-A +A

Internering kortgeding procedure tot behandeling urgentie vereiste

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 27/05/2015

De rechter (en dus ook de kortgedingrechter is bevoegd om geschillen over burgerlijke rechten te beoordelen. Een burger kan zelfs op de rechter en dus ook de kortgedingrechter een beroep doen bij schending door de overheid va zijn burgerlijke rechten.

Het kortgeding is een bijzondere rechtspleging, waarbij gebruik wordt gemaakt van een versnelde en vereenvoudigde procedure om tegemoet te komen aan de nood om in spoedeisende gevallen preventief en onmiddellijk beslissingen te kunnen nemen, wanneer schade of ernstige ongemakken zich dreigen voor te doen en wanneer de normale procesgang geen soelaas kan bieden.

Te dezen oordeelde de rechter dat betrokkene te lang getalmd heeft om ten gronde procedure te voeren.

Het proceshandelen van een rechtsonderhorige die in kortgeding een procedure wil voeren dient compatibel te handelen met het handelen van een rechtszoekende die een urgente vordering heeft.

Arresten van het EHRM betreffen specifieke zaken en stellen geen algemene regel vast.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017
Pagina: 
785
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

De heer E.B., [ ... ] appellant, [ ... ]

tegen:

1. De Belgische Staat, [ ... ] geïntimeerde,[ ... ]

2. De Vlaamse Gemeenschap, [ ... ] geïntimeerde,

[ ... ]

1. In toepassing van artikel 144 van de gecoördineerde Grondwet hebben de rechtbanken en de hoven de bevoegdheid om geschillen over burgerlijke rechten te beoordelen.

Vertaald naar de kortgedingrechter impliceert dit aldus dat deze bevoegd is om kennis te nemen van dringende voorlopige maatregelen met betrekking tot deze burgerlijke rechten.

In een geschil met de overheid moet de rechter in kortgeding wel ook kunnen vaststellen dat het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het geschil betrekking heeft op de schending door de overheid van een rechtsplicht die op haar rust.

De vordering van de heer E.B. strekt er in essentie toe te doen voorzien in een prestatieverbintenis in de zin van artikel 20 van de Wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van seksuele strafbare feiten (hierna de WBM), dan wel in een passende therapeutische begeleiding en behandeling voor zijn seksueel deviant gedrag, vermits hij van oordeel is dat hij in de gevangenis van Merksplas niet over de vereiste begeleiding en behandeling beschikt. De Belgische Staat zou deze therapeutische tenlasteneming tijdens de internering dienen te voorzien, terwijl de Vlaamse Gemeenschap er zou dienen op toe te zien dat deze therapeutische tenlasteneming ook effectief wordt uitgevoerd.

De heer E.B. beroept zich aldus op een beweerde aantasting door deze overheden van zijn subjectief recht op een effectieve begeleiding en behandeling binnen een redelijke termijn en hij wijst op een beweerde schending door die overheden van de artikelen 3 en 5.1.e van het EVRM. Het geschil heeft op deze wijze wel degelijk rechtstreeks betrekking op een subjectief recht waaraan in hoofde van de beide overheden een rechtsplicht beantwoordt, die zij volgens de heer E.B. niet nakomen.

Door dit geschil te beoordelen, oordeelt de kortgedingrechter niet over een zaak die aan de gewone rechterlijke macht werd onttrokken en stelt zij zich bovendien niet in de plaats van de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij (hierna de CBM) en/of van de Hoge Commissie tot Bescherming van de Maatschappij (hierna de HCBM).

[ ... ]

De kortgedingrechter beschikt dan ook over de vereiste rechtsmacht om de vordering van de heer E.B. te beoordelen.

[ ... ]

3. De heer E.B. beroept zich op de schending van zijn voormelde subjectieve rechten (zie punt 1) en doet bijgevolg blijken van het rechtens vereiste belang, dat zijn vordering toelaatbaar maakt.

Of zijn subjectieve rechten ogenschijnlijk geschonden worden door toedoen van de Belgische Staat en de Vlaamse Gemeenschap en of hetgeen hij vordert al dan niet kan worden toegekend, zal verder ten gronde (onder punt 5) beoordeeld worden.

4. Het kortgeding is een bijzondere rechtspleging, waarbij gebruik wordt gemaakt van een versnelde en vereenvoudigde procedure om tegemoet te komen aan de nood om in spoedeisende gevallen preventief en onmiddellijk beslissingen te kunnen nemen, wanneer schade of ernstige ongemakken zich dreigen voor te doen en wanneer de normale procesgang geen soelaas kan bieden.

Deze essentiële voorwaarden zijn in casu niet vervuld, zelfs niet indien rekening gehouden wordt met de kwetsbare positie waarin de heer E.B. zich als geïnterneerde bevindt.

