-A +A

Internationale bevoegdheid aansprakelijkheid - plaats waar schadelijke gevolgen voelbaar is onvoldoende criterium

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 08/02/2017

Overeenkomstig art. 12 WIPR onderzoekt de rechter bij wie de zaak aanhangig is, ambtshalve zijn internationale bevoegdheid (rechtsmacht)..

De plaats waar de schade is ingetreden» de plaats is waar de veroorzakende gebeurtenis rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft teweeggebracht voor de benadeelde, m.a.w. de plaats van de eerste intreding van de schade en niet de plaats waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt.

Het feit dat beweerde schade wordt aangevoeld in in Belgisch vermogen is niet voldoende opdat de Belgische rechter met toepassing van art. 96, 2° b WIPR internationaal bevoegd zou zijn om over de ingestelde vordering te kunnen oordelen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1503
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV B.E. t/ Vennootschap naar het recht van Delaware G.M.C.

...

NV B.E. legt volgende feiten aan de grondslag van haar vordering: «De onrechtmatige daad van G.M.C. bestaat erin S. (zogenaamd in going concern) aan een koper te hebben verkocht waarvan zij pertinent wist of minstens moest weten dat die koper niet in staat was om het vooropgestelde S. Business Plan te realiseren en aldus de leefbaarheid van S. te garanderen. G.M.C. wist of moest minstens weten dat die verkoop op een fiasco zou uitdraaien, maar ging daartoe toch over om zich van de vereffeningskost af te maken. De schade van NV B.E. bestaat enerzijds in het door haar geleden verlies op de Belgische markt als gevolg van de haar opgedrongen herstructurering in 2011 ten gevolge van de brutale beëindiging van de S. distributierechten en anderzijds uit de gederfde winst gedurende een redelijke opzeggingsperiode die zij niet heeft gekregen m.b.t. haar Belgische activiteiten.»

Overeenkomstig art. 12 WIPR onderzoekt de rechter bij wie de zaak aanhangig is, ambtshalve zijn internationale bevoegdheid (rechtsmacht).

Het is aan de eisende partij (NV B.E.) om precies uiteen te zetten op welke beweerde feiten en juridische grondslag(en) haar vordering berust. Het is op basis van deze aangevoerde feiten en juridische grondslagen dat de Belgische rechtbanken hun internationale bevoegdheid (rechtsmacht) dienen te beoordelen.

...

Voor de invulling van het begrip «plaats van de schade» in art. 96, 2o b WIPR kan worden teruggegrepen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie m.b.t. art. 5.3 Brussel I-Verordening (nu art. 7.2 Brussel Ibis-Verordening). Deze bepaling is immers vrij gelijkluidend en het WIPR is bewust gemodelleerd op de Brussel-Verordening.

Uit deze rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat «de plaats waar de schade is ingetreden» de plaats is waar de veroorzakende gebeurtenis rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft teweeggebracht voor de benadeelde, m.a.w. de plaats van de eerste intreding van de schade en niet de plaats waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt (zie het principearrest HvJ 10 juni 2004, C-168/02 (Kronhofer), dat later nog herhaaldelijk bevestigd werd door o.m. HvJ 16 juni 2016, C-12/15 (zie www.curia.eu) en ook Cass. 6 oktober 2006, RW 2008-09, 1726). Anders gezegd: de schade doet zich niet in België voor wanneer daar de zuiver economische schade gevoeld wordt omdat aldaar het vermogen van de schadelijder gelegen is.

M.b.t. de ingestelde vordering is er bij de toepassing van art. 96, 2o b WIPR geen enkele aanknopingsfactor die enige rechtsmacht van de Belgische rechtbanken kan ondersteunen. De verweten verkoop vond plaats in de USA tussen een in de USA en Nederland gevestigde vennootschap m.b.t. de overdracht van aandelen van een in Zweden gevestigde vennootschap en autofabrikant S.A.

De schade die de NV B.E. beweert geleden te hebben door de foutieve verkoop van de aandelen aan S.C. met het anderhalf jaar later (eind 2011) volgend faillissement in Zweden van S.A. als beweerd logisch gevolg van deze foutieve handeling i.p.v. wat genoemd wordt de «ordentelijke vereffening» van S.A., is collectieve schade die dan door alle schuldeisers van S.A. geleden wordt en derhalve intrad op de plaats en het ogenblik van deze verkoop i.p.v. «ordentelijke vereffening».

Ook zo’n ingeroepen ordentelijke vereffening diende bovendien plaats te vinden in Zweden en de schade die de NV B.E. beweert geleden te hebben, is op grond van voormelde overwegingen rechtstreeks ingetreden, hetzij in de USA hetzij in Zweden, maar in geen geval in België.

Het feit dat de NV B.E. deze beweerde schade aanvoelt in haar vermogen in België, is niet voldoende opdat de Belgische rechter met toepassing van art. 96, 2o b WIPR internationaal bevoegd zou zijn om over de ingestelde vordering te kunnen oordelen. Anders oordelen zou er immers ook toe leiden dat alle diverse concessiehouders van S.A. de rechter van hun vestigingsstaat zouden kunnen adiëren om te oordelen over eenzelfde ingestelde vordering, wat zou leiden tot een door de bewuste bepaling van het WIPR net ongewenste diversiteit van internationaal bevoegde rechters om te oordelen over dezelfde aan de diverse vorderingen ten grondslag gelegde feiten, terwijl de verwijzingsregel van art. 96, 2o b WIPR ook tot doel heeft om de voorspelbaarheid van het rechtsforum te garanderen, in die zin dat enkel eenzelfde rechter met een nauwe band met de grondslag van de vordering internationaal bevoegd is om te oordelen.

Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben om te oordelen over de ingestelde vordering en de in dat procesrechtelijk kader gevraagde onderzoeksmaatregelen (overlegging van stukken).

Noot: 

onder de publicatie van dit arrest in het RW J. De Schepper, Ook bij onrechtmatige daad met financiële instrumenten is de rechter van de woonplaats van de belegger bevoegd.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 13/05/2018 - 18:46
Laatst aangepast op: ma, 21/05/2018 - 19:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.