-A +A

Internationale bevoegdheid aansprakelijkheid plaats schadeverwekkend feit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
woe, 28/01/2015
A.R.: 
C-375/13

Art. 5, 3 van verordening nr. 44/2001 moet worden uitgelegd in zin dat het van toepassing is op een vordering waarmee de emittent van een certificaat aansprakelijk wordt gesteld voor het prospectus voor dit certificaat en wegens niet-nakoming van andere op die emittent rustende informatieverplichtingen, voor zover die aansprakelijkheid niet berust op een verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 5, 1, van die verordening.

Op grond van punt 3 van voormeld art. 5 zijn de gerechten van de woonplaats van de verzoeker – uit hoofde van het intreden van de schade – bevoegd om van een dergelijke vordering kennis te nemen, onder meer wanneer de beweerde schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van de verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
938
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Zaak C-375/13

Kolassa t/ Barclays Bank

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 5, punt 1, sub a, en 15, eerste lid van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, p. 1).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen de heer Kolassa, woonachtig te Wenen (Oostenrijk), en Barclays Bank plc (hierna: “Barclays Bank”), gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), over een vordering tot schadevergoeding op grond van contractuele en precontractuele aansprakelijkheid en aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van deze bank wegens de waardevermindering van een financiële investering die hij met een door deze laatste uitgegeven financieel instrument had gerealiseerd.

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

3. De punten 2 en 11 tot 15 van de considerans van verordening nr. 44/2001 luiden als volgt:

“(2) Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.

“[...]

“(11) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

“(12) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.

“(13) In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.

“(14) De autonomie van de partijen bij een andere overeenkomst dan een verzekerings-, consumenten- of arbeidsovereenkomst, waarvoor slechts een beperkte autonomie geldt met betrekking tot de keuze van het bevoegde gerecht, moet worden geëerbiedigd, behoudens de exclusieve bevoegdheidsgronden die in de verordening zijn neergelegd.

“(15) Met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. [...]”

4. De artikelen 2 tot 31 van voormelde verordening, die in hoofdstuk II van deze laatste staan, bevatten bevoegdheidsregels.

5. Afdeling 1 van dit hoofdstuk II, met het opschrift “Algemene bepalingen”, is geformuleerd als volgt: “Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

6. Art. 5, punten 1 en 3 van deze verordening bepaalt:

“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

“1) a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

– voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

– voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

“[...]

“3) ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.”.

7. In afdeling 4 van hetzelfde hoofdstuk II, “Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, staat onder meer art. 15 van verordening nr. 1408/71, dat in het eerste lid bepaalt:

“Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 4 en artikel 5, punt 5, wanneer

a) het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken,

b) het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken,

c) in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.”

8. Art. 16 van verordening nr. 44/2001, dat is opgenomen in dezelfde afdeling 4 van hoofdstuk II, bevat in het eerste en het tweede lid de volgende bepalingen:

“1. De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft.

“2. De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”

9. Hoofdstuk II van voormelde verordening bevat voorts een afdeling 8, met het opschrift “Toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid”, waarin zijn opgenomen art. 25 en 26 met de volgende bepalingen:

“Artikel 25

“Het gerecht van een lidstaat waarbij een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens artikel 22 een gerecht van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.

“Artikel 26

“1. Wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart het gerecht zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op deze verordening.

“2. Het gerecht is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.

[...]”

Oostenrijks recht

10. Art. 11 van het Kapitalmarktgesetz (wet op de kapitaalmarkt), in de versie die op de feiten van het hoofdgeding van toepassing is, bepaalde:

“1. Tegenover iedere belegger zijn voor de schade die deze heeft geleden als gevolg van het feit dat hij zijn vertrouwen heeft gesteld in de informatie in het prospectus of in de andere krachtens deze federale wet vereiste informatie (§ 6), die voor de beoordeling van de effecten of investeringen relevant is, aansprakelijk:

1) de uitgevende instelling, voor de onjuiste of onvolledige informatie door haar schuld of door de schuld van haar medewerkers of andere personen op wie voor de opstelling van het prospectus een beroep is gedaan;

2) de controleur van het prospectus, voor de onjuiste of onvolledige controles door zijn schuld of door de schuld van zijn medewerkers of andere personen op wie voor de controle van het prospectus een beroep is gedaan;

[...]

