, alsook verhoogd toezicht in het PC Sint Lucia en de penitentiaire inrichtingen, is het herhaaldelijk tot nieuwe grensoverschrijdende incidenten gekomen. Zijn sociale omgeving is zeer beperkt en voornamelijk intellectueel zeer zwak en totaal niet in staat om enige vorm van toezicht of controle uit te oefenen". (blz. 17)

Over de behandelingsmogelijkheden adviseerde hij op blz. 18 van zijn verslag:

"Omwille van dit zeer hoge recidiverisico, is hernieuwde opname in een residentiële context, zonder verhoogd beveiligingskader, niet aangewezen. Dit ligt uiteraard aan de basis van de weigeringen die tot heden vanuit dit soort behandelingsunits gegeven werden. Betrokkene dient eerst in een high securitysetting behandeld te worden, waar een optimale mix tussen psychofarmaca met libidoremmende medicatie én controlerende/sturende begeleiding moet gezorgd worden. Dit is actueel aan de orde in De Haven in de PI Merksplas.

Het enige alternatief dat actueel kan geboden worden, is het forensisch psychiatrisch centrum te Gent, maar dit lijkt mij pas noodzakelijk indien er onvoldoende progressie kan bereikt worden in De Haven. Slechts indien voldoende lange tijd een incidentvrij verblijf in De Haven kan gerealiseerd worden, met geleidelijke uitbreiding van "vrijheden" aan betrokkene, kan overwogen worden naar een minder restrictieve verblijfvorm, al zal die toch binnen de forensische context moeten gezocht worden ... ".

Antwoordend op de vraag "of en in welke omstandigheden de door hem noodzakelijk geachte therapeutische en desgevallend medicamenteuze behandeling kan verschaft worden in de instelling te Merksplas", adviseerde hij:

"De hoger beschreven noodzakelijke behandeling is actueel aan de orde in De Haven in de PI Merksplas".

4. Blijkbaar zinde de inhoud van dit advies de heer L.P. niet en op 25.11.2015 werd door of namens de heer L.P. klacht met burgerlijke partijstelling neergelegd tegen dr. Dillen wegens valsheid in geschrifte. Hij meende dat dr. Dillen valsheid gepleegd zou hebben waar hij in zijn eindverslag schreef dat de normen van de FOD Volksgezondheid enkel zijn opgesteld voor psychiatrische ziekenhuizen zonder forensisch patiënteel.

5. De heer L.P. vorderde na dit deskundigenverslag:

voor zover als nodig, alvorens verder recht te doen, een plaatsbezoek in de gevangenis van Merksplas te bevelen om vast te stellen dat hij in niet aan zijn geestesziekte aangepaste omstandigheden opgesloten is;

te zeggen voor recht dat de huidige opsluitingsomstandigheden onrechtmatig zijn in het licht van art. 5.1 EVRM;

huidige geïntimeerden te bevelen om te voorzien in een prestatieverbintenis zoals vereist door art. 20 WBM en geregeld door de wet van 04.05.1999 en dit binnen de 14 dagen vanaf de tussen te komen beschikking, op straffe van een dwangsom van 2.500,- EUR vertraging;

in ondergeschikte orde, geïntimeerden te bevelen om een gespecialiseerde behandeling voor seksueel deviant gedrag aan te bieden binnen de 14 dagen vanaf de tussen te komen beschikking en dit op straffe van een dwangsom van 2 500,- EUR per dag vertraging;

geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding.

 

6. In de bestreden eindbeschikking van 15.01.2016 werd de eis ongegrond verklaard en werd de heer L.P. veroordeeld tot de gerechtskosten.

Eerst werd erop gewezen dat in de tussenbeschikking reeds gestatueerd was over de ontvankelijkheid van de eis en over de eis om te voorzien in een prestatieverbintenis.

Vervolgens werd in detail ingegaan op de kritiek van appellant op het deskundigenverslag om te besluiten: "Uit het deskundig verslag blijkt dat de afdeling De Haven in Merksplas aan aanlegger de gepaste behandelingssetting aanbiedt en deze rechtbank sluit zich aan bij deze besluiten".

