-A +A

Inkorting in waarde in plaats van in natura

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 17/03/2016
A.R.: 
C.15.0244.N

Wanneer de inkorting in waarde geschiedt, kunnen op het in te korten bedrag, dat in de plaats komt van de inkorting in natura, interesten worden toegekend; de rechter bepaalt daarbij de interestvoet in overeenstemming met de waarde van de vruchten die in geval van inkorting in natura aan de nalatenschap hadden moeten worden teruggegeven.

De uitvoering van een inkorting in natura van bv. een onroerend goed wordt minder en minder uitgevoerd. Tedn eerste is deze nadelig voor de erfgenaam die de inkorting oin natura vraagt, gezien er dan niet alleen successierechten op het onrorende goed worden geheven, maat later ook nog eens registratierechten bij verdere doorverkoop. Bovendien tast de regel van de inkorting in natura het reeds verleende eigendomsrecht aan (544 BW) en zou de werigering van een opleg in equivalent al een rechtsmisbruik kunnen aanzien. Een inbreng in natura is bovendien enkel mogelijk na een schenking in volle eigendoem. Een geschonken naakte eigendom kan niet in natura worden ingebracht.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0244.N
K. R.,
eiser,
B. R.,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 januari 2015.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
1. Artikel 928 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de begiftigde de vruchten van hetgeen het beschikbaar gedeelte overschrijdt, moet teruggeven, te rekenen van de dag van het overlijden van de schenker, indien de vordering tot inkorting binnen het jaar is ingesteld, anders, te rekenen van de dag van de vordering.
Wanneer de inkorting in waarde geschiedt, kunnen op grond van deze bepaling op het in te korten bedrag, dat in de plaats komt van de inkorting in natura, interesten worden toegekend.

De rechter bepaalt daarbij de interestvoet in overeenstemming met de waarde van de vruchten die in geval van inkorting in natura aan de nalatenschap hadden moe-ten worden teruggegeven.

Geen enkele wetsbepaling verplicht de rechter om de wettelijke interestvoet toe te passen.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- notaris Saey in zijn staat van vereffening en verdeling vooropstelde dat de fictieve massa van de nalatenschap van wijlen C. R. bestaat uit rechtstreekse en onrechtstreekse schenkingen aan de eiser die, gelet op de wettelijke reserve, dienden ingekort te worden, dat deze inkorting in waarde diende te geschieden en dat op de in te korten bedragen interest aan de wettelijke interestvoet kon worden toegekend;

- de eiser met betrekking tot de interest bezwaar formuleerde en daarbij onder meer opwierp dat deze interesten niet aan de wettelijke maar aan een lagere marktinterestvoet van 2,5 procent per jaar moeten worden gerekend.

3. De appelrechters oordelen dat de op de in te korten bedragen verschuldigde interesten niet aan de gemiddelde marktinterest van 2,5 pct. per jaar volgens de ei-ser of 4 pct. per jaar volgens de eerste rechter, maar aan de wettelijke interestvoet moeten worden toegekend.

Door aldus te oordelen dat in geval van inkorting in waarde op de in te korten be-dragen steeds interest aan de wettelijke interestvoet moet worden toegekend, schenden zij artikel 928 Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de interesten op het in te korten bedrag en over de gedingkosten tussen de eiser en de verweerster.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,


C.15.0244.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal:

Situering en procedurevoorgaanden

1. Volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en inzonderheid het feitenrelaas in het bestreden arrest zijn eiser en verweerster de twee enige wettige en reservataire erfgenamen van hun vader, die overleed op 15 augustus 2001.

Op 27 februari 2002 dagvaardde verweerster eiser voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk in vereffening en verdeling van de nalatenschap van hun vader.

Bij vonnis van 4 juni 2002 beval de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk de gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap, met aanwijzing van een notaris-vereffenaar.

2. Tussen de partijen rees een tussengeschil over de aanstelling van een deskundige om de waarde van een aantal onroerende goederen te schatten. Volgens verweerster had de decujus deze onroerende goederen rechtstreeks, onrechtstreeks of verdoken aan eiser geschonken, zodat eiser die schenkingen moest inkorten voor zover zij het beschikbare deel overschreden.