3) de persoon die in eigen naam of namens een ander de contractuele verbintenis van de belegger in ontvangst heeft genomen en de bemiddelaar bij de overeenkomst, voor zover de aangesproken personen beroepshalve handelen of bemiddelen in effecten of beleggingen en zij of hun medewerkers wisten dat de in punt 1 bedoelde informatie of de controle onjuist of onvolledig was dan wel daar wegens grove nalatigheid geen weet van hadden [...]

“2. Bij waardepapieren of beleggingen van buitenlandse uitgevende instellingen rust de in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid ook op de persoon die in Oostenrijk het aan de prospectusplicht onderworpen aanbod doet.

“3. Wanneer meerdere personen aansprakelijk zijn, zijn deze hoofdelijk aansprakelijk. Aan de aansprakelijkheid van iedere persoon wordt niet afgedaan doordat andere personen tot vergoeding van dezelfde schade gehouden zijn.

“4. De aansprakelijkheid kan niet vooraf worden uitgesloten of beperkt ten nadele van de beleggers.

[...]

“8. Het voorgaande doet niet af aan schadevorderingen wegens schending van andere wettelijke voorschriften of schending van overeenkomsten.”

11. Art. 26 van het Investmentfondsgesetz (wet op de investeringsfondsen), in de versie van toepassing op de feiten in het hoofdgeding, bepaalde:

“1. Aan de verkrijger van een aandeel in een buitenlands beleggingsfonds moeten vóór de sluiting van de overeenkomst kosteloos het fondsreglement en/of de statuten van de beleggingsmaatschappij, een prospectus van de buitenlandse beleggingsmaatschappij en een kopie van het verzoek tot sluiting van een overeenkomst worden verstrekt. Het aanvraagformulier moet informatie bevatten over de emissiepremie en de aan de beleggingsmaatschappij te betalen jaarlijkse vergoeding.

“2. Het prospectus dient alle informatie te bevatten die op het tijdstip van de indiening van het verzoek van wezenlijk belang is voor de waardering van de aandelen in het buitenlandse beleggingsfonds. [...] Voorts moet het prospectus met name de volgende informatie bevatten:

1) de naam of handelsnaam, de rechtsvorm, de zetel en het eigen kapitaal (het maatschappelijke kapitaal, verminderd met het niet gestorte geplaatste kapitaal en vermeerderd met de reserves) van de buitenlandse beleggingsmaatschappij, van de onderneming die over de belegging van het ingelegde geld beslist (beheersmaatschappij), van de onderneming die de aandelen verkoopt (verkoopmaatschappij) en van de depositobank;

2) de handelsnaam, de zetel en het adres van de vertegenwoordiger en de uitkerende organen;

3) welke zaken voor het vermogen mogen worden verworven, volgens welke beginselen zij worden gekozen, of alleen tot de beurs – en in voorkomend geval tot welke beurzen – toegelaten effecten worden verworven, hoe de opbrengst van het vermogen wordt besteed en, in voorkomend geval, binnen welke grenzen een deel van het vermogen in banktegoeden wordt gehouden;

4) de voorwaarden waaronder de houders van aandelen betaling van het met hun aandeel overeenstemmende deel van het vermogen kunnen verlangen en de hiervoor bevoegde organen;

[...] De juistheid en de volledigheid van het prospectus en van de wijzigingen ervan worden door de vertegenwoordiger als controleur van het prospectus gecontroleerd. Voor de opstelling, de wijziging en de controle van het prospectus en voor de verantwoordelijkheid voor de inhoud van het prospectus zijn zowel voor de emittent als voor de controleur van het prospectus de bepalingen van [de wet op de kapitaalmarkt] van overeenkomstige toepassing. [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12. Kolassa heeft als consument met tussenkomst van de Oostenrijkse bank direktanlage.at AG (hierna: “direktanlage.at”) 68 180,36 euro geïnvesteerd in X1 Global EUR Index-certificaten (hierna: “certificaten”). De certificaten zijn uitgegeven door Barclays Bank, een in het handelsregister van het Verenigd Koninkrijk ingeschreven bank die ook te Frankfurt am Main (Duitsland) een filiaal heeft.