Het hof doet immers de hiernavolgende vaststellingen:

Daar waar de heer E.B. zich weliswaar beklaagt over het feit dat de overheid het volkomen zou verzuimen om hem een passende behandeling aan te bieden en hij zich zelfs beroept op fundamentele schendingen van de artikelen 3 en 5.1.e. EVRM, stemt zijn procesgedrag geenszins overeen met dat van een rechtszoekende, die dringend nood heeft aan een onmiddellijke beslissing om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen.

[ ... ]

Sedert 30 januari 2012 verblijft hij aldus onafgebroken in Merksplas.

Thans wordt zijn opname in het forensisch psychiatrisch centrum te Gent geadviseerd.

Reeds op 5 augustus 2013 bekwam hij rechtsbijstand om een procedure op te starten voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zetelend in kort geding. Ten laatste op dat ogenblik moet logischerwijze bij hem de overtuiging aanwezig geweest zijn, dat een ingrijpen via de voorzitter in kort geding dringend noodzakelijk was.

Toch wachtte hij nog meer dan twee maanden alvorens hij op 11 oktober 2013 2013 tot dagvaarding overging van de Belgische Staat en de Vlaamse Gemeenschap.

Na de beschikking van 8 mei 2014 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, wachtte hij andermaal twee maanden vooraleer rechtsbijstand te vragen om daartegen hoger beroep in te stellen, waarna opnieuw nog bijna een maand verstreek vooraleer effectief hoger beroep werd ingesteld.

Dit proceshandelen is niet compatibel met het handelen van een rechtszoekende die een urgente vordering heeft.

Gelet op voormelde vaststellingen is het hof van oordeel dat de heer E.B. veel te traag heeft gehandeld, zodat de aard van zijn situatie en de aangeklaagde inbreuken geenszins volstaan om te besluiten tot het voorhanden zijn van een hoogdringende situatie.

Niets belette hem trouwens om in de tussentijd een procedure ten gronde te voeren. Tot op heden startte hij een dergelijke procedure ten gronde nog niet eens op.

Alleen al op grond van deze vaststellingen, is zijn vordering ongegrond.

5. Ten overvloede voegt het hof hier nog aan toe, dat in casu geenszins vaststaat dat de overheden kennelijk tekort schieten in hun wettelijke verplichtingen ter zake en dat in casu met andere woorden niet aangetoond wordt dat de heer E.B. in zijn specifieke concrete situatie zomaar aan zijn lot wordt overgelaten en ten onrechte nog in Merksplas verblijft.

Het hof merkt vooreerst op dat de onderscheiden arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna het EHRM), waarnaar de heer E.B. uitvoerig verwijst, immers steeds voortvloeien uit de beoordeling van een specifieke casus en bijgevolg niet zomaar als algemene regel kunnen toegepast worden op de concrete situatie van de heer E.B. Uit de rechtspraak van het EHRM kan bijgevolg geenszins afgeleid worden dat het enkele feit dat de heer E.B. als geïnterneerde in een gevangenis is opgesloten en niet verblijft in een aangepaste instelling, volstaat om te besluiten dat de detentie in strijd is met het EVRM.

Te dezen kan bovendien niet voorbijgegaan worden aan de vaststelling dat het verblijf van de heer E.B. in Merksplas op het eerste zicht weloverwogen is en voortvloeit uit de hiernavolgende specifieke gegevenheden:

Uit de gespecialiseerde adviesverslagen van 9 april 2013 en 26 augustus 2014 van de psychosociale dienst blijkt dat de kans op herval in zware zedendelicten met minderjarigen in hoofde van de heer E.B. als zeer reëel wordt ingeschat, zodat hij nog steeds een ernstig gevaar voor de maatschappij uitmaakt. De hoogste vorm van beveiliging is bijgevolg noodzakelijk om nieuwe feiten te voorkomen.

Bovendien blijkt dat de therapeutische bereikbaarheid van de heer E.B. bijzonder laag is, daar hij hardnekkig blijft ontkennen, niet beschikt over enige verantwoordelijkheidszin en zich verzet tegen elke vorm van therapie of pretherapie.

Twee eerdere invrijheidsstellingen op proef in 2005 en 2006 zijn mislukt omdat de heer E.B. zich niet hield aan de voorwaarden, doch opnieuw contact zocht met kinderen.

In juni 2009 maakt hij van een uitgangspermissie gebruik om te vluchten naar Nederland. Daar pleegde hij nieuwe feiten, die leidden tot een veroordeling. Ook vanuit de penitentiaire instelling blijft hij pogingen ondernemen om contacten te leggen met zijn slachtoffers.

In haar gespecialiseerde adviesverslagen van 9 april 2013 adviseerde de psychosociale dienst het behoud in een penitentiaire inrichting omwille van de ernst van de feiten en het steeds opnieuw recidiveren. Tevens werd in dit verslag gesteld dat een reclassering uitwerken buiten de gevangenis niet aan de orde is, evenmin als uitgangspermissies.

