-A +A

Interesten op gerechtskosten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 23/11/2017
A.R.: 
C.16.0368.N

Er kan pas interest in rekening gebracht worden op gerechtskosten, waaronder expertisekosten vanaf de datum van het vonnis. 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/5
Pagina: 
393

J.E. en BMS BVBA / V. et al. - Rolnr.: C.16.0368.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 april 2016.

Advocaat-generaal A. Van Ingelgem heeft op 12 september 2017 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Sectievoorzitter E. Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ch. Vandewal heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddelen
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
(…)

Tweede middel
4. Krachtens artikel 1018, 4° Gerechtelijk Wetboek behoren de uitgaven betreffende onderzoeksmaatregelen tot de kosten.

Krachtens artikel 1017, eerste lid van hetzelfde wetboek verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten.

5. Uit het arrest blijkt dat de eisers eerst bij vonnis van 18 januari 2011 werden veroordeeld tot de gerechtskosten, waaronder de kosten van het deskundigenonderzoek ten bedrage van 62.430 EUR.

De interest op dit bedrag kan ten vroegste vanaf dit tijdstip lopen.

6. De appelrechters die de eisers veroordelen tot de betaling van interest aan de wettelijke rentevoet op het bedrag van 62.430 EUR vanaf 27 augustus 2010, datum waarop de vijfde verweerster in haar conclusie interest vorderde en nog vooraleer de eerste rechter een veroordeling van de eisers tot de gerechtskosten uitsprak, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers veroordeelt tot de betaling van interest op de voorgeschoten expertisekosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

VOORZIENING IN CASSATIE

(…)

Tweede middel tot cassatie
Geschonden wetsbepalingen
- artikelen 1017 en 1018, 4° van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikelen 1153, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing
Bij het bestreden arrest van 19 april 2016 verklaart het hof van beroep te Brussel het incidenteel beroep van vijfde verweerster gegrond en veroordeelt eisers tot betaling aan vijfde verweerster van de interest aan de wettelijke interestvoet op het bedrag van 62.430 EUR vanaf 27 augustus 2010 tot de datum van volledige betaling, zulks na te hebben overwogen:

“Anderzijds stelt het hof vast dat (vijfde verweerster) door het vonnis van 2 april 2003 werd veroordeeld tot het voorschieten van de kosten van het deskundigenonderzoek. In het bestreden vonnis werden (eisers) veroordeeld tot terugbetaling aan (vijfde verweerster) van de kosten van het deskundigenonderzoek, vastgesteld op 62.430 EUR.

In graad van hoger beroep vordert (vijfde verweerster) deze veroordeling te bevestigen, en (eisers) bijkomend te veroordelen tot betaling van de interest aan de wettelijke rentevoet op dit bedrag vanaf 23 juni 2006. Hiertoe heeft (vijfde verweerster) uiteraard wel belang, aangezien zij initieel door de voorzitter van de rechtbank van koophandel verplicht werd de kosten van het deskundigenonderzoek voor te schieten. Bovendien heeft de voorzitter van de rechtbank van koophandel nagelaten uitspraak te doen over de vordering tot betaling van de interest, zoals ingesteld door (vijfde verweerster) in haar conclusie van 27 augustus 2010.

Het hof meent dan ook dat het incidenteel beroep van (vijfde verweerster) enkel hierop betrekking heeft en derhalve zeer beperkt is.

Dit incidenteel beroep is gedeeltelijk gegrond. Aangezien (vijfde verweerster) pas in haar conclusie d.d. 27 augustus 2010 interesten heeft gevorderd, worden (eisers) veroordeeld tot betaling van de interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 27 augustus 2010 op het bedrag van 62.430 EUR.”

Grief
Uit de artikelen 1153, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat er geen interesten kunnen verschuldigd zijn vóór het ontstaan van een verplichting tot betaling.

Krachtens artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten.

Blijkens artikel 1018, 4° van het Gerechtelijk Wetboek behoren de uitgaven betreffende onderzoeksmaatregelen tot de kosten in de zin van artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Gerechtskosten zijn krachtens artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek slechts verschuldigd vanaf de datum van veroordeling tot de gerechtskosten en kunnen derhalve niet vroeger dan op dat ogenblik interest opbrengen.

De omstandigheid dat een partij de expertisekosten heeft voorgeschoten doet aan voormeld beginsel geen afbreuk.

De partij die de expertisekosten heeft voorgeschoten zal bijgevolg op het voorgeschoten bedrag geen aanspraak kunnen maken op interest, van welke aard ook, voor de periode vanaf het voorschieten door haar van die kosten tot aan de datum van veroordeling van de aansprakelijke partij.

Te dezen blijkt dat eisers eerst bij vonnis van 18 januari 2011 door de eerste rechter tot de gerechtskosten, waaronder de kosten van het deskundigenonderzoek ten bedrage van 62.430 EUR, werden veroordeeld. Eventuele interesten op het bedrag van 62.430 EUR konden bijgevolg ten vroegste vanaf dat tijdstip worden toegekend.

Besluit
In zoverre het bestreden arrest eisers veroordeelt tot de betaling van interesten aan de wettelijke rentevoet op het bedrag van 62.430 EUR, hetzij de door de vennootschap in uitvoering van het vonnis van 2 april 2003 voorgeschoten expertisekosten, vanaf 27 augustus 2010, datum van het instellen van de bewuste vordering, hetzij nog vooraleer er door de eerste rechter een veroordeling van eisers tot de gerechtskosten werd uitgesproken, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht (schending van art. 1017 en 1018 Ger.W., 1153, 1382 en 1383 BW).

Toelichting
Eisers verwijzen ter zake naar het arrest van 30 maart 2001, waarin Uw Hof oordeelde dat de gerechtskosten, waaronder de kosten van het deskundigenonderzoek, slechts vanaf de veroordeling verschuldigd zijn en als zodanig geen interest kunnen opbrengen vóór die datum (Cass. 30 maart 2001, Arr.Cass. 2001, 547; zie ook Cass. 24 september 1953, Arr.Cass. 1954, 28 en Pas. 1954, I, p. 37, Concl. Adv. Gen. Mahaux).

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/04/2018 - 16:09
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.