-A +A

Inspanningen leveren door een echtgenoot aan eigen goed geeft geen recht op vergoeding aan de gemeenschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 30/01/2014
A.R.: 
C.12.0134.N

De echtgenoot die tijdens het huwelijk inspanningen levert ten voordele van een eigen goed waardoor een meerwaarde werd gerealiseerd, is geen vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen wanneer die inspanningen een bijdrage in de lasten van het huwelijk uitmaken; wanneer die inspanningen geen bijdrage in de lasten van het huwelijk vormen, geven die inspanningen slechts aanleiding tot vergoeding in zoverre het gemeenschappelijk vermogen hierdoor inkomsten heeft moeten derven (1). (1) Cass. 5 sept. 2013, AR C.12.0476.N, AC 2013, nr. 425.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.12.0134.N
A.P.,
eiser,
tegen
D.B.,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 november 2011.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 546, 894, 1398, 1399, 1400, 1401, 1405, 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest verklaart het beperkt hoger beroep van verweerster gegrond, hervormt het beroepen vonnis, en verklaart de zwarigheid van de eiser met betrekking tot de vergoeding voor de gezinswoning ongegrond en zegt dat de stelling van de boedelnotaris, die een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen van 125.000 euro voorzag, moet gevolgd worden, op volgende gronden:

Beoordeling

Het wordt niet betwist dat partijen tijdens het huwelijk de gezinswoning hebben opgetrokken op een grond die eigendom is van (de eiser), wegens schenking door zijn ouders.

Door natrekking wordt bijgevolg (de eiser) vermoed ook eigenaar te zijn van deze woning. Er worden trouwens geen feiten aangeboden om dit vermoeden te weerleggen.

Het wordt niet betwist dat deze woning minstens-ten dele gefinancierd werd met gelden van het gemeenschappelijk vermogen en dat de waarde van de woning, zonder de bouwgrond, op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel, dient geraamd te worden op 125.000 euro.

Ingevolge artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Ingevolge artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed.

Partijen zijn het er blijkbaar over eens dat de facturen voor de aankoop van materialen betaald zijn met gelden afkomstig van het gemeenschappelijk vermogen, zodat hiervoor een vergoeding zich opdringt.

(De eiser) houdt voor dat hij belangrijke werken in de woning zelf heeft uitgevoerd, wat op zichzelf ook niet wordt betwist.

Maar ook indien het gemeenschappelijk vermogen verarmd wordt doordat de waarde van de aanwending van arbeidskracht niet in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomt, maar wordt aangewend om een eigen goed van een der echtgenoten te verwerven, te verbeteren of te onderhouden, is overeenkomstig artikel 1432 Burgerlijk Wetboek het eigen vermogen een vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen (zie hierover: Boone K., artikel 1432 - 1434 Burgerlijk Wetboek in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer).

Bijgevolg komen ook de eigen werkzaamheden van (de eiser) in aanmerking voor vergoeding.

Volgens de verklaringen van partijen zou aan het huis ook gewerkt zijn door diverse familieleden en vrienden, in de visie van (de eiser) voornamelijk door zijn vader, wat allemaal gratis gebeurde.

Evenwel blijkt nergens uit dat deze hulp van familieleden en vrienden uitsluitend ten behoeve van (de eiser) gebeurde en bijgevolg is het gemeenschappelijk vermogen, begunstigde van deze vrijwillige hulp, wel degelijk verarmd, doordat deze omwille van de natrekking in het vermogen van een der echtgenoten, in casu dat van (de eiser), is terechtgekomen.

Bijgevolg komt ook dit element in aanmerking voor vergoeding.

Nu zowel de geldelijke investeringen, de eigen inspanningen van (de eiser) als deze van familieleden en vrienden voor vergoeding in aanmerking komen en deze alle gediend hebben voor het optrekken van de woning, dient de vergoeding, bij toepassing van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek, gelijk te zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed.