De notaris-vereffenaar diende op 16 november 2004 een tussentijds proces-verbaal van bezwaren in op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, dit met het oog op beslechting van het bedoelde twistpunt.

Bij vonnis van 21 februari 2006 stelde de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk een deskundige aan teneinde zeven, bij notariële akte van 8 november 1982 aan eiser geschonken, onroerende goederen te schatten op de datum van het overlijden van de decujus, volgens de staat van de goederen op de datum van de schenking.

De rechtbank oordeelde dat de vordering tot inkorting van verweerster virtueel in de bij dagvaarding van 29 januari 2002 gestelde algemene vordering tot vereffening en verdeling was begrepen. De rechtbank verwees de partijen terug naar de notaris-vereffenaar om de werkzaamheden verder te zetten en te vervolledigen.

3. Op 1 december 2009 maakte de notaris-vereffenaar een staat van vereffening-verdeling op. Volgens die staat bestond de fictieve massa van de nalatenschap van de decujus uit rechtstreekse en onrechtstreekse schenkingen aan eiser die, gelet op de wettelijke reserve, ingekort dienden te worden. Deze inkorting moest in waarde gebeuren, aangezien eiser de rechtstreeks aan hem geschonken onroerende goederen vóór het overlijden van de decujus verkocht had. Op de in te korten bedragen diende interest aan de wettelijke interestvoet te worden toegekend, te rekenen vanaf 15 augustus 2001 tot op de datum van integrale betaling.

De partijen dienden tegen deze staat beweringen en zwarigheden in, vastgesteld in een proces-verbaal van 5 februari 2010. De eiser formuleerde onder meer bezwaar met betrekking tot de interest. Hij wierp onder meer op dat, indien er interesten verschuldigd waren op het in te korten bedrag, deze interesten niet aan de wettelijke maar aan een lagere marktinterestvoet van 2,5 procent per jaar moesten worden gerekend.

Op 11 februari 2010 adviseerde de notaris-vereffenaar dat hij geen enkel bezwaar aannam en aldus zijn staat van vereffening-verdeling handhaafde. Op 25 februari 2010 diende hij zijn stukken in op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk.

4. Bij vonnis van 12 juli 2012 bevestigde de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk het advies van de notaris-vereffenaar. Betreffende het bezwaar van eiser oordeelde zij echter dat de interesten op het in te korten bedrag niet aan de wettelijke interestvoet maar aan een gemiddelde marktinterest van 4 procent per jaar moesten worden gerekend.

De rechtbank zond de zaak terug naar de notaris-vereffenaar om zijn opdracht te vervolledigen en een gewijzigde staat van vereffening-verdeling op te stellen.

5. Ingevolge het hoger beroep van eiser, gevolgd door het incidenteel hoger beroep van verweerster, verklaarde het hof van beroep te Gent bij arrest van 8 januari 2015 het hoger beroep van de partijen ontvankelijk, maar het hoger beroep van eiser ongegrond en het incidenteel hoger beroep van verweerster in beperkte mate gegrond.

Het hof van beroep hervormde het beroepen vonnis voor zover werd beslist dat de door eiser verschuldigde interest aan een marktinterestvoet van 4 procent per jaar moest worden gerekend en oordeelde dat deze aan de wettelijke interestvoet moest worden gerekend.

6. Het cassatieberoep van eiser tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van huidige cassatieprocedure.

Het enig cassatiemiddel

7. In zijn enig cassatiemiddel komt eiser op tegen de beslissing van de appelrechters dat de notaris-vereffenaar in de staat van vereffening en verdeling op het in te korten bedrag terecht interesten aan de wettelijke interestvoet van de dag van het overlijden heeft gerekend.

Eiser voert schending aan van de artikelen 913, 920, 928 en 1153, eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest. Hij voert aan dat artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek alleen de verplichting inhoudt tot teruggave van de vruchten van hetgeen het beschikbare gedeelte overschrijdt, maar geenszins de toepasselijke interestvoet bepaalt. Volgens eiser volgt uit deze bepaling niet dat de wettelijke interestvoet van toepassing zou zijn.