De heer E.B. verblijft in Merksplas in de afdeling bescherming maatschappij, wat door de CBM werd aangeduid als gepaste instelling, en kan beroep doen op de psychosociale dienst. De psychosociale dienst deed een eigen poging tot het opstarten van pre-therapie, bood de lessenreeks van ITER aan en gaf de mogelijkheid tot aanmelding bij de CGGtherapiegroep waarin gewerkt wordt met en rond seksuele delinquentie.

Al die vormen van therapie en pretherapie werden door de heer E.B. afgewezen.

In het psychosociaal adviesverslag met risicotaxatie van 11 maart 2015 wordt andermaal een zeer hoog risico op seksuele recidive weerhouden.

Het psychosociaal adviesverslag met risicotaxatie van 11 maart 2015 besluit dat de heer E.B. een dominante narcistische man is met een psychopathische persoonlijkheid, waarbij de therapeutische bereikbaarheid als bijzonder laag wordt ingeschat. Gezien het zeer hoog risico op seksuele recidive wordt gesteld dat controle noodzakelijk is, die extern moet worden opgelegd gezien binnen zijn eigen netwerk geen controlemogelijkheden voor-handen zijn. De problematiek wordt als zeer hardnekkig omschreven en de feiten als bijzonder ernstig van aard, reden waarom wordt besloten tot het meest aangewezen zijn van externe controle in een "high security setting".

Thans, na de risicotaxatie, wordt een opname in het forensisch psychiatrisch centrum te Gent geadviseerd.

In afwachting blijft de heer E.B. in Merksplas, waar hij nog steeds beroep kan doen op de psychosociale dienst.

De algemene vaststelling dat het kader van psychiaters en psychologen in de gevangenis te Merksplas onderbemand is, bewijst niet dat de heer E.B. niet in aan zijn geestestoestand aangepaste omstandigheden is opgesloten.

Gelet op hetgeen voorafgaat, staat op het eerste zicht vast dat de heer E.B. - rekening houdende met de specifieke omstandigheden - wel degelijk beschikt over de mogelijkheden tot behandeling en therapeutisch ten laste wordt genomen.

De vaststelling dat de optimale behandeling, opname in het forensisch psychiatrisch centrum te Gent, op dit ogenblik nog niet gerealiseerd is, volstaat geenszins om te besluiten dat de Belgische Staat en de Vlaamse Gemeenschap kennelijk tekort schieten in het nakomen opzichtens de heer E.B. van een op hen rustende verplichting.

De heer E.B. toont bovendien evenmin aan dat de Belgische Staat en de Vlaamse Gemeenschap in casu gehouden zouden zijn tot het voorzien in een prestatieverbintenis ingevolge artikel 20 WBM en/of het Samenwerkingsakkoord van 8 oktober 1998.

Op het eerste zicht lijkt het toepassingsgebied van artikel 20 WBM immers strikt beperkt te zijn tot de personen, geïnterneerd wegens een feit bedoeld in de artikelen 372 tot 377 Strafwetboek, die op proef in vrijheid zijn gesteld. In dat geval organiseert de wet de sociale geneeskundige voogdij voor zowel residentiële als ambulante behandeling.

Ook het toepassingsgebied van het Samenwerkingsakkoord is prima facie beperkt tot enkel ambulante behandelingen, hetgeen onmogelijk is voor niet, al dan niet op proef, in vrijheid gestelden.

Tot op heden besliste de CBM niet tot de invrijheidstelling op proef van de heer Eduard Boonen, zodat deze zich ten onrechte op artikel 20 WBM en het Samenwerkingsakkoord van 8 oktober 1998 beroept. Artikel 88 van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden doet aan voormelde vaststelling geen enkele afbreuk.

Ten slotte geeft de heer E.B. zelf niet aan welke specifieke therapie hij, rekening houdende met zijn concrete individuele situatie, zou moeten krijgen en die hem thans wordt onthouden. Hij beperkt zich daarentegen - na al die tijd en het parcours dat hij al aflegde - tot het vorderen van een zeer vage, niet concrete maatregel.

6. Gelet op hetgeen voorafgaat, wordt de bestreden beschikking bevestigd, zij het deels op grond van andere motieven.

Waar de heer E.B. in graad van hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij verwezen in de kosten van het hoger beroep in hoofde van de Belgische Staat en de Vlaamse Gemeenschap.

Vermits de heer E.B. aantoont dat hij juridische tweedelijnsbijstand geniet, werd de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg terecht vastgesteld op het minimumbedrag. In hoger beroep geldt hetzelfde.

BESLISSING

[ ... ]

Het hof verklaart het hoger beroep van de heer E.B. toelaatbaar, maar ongegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van de Vlaamse Gemeenschap toelaatbaar en deels gegrond.

Het hof bevestigt de bestreden beschikking van 8 mei 2014, zij het deels op grond van andere motieven.

[ ... ]

Noot: 

Sarah Lambrecht, Rechten van geïnterneerden, NJW 2016, 785

Sarah Lambrecht, Internering NJW 2017, 857

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 23/05/2018 - 16:57
Laatst aangepast op: vr, 15/06/2018 - 23:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.