Te dezen heeft de boedelnotaris de waarde van het goed bij ontbinding van het stelsel geraamd op 125.000 euro, zonder de waarde van de bouwgrond, wat op zichzelf niet betwist wordt.

Bijgevolg dient de stelling van de boedelnotaris gevolgd te worden en het eerste vonnis op dit punt hervormd".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Naar luid van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen.

Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.

Naar luid van artikel 1400, 1°, Burgerlijk Wetboek zijn eigen, ongeacht het tijdstip van verkrijging en behoudens vergoeding indien daartoe aanleiding bestaat, het toebehoren van eigen onroerende goederen of onroerende rechten.

Naar luid van artikel 546 Burgerlijk Wetboek geeft de eigendom van een roerende of een onroerende zaak recht op al wat zij voortbrengt en op hetgeen, hetzij natuurlijk, hetzij kunstmatig, als bijzaak ermee verenigd wordt, en wordt dit recht van natrekking genoemd.

Naar luid van artikel 1405, 1°, Burgerlijk Wetboek zijn gemeenschappelijk de inkom-sten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten. Naar luid van artikel 1405, 4°, Burgerlijk Wetboek zijn gemeenschappelijk alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.

2. De bij toepassing van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek aan het gemeenschappelijk vermogen verschuldigde vergoeding, vereist een verrijking van het eigen vermogen, een verarming van het gemeenschappelijk vermogen, en een oorzakelijk verband tussen beide.

De enkele omstandigheid dat een echtgenoot door eigen arbeidskracht een eigen goed verwerft, verbetert of onderhoudt, volstaat niet om te besluiten tot een vergoedingsplicht opzichtens het gemeenschappelijk vermogen.

Hieruit blijkt immers alleen dat het eigen vermogen van de echtgenoot zich heeft verrijkt, doch blijkt niet noodzakelijk dat dit ten koste is gebeurd van het gemeenschappelijk vermogen.

Vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen kan slechts verschuldigd zijn wanneer tevens in concreto een verarming van het gemeenschappelijk vermogen wordt aangetoond in oorzakelijk verband met de verrijking van het eigen vermogen.

De enkele omstandigheid dat een echtgenoot "niet bezoldigde arbeidsprestaties" heeft verricht door zelf werken uit te voeren aan een eigen goed, betekent niet dat de waarde van deze prestaties als gemeenschappelijk moeten beschouwd worden. Zij betreffen geen beroepsinkomen in de zin van artikel 1405, 1°, Burgerlijk Wetboek, en zijn evenmin een "goed' in de zin van artikel 1405, 4°, Burgerlijk Wetboek. Alleen wanneer in concreto is aangetoond dat het gemeenschappelijk vermogen inkomsten heeft misgelopen doordat de arbeidskracht van een echtgenoot werd aangewend voor de verbetering van een eigen goed, in plaats van voor de verwezenlijking van inkomsten voor het gemeenschappelijk vermogen, kan vergoeding verschuldigd zijn.

3. Zoals blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest, zijn partijen gehuwd in 1989 onder het wettelijk stelsel, werd tijdens het huwelijk de gezinswoning opgericht op een eigen grond van de eiser, is de gezinswoning, ingevolge natrekking, ook een eigen goed van de eiser, werd de woning ten dele gefinancierd met gelden van het gemeenschappelijk vermogen, met name door betaling van facturen voor de aankoop van materialen, en is de waarde van de woning, zonder bouwgrond, ten tijde van de ontbinding van het stelsel, 125.000 euro.

De betwisting tussen partijen betreft de begroting van de omvang van de vergoeding door de eiser verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen.

Volgens de eiser kan de vergoeding geen betrekking hebben op zijn eigen werkzaamheden aan de woning, noch op de hulp verstrekt door familieleden, en dient derhalve de beslissing a quo te worden bevestigd waarbij de aan het gemeenschappelijk vermogen verschuldigde vergoeding werd bepaald in verhouding tot de bedragen door het gemeenschappelijk vermogen betaald.