Eiser wijst er tevens op dat artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek te dezen niet van toepassing is.

Bespreking van het enig cassatiemiddel

8. Artikel 913 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de giften, hetzij bij akten onder de levenden, hetzij bij testament, de helft van de goederen van de beschikker niet overschrijden, indien hij bij zijn overlijden slechts één kind achterlaat; een derde, indien hij twee kinderen achterlaat; een vierde, indien hij er drie of meer achterlaat.

Krachtens artikel 920 van het Burgerlijk Wetboek kunnen beschikkingen, hetzij onder de levenden, hetzij ter zake des doods, die het beschikbaar gedeelte overschrijden, na het openvallen van de erfenis tot dat gedeelte ingekort worden.

Artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de begiftigde de vruchten van hetgeen het beschikbaar gedeelte overschrijdt, moet teruggeven, te rekenen van de dag van het overlijden van de schenker, indien de vordering tot inkorting binnen het jaar is ingesteld; anders, te rekenen van de dag van de vordering.

Krachtens artikel 930 van het Burgerlijk Wetboek kunnen de erfgenamen tegen derden, houders van onroerende goederen die van de schenkingen deel uitmaakten en door de begiftigden zijn vervreemd, de inkorting of teruggave vorderen op dezelfde wijze en in dezelfde volgorde als tegen de begiftigden zelf, en na uitwinning van de goederen van deze laatsten.

Deze vordering moet geschieden volgens de orde van de dagtekeningen der vervreemdingen, te beginnen met de laatste.

9. Op grond van deze bepalingen kunnen de giften van de decujus worden ingekort, indien zij het beschikbaar deel overschrijden. De inkorting bestaat dus in de vermindering van de gift ten belope van het beschikbaar gedeelte(1). De beschermde reservataire erfgenamen moeten deze inkorting vorderen. Zij heeft de ontbinding tot gevolg van de overdragende kracht van de schenking en van het eigendomsrecht van de begiftigde, ten belope van de overschrijding van het beschikbare deel.

De vordering tot inkorting leidt derhalve, enerzijds, tot de (gedeeltelijke) ontbinding van de schenking en, anderzijds, tot een revindicatie van hetgeen teveel is geschonken. Zij krijgt aldus een zakenrechtelijk karakter(2).

10. Inkorting dient te worden onderscheiden van inbreng. Luidens artikel 843 van het Burgerlijk Wetboek is iedere erfgenaam verplicht om aan zijn mede-erfgenamen inbreng te doen van al hetgeen hij, hetzij als gift, hetzij bij testament van de overledene ontvangen heeft. Terwijl inkorting de wettelijke reserve wil herstellen, beoogt de inbreng de gelijkheid onder erfgenamen te beschermen(3). In beide gevallen zullen de geschonken goederen echter terugkeren naar de boedel, zodat het lot van de vruchten of de interesten zal moeten worden bepaald.

Krachtens artikel 856 van het Burgerlijk Wetboek zijn de vruchten en de interesten van aan inbreng onderworpen zaken steeds verschuldigd te rekenen van de dag dat de erfenis is opengevallen. Deze regel is strenger dan artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek. Erfgenamen die een voorschot op erfdeel kregen, weten immers, of worden verondersteld te weten, dat dit steeds bij de vereffening en verdeling van de nalatenschap te verrekenen is. De vraag of een schenking aan inkorting toe is, is daarentegen niet meteen duidelijk.

De reservataire erfgenamen moeten de begiftigde daarom binnen het jaar verwittigen dat er een probleem is met zijn schenking. Zo niet kunnen zij de vruchten van hetgeen ingekort moet worden, pas vorderen vanaf het ogenblik van hun vordering tot inkorting(4).