Verder werd overwogen: "De kort gedingrechter kan slechts een marginale toetsing doen en kan geen definitieve uitspraak ten gronde doen over de schending van het artikel 5 of 3 E.V.R.M. In deze wordt geen kennelijke schending aangetoond die dringende maatregelen noodzakelijk maken ... Het E.H.R.M. is enkel van mening dat het verblijf in de gevangenis niet mag blijven aanslepen wanneer de Commissie heeft besloten tot plaatsing in een andere instelling. In de laatste beslissing van 20.05.2015 behield de Commissie ter Bescherming van de Maatschappij te Brussel i.c. de plaatsing in Merksplas in afwachting van een opname in het FPC te Gent.

De concrete situatie van aanlegger vertoont op dit ogenblik geen schending van de wetten of verdragen. De opname in een residentiële instelling is mislukt omwille van de drang van aanlegger tot onmiddellijke seksuele bevrediging.

Medicatie blijkt slechts een beperkt effect te hebben en de situatie is des te moeilijker gezien de zwakke begaafdheid en het gebrek aan remmingen bij aanlegger. De combinatie van medicatie en controle/sturing zal op termijn een opname in een instelling zoals het FPC te Gent mogelijk maken. Inmiddels geldt de beslissing van de Commissie ter Bescherming van de Maatschappij dat Merksplas de geschikte plaats is voor de internering.

Aanlegger toont niet aan dat zijn huidige detentietoestand mensonwaardig zou zijn. Hij verblijft thans op een kamer alleen in De Haven en zegt zich hier 100 % beter te voelen. (p.14 van het deskundig verslag). De onzekerheid die met een internering gepaard gaat, is de onzekerheid die elke psychiatrische patiënt treft en is inherent aan de ziekte/stoornis van aanlegger. Aanlegger krijgt de behandeling die hij behoeft: een optimale mix van libidoremmende medicatie en controlerende/ sturende begeleiding".

7. Tegen deze eindbeschikking van 15.01.2016 werd hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 25.03.2016.

De akte van hoger beroep bevat tal van algemene beschouwingen over de opvang en behandeling van geïnterneerden in België, zonder al te veel aandacht te besteden aan de actuele toestand van appellant zelf.

Appellant vordert de toewijzing van zijn oorspronkelijke vordering, zelfs in zoverre ze op de in de niet-bestreden tussenbeschikking afgewezen eis met betrekking tot de prestatieverbintenis betrekking heeft, en de veroordeling van de wederpartijen tot de kosten.

Er werd geen conclusie genomen door appellant en er werden geen andere

stukken neergelegd dan diegene die vermeld waren op de inventaris die gevoegd was aan het verzoekschrift hoger beroep en die geen enkele nuttige informatie over de precieze actuele toestand van appellant bevatten.

8. De Belgische Staat concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de veroordeling van appellant tot de kosten van de beroepsprocedure, begroot op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 1.320,- EUR.

9. De Vlaamse Gemeenschap concludeert tot de onontvankelijkheid en minstens de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de veroordeling van appellant tot de kosten, met inbegrip van de betekeningskosten en een maximale rechtsplegings-vergoeding hoger beroep van 6.000,- EUR gelet op de kennelijk onredelijke situatie waarin de proceshouding van appellant haar gebracht zou hebben.

10. Ter terechtzitting van 08.11.2016 vroeg de raadsman van appellant, die nooit enige conclusie genomen heeft in deze beroepsprocedure, het hof om een uitstel/ opschorting van deze zaak, waarbij impliciet verwezen werd naar art. 4 V.T. Sv.

Geïntimeerden verzetten zich tegen het gevraagde uitstel/ de gevraagde opschorting en drongen aan op behandeling van de zaak.

De impliciete verwijzing naar art. 4 V.T. Sv. vond zijn oorsprong in de klacht met burgerlijke partijstelling tegen de gerechtsdeskundige. Appellant lichtte toe dat de Raadkamer inmiddels beslist had tot buitenvervolgingstelling, dat tegen de beslissing tot buitenvervolgingstelling hoger beroep was ingesteld en dat de uitspraak in hoger beroep kort na het in beraad nemen van huidige procedure in kort geding verwacht werd.