De eiser benadrukte in conclusie dat in zoverre partijen ook zouden meegewerkt hebben aan de bouw van de woning, slechts vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen verschuldigd kan zijn in zoverre in concreto wordt aangetoond dat het gemeenschappelijk vermogen van een inkomen is beroofd.

Volgens de eiser "is niet aangetoond dat de gemeenschap ook maar één euro aan inkomsten zou mislopen heb-ben; dat de gemeenschap ook maar één euro aan beroepsinkomsten zou gederfd hebben; (en dat de eiser) immers steeds zijn normale beroepsactiviteiten (heeft) uitgeoefend, waarvan de inkomsten de gemeenschap hebben gespijsd".

4. Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat "ook de eigen werkzaamheden van (de eiser)"in aanmerking komen voor vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen op grond van de overweging "(dat) ook indien het gemeenschappelijk vermogen verarmd wordt doordat de waarde van de aanwending van arbeidskracht niet in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomt, maar wordt aangewend om een eigen goed van een der echtgenoten te verwerven, te verbeteren of te onderhouden, overeenkomstig artikel 1432 Burgerlijk Wetboek het eigen vermogen een vergoeding verschuldigd (is) aan het gemeenschappelijk vermogen".

Door aldus een verarming van het gemeenschappelijk vermogen te weerhouden enkel omdat "de waarde van de aanwending van arbeidskracht niet in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomt', weerhoudt het bestreden arrest ten onrechte "de waarde van de aanwending van arbeidskracht' als een inkomen dat in het gemeenschappelijk vermogen valt en te dezen zou zijn aangewend voor de oprichting van een eigen goed, met vergoedingsplicht opzichtens het gemeenschappelijk vermogen tot gevolg.

De "waarde van de aanwending van arbeidskracht" is niet een tot het gemeenschappelijk vermogen behorend inkomen in de zin van artikel 1405, 1°, Burgerlijk Wetboek, wanneer het beroepskarakter ervan niet is vastgesteld. Het betreft evenmin een "goed' dat bij toepassing van artikel 1405, 4°, Burgerlijk Wetboek als gemeenschappelijk dient te worden aangemerkt. Wanneer, zoals te dezen, de arbeidskracht werd aangewend voor de oprichting van een woning op een eigen grond, dan behoren de vruchten van deze arbeid, bij toepassing van de artikelen 546 en 1400, 1°, Burgerlijk Wetboek, eveneens tot het eigen vermogen, en kunnen zij derhalve niet met toepassing van het residuaire vermoeden van artikel 1405, 4°, Burgerlijk Wetboek, als gemeenschappelijk worden beschouwd.

De enkele vaststelling dat een echtgenoot zijn arbeidskracht heeft aangewend voor de oprichting van een woning op een eigen grond, leidt dan ook niet noodzakelijk tot een verarming van het gemeenschappelijk vermogen omdat een tot dit vermogen behorend inkomen zou zijn aangewend ten voordele van een eigen goed.

Besluit

Door de "waarde van de aanwending van arbeidskracht' voor de oprichting van een woning op een eigen grond, impliciet doch zeker, als een tot het gemeenschappelijk vermogen behorend inkomen te beschouwen, zonder het beroepsmatig karakter van de aangewende arbeidskracht vast te stellen, miskent het bestreden arrest artikel 1405, 1°, Burgerlijk Wetboek, en kon het dienvolgens ook niet wettig besluiten tot een verarming van het gemeenschappelijk vermogen ten voordele van het eigen vermogen van de eiser (schending van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek).