11. Inkorting zal in beginsel in natura gebeuren: de goederen keren daadwerkelijk terug naar de nalatenschap. Indien de begiftigde het geschonken (onroerend) goed vóór het overlijden vervreemd heeft, zoals bepaald in artikel 930 van het Burgerlijk Wetboek, zal de inkorting echter in waarde plaatsvinden. Ook wanneer geld geschonken werd, zal een geldsom moeten worden ingebracht(5). Wanneer de inkorting in waarde geschiedt is de begiftigde, krachtens artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek, interesten verschuldigd op het bedrag dat het beschikbare gedeelte overschrijdt, dat in de plaats komt van de inkorting in natura.

12. De rechtsleer erkent unaniem dat deze interesten geen moratoire interesten uitmaken in de zin van artikel 1153 Burgerlijk Wetboek. Moratoire interesten vormen een schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering van een verbintenis die alleen betrekking heeft op de betaling van een bepaalde geldsom. Luidens het eerste lid van deze bepaling bestaat de schadevergoeding nooit in iets anders dan in de wettelijke interest, behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen. Het derde lid bepaalt dat de schadevergoeding verschuldigd is vanaf de ingebrekestelling.

Artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek regelt evenwel uitsluitend de rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar en niet deze tussen deelgenoten. De vruchten of interesten komen vanaf het ontstaan van de onverdeeldheid - of vanaf de vordering tot inkorting indien die niet binnen het jaar na het overlijden is ingesteld - en tot de verdeling van rechtswege toe aan de boedel, zonder dat hiertoe een ingebrekestelling vereist is. De erfgenamen hebben er recht op als mede-eigenaars, niet als schuldeisers(6).

Zij zijn te verdelen in verhouding tot ieders gerechtigheden(7). Derhalve is artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek hier niet van toepassing.

13. Bijgevolg rijst de vraag welke interestvoet dan wel toepasselijk is op de interesten die de begiftigde krachtens artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd is op het in te korten bedrag. Dient de wettelijke interestvoet te worden toegepast in de zin van artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest, of zal de rechter een interestvoet kunnen bepalen die overeenstemt met de gemiddelde marktinterest voor de periode waarin de interest verschuldigd is? In dat kader kunnen twee strekkingen in de rechtsleer worden onderscheiden, die verderop worden besproken.

14. Aan het begrip wettelijke interest kunnen meerdere betekenissen worden toegeschreven(8). In een eerste betekenis wordt een interest bedoeld die van rechtswege loopt, krachtens de wet, en waarvoor geen ingebrekestelling vereist is. Zo is de interest in artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege verschuldigd door de begiftigde op het in te korten bedrag. In een tweede betekenis, die het begrip wettelijk interest meestal krijgt, verwijst dit begrip naar de interestvoet die bij wet wordt bepaald, overeenkomstig artikel 1907, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, en die in de regel geldt indien niet anders werd overeengekomen(9).

15. Volgens een eerste strekking in de rechtsleer is, wanneer de wet een interest van rechtswege laat lopen, steeds de wettelijke interestvoet van toepassing, ook al bepaalt de betrokken wetsbepaling dit niet uitdrukkelijk. Enkel indien de wet een afwijkende regeling bevat, is de wettelijke interestvoet niet van toepassing(10). Op die manier vallen de eerste en de tweede betekenis van het begrip wettelijke interest samen. Volgens deze visie wordt de term "wettelijke interest" in het kader van de artikelen 856 en 928 van het Burgerlijk Wetboek dan ook in zijn dubbele betekenis gebruikt: de interest loopt van rechtswege, zonder enige ingebrekestelling, en wel aan de rentevoet die wettelijk is vastgesteld(11).

16. Deze rechtsleer meent dan ook dat het in het licht van de huidige wetgeving juridisch niet verdedigbaar is dat de rechter een andere dan de wettelijke rentevoet zou kunnen bepalen. De interesten vergoeden weliswaar het verlies aan interest op een verschuldigde geldsom die bij een plaatsing van dat geld zou zijn verkregen. Volgens deze rechtsleer bepaalt de wet in een aantal gevallen, zoals bij inbreng bedoeld in artikel 856 van het Burgerlijk Wetboek of inkorting in de zin van artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek, echter de hoegrootheid van de te betalen vergoeding door zelf een interest en rentevoet vast te stellen, zodat de deelgenoten hun verlies niet moeten aantonen(12). Hieruit volgt, volgens deze rechtsleer, dat traditioneel de toepasbaarheid van de wettelijke interestvoet wordt aangenomen(13).