13. Bij de uitgifte van de certificaten heeft Barclays Bank een basisprospectus, gedateerd op 22 september 2005, verspreid. De certificaten zijn onderworpen aan algemene voorwaarden die op 20 december 2005 ter kennis van het publiek zijn gebracht. Op verzoek van Barclays Bank is het basisprospectus ook in Oostenrijk verspreid. Het openbaar aanbod tot inschrijving vond plaats tussen 20 december 2005 en 24 februari 2006, de certificaten werden op 31 maart 2006 uitgegeven. De terugbetaling vervalt in 2016. Volgens de voorwaarden kan de inschrijvingsovereenkomst bovendien worden opgezegd.

14. De certificaten worden uitgegeven in de vorm van obligaties aan toonder. Het terug te betalen bedrag, en daarmee de waarde van die obligaties, wordt bepaald door een index van een portefeuille van onderliggende fondsen, zodat die waarde rechtstreeks op die portefeuille is geïndexeerd. De portefeuille moest worden gecreëerd en beheerd door de vennootschap X1 Fund Allocation GmbH, die door Barclays Bank is belast met het investeren van het geld van de uitgifte van de certificaten. Dat geld is grotendeels verloren gegaan. Op dit moment wordt de waarde van genoemde certificaten geschat op nul euro, wat Kolassa echter bestrijdt.

15. Blijkens de verwijzingsbeslissing zijn de certificaten verkocht aan institutionele beleggers, die ze hebben doorverkocht, onder meer aan consumenten. In casu heeft direktanlage.at de certificaten waarop Kolossa wenste in te schrijven besteld bij haar Duitse moedermaatschappij, DAB Bank AG, gevestigd te München (Duitsland), die ze op haar beurt bij Barclays Bank heeft gekocht. De bestellingen werden steeds namens de betrokken ondernemingen geplaatst en uitgevoerd. Overeenkomstig haar algemene voorwaarden heeft direktanlage.at de bestelling van Kolossa “via de effectenrekening” uitgevoerd, dat wil zeggen zij heeft als dekkingsfonds de certificaten in eigen naam en voor rekening van haar cliënten te München in bewaring gehouden. Kolassa kon slechts aanspraak maken op levering van de certificaten ter hoogte van zijn aandeel in het dekkingsfonds; de certificaten zelf konden niet aan hem worden overgedragen.

16. Als benadeelde belegger heeft Kolassa bij het Handelsgericht Wien beroep ingesteld en betaling van een bedrag van 73 705,07 euro wegens contractuele en precontractuele aansprakelijkheid en aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad van Barclays Bank gevorderd. Hij heeft betoogd dat indien deze laatste zich regelmatig had gedragen, hij de investering niet zou hebben gerealiseerd, maar zijn kapitaal in een neutraal gericht fonds zou hebben geplaatst, in welk geval hij op de vervaldatum het gevorderde bedrag, namelijk de investering vermeerderd met interesten, zou hebben ontvangen.

17. Kolassa betoogt dat voormeld gerecht bevoegd is, primair op grond van art. 15, eerste lid, c van verordening nr. 44/2001, of subsidiair op grond van art. 5, punten 1, a, en 3 van die verordening.

18. Voor het verwijzende gerecht betwist Barclays Bank zowel de grieven van Kolassa ten gronde als de bevoegdheid van het aangezochte gerecht.

19. Daarop heeft het Handelsgericht Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

...