Door minstens de "waarde van de aanwending van arbeidskracht' voor de oprichting van een woning op een eigen grond, impliciet doch zeker, met toepassing van artikel 1405, 4°, Burgerlijk Wetboek, als een tot het gemeenschappelijk vermogen behorend goed te beschouwen, omdat niet bewezen is dat het aan een der echtgenoten eigen is ingevolge enige wetsbepaling, miskent het bestreden arrest artikel 1400, 1°, Burgerlijk Wetboek, nu de vrucht van deze arbeidskracht het gerealiseerde toebehoren is van een eigen onroerend goed, en derhalve met toepassing van de artikelen 546 en 1400, 1°, Burgerlijk Wetboek, ook een eigen goed is (schending van de artikelen 546, 1400, 1°, en 1405, 4°, Burgerlijk Wetboek), en kon het dienvolgens ook niet wettig besluiten tot een verarming van het gemeenschappelijk vermogen ten voordele van het eigen vermogen van de eiser (schending van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek).

Door te oordelen dat eiser vergoedingsplichtig is opzichtens het gemeenschappelijk vermogen omdat hij een "persoonlijk voordeel" heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen, in de zin van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek, door zijn arbeidskracht aan te wenden voor de oprichting van een woning op een eigen grond, zonder dat uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat baten van het gemeenschappelijk vermogen, zoals bepaald in artikel 1405 Burgerlijk Wetboek, werden aangewend ten voordele van het eigen vermogen, is de beslissing niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1405 en 1432 Burgerlijk Wetboek).

Door een vergoedingsplicht van de eiser opzichtens het gemeenschappelijk vermogen te weerhouden voor de "eigen werkzaamheden" van de eiser aan de op zijn grond opgerichte woning, zonder tevens vast te stellen dat, anders dan door de eiser in conclusie aangevoerd, door deze werkzaamheden de eiser zijn normale beroepsactiviteiten die inkomsten opleverden voor het gemeenschappelijk vermogen, niet heeft kunnen uitoefenen, minstens door niet uit te sluiten dat de eiser, ondanks de werkzaamheden aan zijn eigen woning, toch zijn normale beroepsactiviteiten heeft kunnen uitoefenen en het gemeenschappelijk vermogen met inkomsten heeft kunnen spijzen, is de door het besteden arrest weerhouden vergoedingsplicht niet naar recht verantwoord, nu aldus niet blijkt dat de verrijking van het eigen vermogen van de eiser ten koste van het gemeenschappelijk vermogen is gebeurd, en dus niet blijkt dat het gemeenschappelijk vermogen werd verarmd door de eigen werkzaamheden van eiser (schending van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

5. Naar luid van artikel 1398 Burgerlijk Wetboek berust het wettelijk stelsel op het bestaan van drie vermogens: het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten.

De artikelen 1399, 1400 en 1401 Burgerlijk Wetboek sommen de vermogensbestand-delen op die behoren tot het eigen vermogen, terwijl artikel 1405 de vermogensbestanddelen opsomt die behoren tot het gemeenschappelijk vermogen.

Naar luid van artikel 1400, 1°, Burgerlijk Wetboek zijn eigen, ongeacht het tijdstip van verkrijging en behoudens vergoeding indien daartoe aanleiding bestaat, het toebehoren van eigen onroerende goederen of onroerende rechten.

Krachtens artikel 546 Burgerlijk Wetboek geeft de eigendom van een roerende of een onroerende zaak recht op al wat zij voortbrengt en op hetgeen, hetzij natuurlijk, hetzij kunstmatig, als bijzaak ermee verenigd wordt, en wordt dit recht van natrekking ge-noemd.

Overeenkomstig artikel 1399, eerste lid, Burgerlijk Wetboek zijn eigen de goederen en schuldvorderingen die aan elk van beide echtgenoten toebehoren op de dag van het huwelijk en die welke ieder van hen tijdens het stelsel verkrijgt door schenking, erfenis of testament.

Naar luid van artikel 1405, 3°, Burgerlijk Wetboek zijn gemeenschappelijk de goederen geschonken of vermaakt aan de twee echtgenoten samen of aan een van hen onder beding dat die goederen gemeenschappelijk zullen zijn.