Er is geen reden om de zaak uit te stellen en de procedure op te schorten. De verplichting tot opschorting van een burgerlijke zaak geldt enkel ten aanzien van een burgerlijk bodemrechter, doch niet ten aanzien van de kort gedingrechter en bovendien blijkt uit geen enkel gegeven dat aan de strafrechter een beslissing zou zijn opgedragen over punten die dermate gemeen zijn aan de strafvordering en aan huidig kort geding dat er gevaar voor tegenstrijdigheid zou kunnen bestaan. Volkomen ten overvloede merkt het hof op dat het verwijt aan het adres van de gerechts-deskundige dat hij verkeerdelijk geadviseerd zou hebben dat de normen van de FOD Volksgezondheid enkel opgesteld zijn voor psychiatrische ziekenhuizen zonder forensisch patiënteel, kennelijk geen uitstaans heeft met het misdrijf dat appellant daarin meent te ontwaren.

ll. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en het verzoekschrift hoger beroep is regelmatig naar de vorm.

Het belang van appellant bij zijn hoger beroep volgt uit de afwijzing van zijn eis door de eerste rechter.

Het hoger beroep is bijgevolg toelaatbaar.

12. De vordering zoals appellant ze in deze beroepsprocedure formuleert is ontoelaatbaar in zoverre ze betrekking heeft op het bevel om te voorzien in een prestatieverbintenis. Hierover werd definitief beslist in de niet-bestreden tussenbeschikking van 22.05.2014. Gelet op de afwijzing van die eis bij deze niet bestreden tussenbeschikking kan het hof hier in het kader van de huidige beroepsprocedure niet op terugkomen.

13. Ten gronde moet worden opgemerkt dat appellant zich verdiept in algemene beschouwingen over de toestand van geïnterneerden in België en verwijst naar rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de Mens, zonder ook maar één enkele nuttige toelichting te verschaffen over zijn actuele toestand, laat staan een met stukken gestaafde toelichting.

De pertinente overwegingen van de bestreden beschikking worden op geen enkele ernstige wijze bestreden, de argumenten van geïntimeerden worden onbeantwoord gelaten, en het hof kan slechts vaststellen dat appellant zelfs geen begin van bewijs aanbrengt van de schending van de wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen waarvan hij beweert het slachtoffer te zijn: appellant getroost zich zelfs geen enkele moeite om zijn verwijten met betrekking tot de vermeende onaangepaste interneringsomstandigheden waarvan hij het slachtoffer zou zijn, te staven. Uit het dossier blijkt overduidelijk dat de Haven in Merksplas wel degelijk de behandelingssetting biedt die appellant thans nodig heeft en dat appellant er zich 100% beter voelt sinds hij er over een kamer voor zichzelf beschikt.

Het hoger beroep is ongegrond.

14. Gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep, wordt appellant aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij die overeenkomstig art. 1017 Ger.W. de kosten van de beroepsprocedure dient te dragen.

Appellant geniet rechtsbijstand en juridische tweedelijnsbijstand, zodat hij overeenkomstig art. 1022, lid 4 Ger.W. slechts gehouden is tot het bij KB 26.10.2007 bepaalde minimumbedrag, dat in casu 90,- EUR bedraagt. De kennelijk onredelijke situatie in de zin van die bepaling waarvan tweede geïntimeerde gewag maakt, is onvoldoende aangetoond.

Beslissing

[ ... ]

Het hoger beroep wordt toelaatbaar doch ongegrond verklaard.

De bestreden beschikking wordt bevestigd.

De door appellant in deze beroepsprocedure hernomen vordering om te voorzien in een prestatieverbintenis, die reeds bij de niet-bestreden tussenbeschikking van 22.05.2014 was afgewezen, wordt ontoelaatbaar verklaard.

[ ... ]

Noot: 

Sarah Lambrech, Internering NJW 2017, 857

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 22/05/2018 - 17:25
Laatst aangepast op: vr, 15/06/2018 - 23:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.