3. (...).

b) Moet de uitdrukking “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in art. 5, 3, van verordening [nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat in geval van aankoop van een waardepapier op grond van opzettelijk onjuiste informatie,

i) ervan moet worden uitgegaan dat de plaats waar de schade zich heeft voorgedaan, de woonplaats van de gelaedeerde is, als het centrum van zijn vermogen?

ii) (Indien de derde vraag, sub b-i, bevestigend wordt beantwoord): Geldt dat ook wanneer de kooporder en de overschrijving van het geld kunnen worden herroepen totdat de transactie is afgewikkeld, en de afwikkeling in een andere lidstaat plaatsvond enige tijd na de debitering van de bankrekening van de gelaedeerde?

...

Beantwoording van de prejudiciële vragen

...

Derde vraag

42. Met zijn derde vraag wenst het verwijzende gerecht in hoofdzaak te vernemen of art. 5, 3 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering waarmee de emittent van een certificaat aansprakelijk wordt gesteld voor het prospectus voor dit certificaat en wegens niet-nakoming van andere op die emittent rustende wettelijke informatieverplichtingen, zodat de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker als plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen erop kan worden gebaseerd.

43. In dit verband zij er meteen al aan herinnerd dat art. 5, 3 van verordening nr. 44/2001 autonoom en eng moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest-Coty Germany, C-360/12, EU:C:2014:1318, punten 43-45).

44. Dat neemt niet weg dat het begrip “verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van art. 5, 3 van verordening nr. 44/2001 elke vordering omvat die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een “verbintenis uit overeenkomst” in de zin van art. 5, 1, a van die verordening (arrest-Brogsitter, C-548/12, EU:C:2014:148, punt 20). Vastgesteld moet worden dat de vorderingen tegen een emittent op grond van het prospectus en wegens niet-nakoming van andere wettelijke verplichtingen tot informatie van de beleggers vorderingen uit onrechtmatige daad zijn voor zover zij niet worden gedekt door het begrip “verbintenissen uit overeenkomst” zoals gedefinieerd in punt 39 van het onderhavige arrest.

45. Voor de toepassing van art. 5, 3 van verordening nr. 44/2001 in omstandigheden als die in het hoofdgeding zij in herinnering gebracht dat de woorden “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in deze bepaling zowel doelen op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden geroepen (arrest-Coty Germany, EU:C:2014:1318, punt 46).

46. In dit verband is het vaste rechtspraak dat de bevoegdheidsregel van art. 5, 3 van verordening nr. 44/2001 berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn (arrest-Coty Germany, EU:C:2014:1318, punt 47).

47. Aangezien de bepaling van een van de aanknopingspunten die in de in punt 45 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak zijn erkend, het mogelijk moet maken de bevoegdheid te leggen bij het gerecht dat objectief gezien het best in staat is om te beoordelen of de verwerende partij aansprakelijk kan worden gesteld, kan enkel het gerecht van het rechtsgebied waar het relevante aanknopingspunt zich bevindt, rechtsgeldig worden aangezocht (arrest-Coty Germany, EU:C:2014:1318, punt 48).

48. Het Hof heeft verklaard dat met de uitdrukking “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet wordt gedoeld op de plaats waar de verzoeker woont enkel op grond dat deze aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen (arrest-Kronhofer, C-168/02, EU:C:2004:364, punt 21).

49. Zo rechtvaardigt het enkele feit dat de verzoeker financiële gevolgen ondervindt niet dat de gerechten van de woonplaats van deze laatste bevoegd zijn wanneer – zoals in de zaak waarin het arrest-Kronhofer (EU:C:2004:364) is gewezen – zowel de schadebrengende gebeurtenis als het intreden van de schade zich op het grondgebied van een andere lidstaat voordoen (zie in die zin arrest-Kronhofer, EU:C:2004:364, punt 20).

50. Daarentegen is bevoegdheid van die gerechten gerechtvaardigd voor zover de woonplaats van de verzoeker inderdaad de plaats is van de schadebrengende gebeurtenis of het intreden van de schade.