17. Deze strekking pleit er aldus voor om de interesten in de zin van de artikelen 856 en 928 van het Burgerlijk Wetboek aan de wettelijke interestvoet te rekenen. In deze opvatting dient hier geen andere regeling te gelden dan inzake vergoedingen die krachtens de artikelen 1432 en 1434 van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd zijn wanneer, tijdens het huwelijksstelsel, een eigen vermogen voordeel heeft gehaald uit het gemeenschappelijk vermogen of omgekeerd(14). Op basis van artikel 1436, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek brengen de vergoedingen van rechtswege interest op vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel. Welnu, deze interest zal worden toegekend aan de wettelijke rentevoet(15).

18. Een tweede strekking in de rechtsleer gaat er daarentegen vanuit dat indien de wet van rechtswege een interest doet lopen, zonder dat een ingebrekestelling vereist is, dit niet automatisch betekent dat de interest ook aan de wettelijke interestvoet moet worden gerekend. Enkel indien de wet dit uitdrukkelijk voorschrijft, zal de wettelijke interestvoet worden toegepast. Op die manier zijn de twee betekenissen die aan het begrip wettelijke interest worden toegekend, niet noodzakelijk aan elkaar gekoppeld (zie supra, nr. 14). Volgens deze opvatting is de interest in het kader van de artikelen 856 en 928 van het Burgerlijk Wetboek enkel een "wettelijke interest" in de eerste betekenis: deze interest begint van rechtswege te lopen, zonder voorafgaande ingebrekestelling. De artikelen 856 en 928 van het Burgerlijk Wetboek stellen daarentegen geenszins zelf de toepasselijke rentevoet vast noch verwijzen zij naar de wettelijke rentevoet(16).

19. Volgens deze rechtsleer moet, wanneer inkorting in waarde gebeurt, op de in te korten som geen interest aan de wettelijke rentevoet worden betaald, op basis van voormelde bepalingen. Wil inkorting in waarde niet als discriminatoir bestempeld worden, moet de richtlijn immers zijn dat zij tot een gelijkwaardig economisch resultaat leidt als inkorting in natura(17). In dit raam wordt gesteld dat de som die in de plaats komt van de inkorting in natura, vanuit economisch oogpunt in omvang moet overeenkomen met de teruggave van de goederen zelf(18). Hiertoe moet de begiftigde de reservataire erfgenamen in geld vergoeden ten belope van wat ze verliezen, doordat de inkorting niet meer in natura gebeurt. Welnu, de erfgenamen zullen hun recht van mede-eigendom in het in te korten goed verliezen. Hierin is ook het proportionele recht begrepen dat ze als mede-eigenaars hebben op de vruchten van dat goed vanaf de datum vastgelegd in artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek(19).

20. De voorstanders van deze strekking bepleiten aldus dat, wanneer een geldsom moet worden ingebracht - omdat een geschonken goed al vóór het overlijden vervreemd werd of omdat geld geschonken werd - de rechter de interest zelf kan bepalen. Hij zal rekening houden met de gebruikelijke opbrengst van de betrokken kapitalen en met hetgeen de in te brengen geldsom daadwerkelijk aan de deelgenoten zou hebben opgeleverd indien zij hierover hadden kunnen beschikken sinds het ontstaan van de onverdeeldheid(20).

21. Als argument wordt verwezen naar de parlementaire voorbereiding van artikel 858bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Krachtens deze bepaling kunnen op voorschot van erfdeel begiftigde erfgenamen van schenkingen die onderworpen zijn aan inbreng door mindere ontvangst, zich tegenover de langstlevende echtgenoot bevrijden door een geïndexeerde rente te betalen op de waarde die de goederen hebben op de dag van het overlijden, tegen een rentevoet te bepalen door de vrederechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt bij verzoekschrift of door de rechtbank waarvoor de vereffening van de nalatenschap hangende is(21).