Overeenkomstig artikel 894 Burgerlijk Wetboek is een schenking onder levenden een akte, waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begiftigde, die ze aanvaardt.

Naar luid van artikel 1405, 4°, Burgerlijk Wetboek zijn gemeenschappelijk alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.

Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Overeenkomstig artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.

6. De schenking heeft de overdracht van een vermogensbestanddeel tot voorwerp.

Kosteloze prestaties zijn geen schenking in de zin van voornoemde artikelen 894, 1399, eerste lid, en 1405, 3°, Burgerlijk Wetboek.

Nu de kosteloze prestatie op zich geen vermogensbestanddeel is, is ze ook geen "goed" in de zin van voornoemde artikelen 1398, 1399, eerste lid, 1405, 3° en 1405, 4°, Burgerlijk Wetboek, maakt ze geen deel uit van de in de artikelen 1399, 1400, 1401 en 1405 opgesomde bestanddelen van het eigen en het gemeenschappelijk vermogen, en kan ze ook geen aanleiding geven tot vergoeding met toepassing van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek, dat immers verschuivingen veronderstelt van vermogensbestanddelen van het gemeenschappelijk vermogen naar het eigen vermogen.

7. De bij toepassing van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek aan het gemeenschappelijk vermogen verschuldigde vergoeding, vereist een verrijking van het eigen vermogen, een verarming van het gemeenschappelijk vermogen, en een oorzakelijk verband tussen beide.

8. De enkele omstandigheid dat derden ter begunstiging van beide echtgenoten kosteloos prestaties hebben geleverd, betekent niet dat deze prestaties tot het gemeenschappelijk vermogen behoren. Zij zijn immers geen "schenking", zodat artikel 1405, 3°, Burgerlijk Wetboek niet kan toegepast worden. Ze zijn in ieder geval geen "goed' dat tot het eigen dan wel het gemeenschappelijk vermogen zou kunnen behoren.

Wanneer, zoals te dezen, derden (familieleden en vrienden) kosteloos werken hebben uitgevoerd aan de op een eigen grond van een echtgenoot opgerichte woning, die ingevolge natrekking, met toepassing van de artikelen 546 en 1400, 1°, Burgerlijk Wetboek, eveneens een eigen goed is van deze echtgenoot, betekent de enkele omstandigheid dat deze werken het eigen vermogen van deze echtgenoot hebben verrijkt, niet dat dit ten koste van een tot het gemeenschappelijk vermogen behorend vermogensbestanddeel is gebeurd, ook al beoogden de derden de begunstiging van beide echtgenoten.

9. De eiser betwistte te dezen dat de door derden kosteloos uitgevoerde werken bij de oprichting van de woning op zijn eigen grond, aanleiding kon geven tot vergoeding met toepassing van de artikelen 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek, omdat deze artikelen slechts toelaten de gemeenschap te vergoeden voor waardevermeerderingen die aan het gemeenschappelijk vermogen te danken zijn.

10. Na te hebben vastgesteld "(dat) volgens de verklaringen van partijen aan het huis ook (zou) gewerkt zijn door diverse familieleden en vrienden, in de visie van (de eiser) voornamelijk door zijn vader, wat allemaal gratis gebeurde", oordeelt het bestreden arrest dat "ook dit element voor vergoeding (in aanmerking komt)", op grond van de overweging "(dat) nergens uit (blijkt) dat deze hulp van familieleden en vrienden uitsluitend ten behoeve van (de eiser) gebeurde, (dat) bijgevolg het gemeenschappelijk vermogen, begunstigde van deze vrijwillige hulp, wel degelijk verarmd (is), doordat deze omwille van de natrekking in het vermogen van een der echtgenoten, in casu dat van (de eiser) is terechtgekomen".

Aldus beschouwt het bestreden arrest "de vrijwillige hulp" ten onrechte als een tot het gemeenschappelijk vermogen behorend "goed', waaruit het eigen vermogen van de eiser voordeel zou getrokken hebben ten koste van het gemeenschappelijk vermogen.