51. In dit verband volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de waardedaling van de certificaten niet te wijten was aan de wisselvalligheden van de financiële markten, maar aan het beheer van de fondsen waarin het geld uit de uitgifte van die certificaten is geïnvesteerd, dat aan het einde een positieve waardeontwikkeling ervan heeft belet, en dat het handelen of nalaten dat Barclays Bank werd verweten in verband met de wettelijke informatieverplichtingen, had plaatsgevonden vóór de belegging door Kolassa en volgens deze laatste bepalend was voor die belegging.

52. In de veronderstelling dat het doen en het niet doen van Barclays Bank een voor het intreden van de door Kolassa geleden schade noodzakelijke voorwaarde hebben gevormd, wat voor de toepassing van art. 5, 3 van verordening nr. 44/2001 volstaat (zie in die zin arrest-DFDS Torline, C-18/02, EU:C:2004:74, punt 34), moet in dit verband wel nog worden onderzocht in hoeverre op grond van de omstandigheden in het hoofdgeding kan worden geconstateerd dat de woonplaats van de verzoeker de plaats van het schadebrengende feit of van het intreden van de schade is.

53. Aangaande de gebeurtenis die de gestelde schade heeft veroorzaakt, namelijk de beweerde niet-nakoming door Barclays Bank van haar wettelijke verplichtingen op het gebied van het prospectus en van de informatie van de beleggers, moet worden opgemerkt dat het handelen of het nalaten dat een dergelijke niet-nakoming kan opleveren kan worden gesitueerd in de woonplaats van de beweerde benadeelde belegger, daar niets in het dossier erop wijst dat de besluitvorming voor de door deze bank voorgestelde investeringsmodaliteiten en voor de inhoud van de desbetreffende prospectussen heeft plaatsgevonden in de lidstaat waar die belegger woont, noch dat die prospectussen oorspronkelijk elders dan in de lidstaat van vestiging van genoemde bank zijn opgesteld en uitgegeven.

54. Aangaande het intreden van de schade daarentegen moet worden geconstateerd dat in omstandigheden zoals die samengevat in punt 51 van het onderhavige arrest de schade zich voordoet op de plaats waar de belegger ze ondervindt.

55. De gerechten van de woonplaats van de verzoeker zijn – uit hoofde van het intreden van de schade – bevoegd om van een dergelijke vordering kennis te nemen, onder meer wanneer die schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van die verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank.

56. De aldus bepaalde plaats waar de schade intreedt, strookt in omstandigheden zoals die bedoeld in punt 51 van het onderhavige arrest, met het doel van verordening nr. 44/2001 om de rechtsbescherming van in de Unie gevestigde personen te versterken – de verzoeker kan gemakkelijk bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder kan redelijkerwijs voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (zie in die zin arrest-Kronhofer, EU:C:2004:364, punt 20) – daar de emittent van een certificaat die zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot het prospectus niet nakomt er rekening mee moet houden, wanneer hij besluit het prospectus voor dat certificaat in andere lidstaten te laten notificeren, dat in die lidstaten wonende onvoldoende geïnformeerde marktdeelnemers in dat certificaat investeren en schade lijden.

57. Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat art. 5, 3 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering waarmee de emittent van een certificaat aansprakelijk wordt gesteld voor het prospectus voor dit certificaat en wegens niet-nakoming van andere op die emittent rustende informatieverplichtingen, voor zover die aansprakelijkheid niet berust op een verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 5, 1, van die verordening. Op grond van punt 3 van voormeld art. 5 zijn de gerechten van de woonplaats van de verzoeker – uit hoofde van het intreden van de schade – bevoegd om van een dergelijke vordering kennis te nemen, onder meer wanneer de beweerde schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van de verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank.

...

Noot: 

onder de publicatie van dit arrest in het RW J. De Schepper, Ook bij onrechtmatige daad met financiële instrumenten is de rechter van de woonplaats van de belegger bevoegd.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 10/03/2017 - 10:43
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 10:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.