Besluit

Door het gemeenschappelijk vermogen van partijen te beschouwen als "begunstigde" van de vrijwillige hulp van "diverse familieleden en vrienden", en te oordelen dat dit gemeenschappelijk vermogen verarmd is doordat "deze vrijwillige hulp" door natrekking in het eigen vermogen van de eiser is terecht gekomen, beschouwt het bestreden arrest deze "vrijwillige hulp" ten onrechte als een "goed' of vermogensbestanddeel dat tot het gemeenschappelijk vermogen kan behoren, en aanleiding kan geven tot verarming van dit vermogen wanneer deze "vrijwillige hulp" het eigen vermogen tot voordeel heeft gestrekt (schending van de artikelen 1398, 1399, 1400, 1401 en 1405 Burgerlijk Wetboek, en, voor zoveel als nodig, de artikelen 546 en 1400, 1°, Burgerlijk Wetboek), en kon het niet wettig besluiten dat dit voordeel voor het eigen vermogen een verarming betekent van het gemeenschappelijk vermogen dat aanleiding moet geven tot vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen (schending van dezelfde wetsbepalingen evenals van de artikelen 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek).

In zoverre de redengeving van het bestreden arrest aldus moet begrepen worden dat de appelrechter de gratis verstrekte hulp van vrienden en familieleden beschouwt als een schenking, miskent het bestreden arrest de artikelen 894, 1399, eerste lid, en 1405, 3°, Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Artikel 221, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere echtgenoot bijdraagt in de lasten van het huwelijk naar zijn vermogen.

Artikel 1435 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoe-dingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrij-gen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is, is het ver-vreemde vermogen vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.

Krachtens artikel 1405 Burgerlijk Wetboek zijn onder meer gemeenschappelijk: de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of ver-goedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of par-ticuliere mandaten en alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echt-genoten eigen zijn in gevolge enige wetsbepaling.

2. Hieruit volgt dat de echtgenoot die tijdens het huwelijk inspanningen levert ten voordele van een eigen goed waardoor een meerwaarde werd gerealiseerd, geen ver-goeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen wanneer die inspan-ningen een bijdrage in de lasten van het huwelijk uitmaken.
Wanneer die inspanningen geen bijdrage in de lasten van het huwelijk vormen, geven die inspanningen slechts aanleiding tot vergoeding in zoverre het gemeenschappelijk vermogen hierdoor inkomsten heeft moeten derven.

3. De appelrechter oordeelt dat "ook indien het gemeenschappelijk vermogen verarmd wordt doordat de waarde van de aanwending van arbeidskracht niet in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomt, maar wordt aangewend om een eigen goed van een der echtgenoten te verwerven, te verbeteren of te onderhouden, is over-eenkomstig artikel 1432 Burgerlijk Wetboek het eigen vermogen een vergoeding ver-schuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen".

Door aldus een verarming aan te nemen van het gemeenschappelijk vermogen inge-volge de inspanningen die een echtgenoot tijdens het huwelijk levert ten voordele van een eigen goed, zonder onderscheid te maken naargelang deze inspanningen een bijdrage in de lasten van het huwelijk uitmaken, en wanneer die werken geen bijdrage in de lasten van het huwelijk uitmaken, zonder na te gaan in welke mate de ge-meenschap inkomsten heeft gederfd, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

4. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het heeft geoordeeld omtrent de vergoeding voor de bouw van een gezinswoning.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeelte-lijk vernietigd arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

Tijdschrift voor Belgisch Burgerlijk Recht [TBBR] LAMBRECHTS, Jonas; Noot 'De wil van de verarmde als rechtvaardiging voor vermogensverschuivingen inhoudelijk verduidelijkt' 2015, nr. 10, p. 559-562.

zie ook  Cass. 10 mei 2012, AR C.10.0707.F, AC 2012, nr. 291.


Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 13/11/2016 - 14:47
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 14:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.