In de parlementaire voorbereiding wordt vermeld dat: "een lid vraagt waarom men niet de wettelijke rentevoet heeft behouden die was opgelegd door de tekst aangenomen door de Kamer, en waarom de rentevoet thans door de rechter zal moeten worden bepaald. Hierop wordt geantwoord dat, volgens de Senaatscommissie, de betaling van een wettelijke interest een al te zware last zou betekenen (verslag van de heer Cooreman, blz. 33). De rapporteur geeft daarbij als voorbeeld het vruchtgebruik van onroerende goederen: bij landbouwgoederen bedraagt het genot (= de pachtprijs) vaak slechts 1% of zelfs minder, bij gebouwde onroerende goederen is dit veelal slechts 4 of 5%. In andere gevallen kan de werkelijke opbrengst hoger zijn. Daarom ware het onbillijk de rente uniform vast te stellen op basis van de wettelijke rentevoet."(22).

Er wordt dus erkend dat de billijkheid vereist dat de rechter de interestvoet van de rente die op de waarde van de goederen verschuldigd is, zelf kan bepalen. Deze rente vormt een compensatie van het vruchtgebruik waarop de langstlevende echtgenoot normaal aanspraak had kunnen maken(23). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt aldus de doelstelling van de wetgever om een daadwerkelijke economische gelijkwaardigheid te bereiken tussen dit vruchtgebruik en de rente die hiervoor in de plaats komt.

22. Naar mijn mening dient deze tweede strekking te worden bijgetreden.

23. Ten eerste spreekt artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek enkel over de vruchten die moeten worden teruggegeven bij een inkorting in natura. De artikelen 856 en 928 van het Burgerlijk Wetboek hebben als doelstelling om bij inbreng of inkorting in waarde een economisch evenwicht te waarborgen ten opzichte van inbreng of inkorting in natura. Er moet een economische gelijkheid worden nagestreefd tussen de teruggave van de vruchten in natura en de betaling van de interesten op de in te brengen of in te korten geldsom, die in de plaats komt van inbreng of inkorting in natura (zie supra, nr. 19).

Welnu, om de vraag te beantwoorden welke interestvoet van toepassing is in het kader van de artikelen 856 en 928 van het Burgerlijk Wetboek, is mijns inziens het normdoel van deze bepalingen doorslaggevend. Aangezien de rechter bij inbreng of inkorting in natura rekening houdt met de vruchten die het goed daadwerkelijk heeft opgebracht, dient hij bij inbreng of inkorting in waarde de vrijheid te hebben om in functie van de aard van het goed - dat normaal in natura had moeten worden teruggegeven - te bepalen of een interest verschuldigd is op de in te brengen of in te korten geldsom en aan welke interestvoet. De toe te kennen interesten moeten aldus zoveel mogelijk overeenstemmen met de waarde van de vruchten die in geval van inbreng of inkorting in natura aan de nalatenschap hadden moeten worden teruggegeven.

Neem het voorbeeld van een in te korten schenking die betrekking heeft op een stuk braakliggende, niet verhuurbare grond die op geen enkele wijze vruchtdragend is. Wanneer de inkorting in waarde gebeurt, moet de rechter kunnen beslissen dat geen interest verschuldigd is of slechts aan een lage interestvoet. Bij inkorting in natura zou de begiftigde immers evenmin vruchten moeten teruggeven.

24. Ten tweede kan het uitgangspunt van de eerste strekking, dat een interest die van rechtswege begint te lopen automatisch aan de wettelijke interestvoet moet worden gerekend, niet worden aangenomen (zie supra, nr. 15).

De eerste betekenis die aan het begrip wettelijke interest wordt toegeschreven, namelijk de toepassing van een interest van rechtswege, moet niet noodzakelijk cumulatief aanwezig zijn met de tweede betekenis, namelijk de bepaling van de interestvoet bij wet. Het is goed mogelijk dat het concept wettelijke interest slechts naar één enkele betekenis verwijst. Meestal wordt aan "wettelijke interest" overigens de tweede betekenis gegeven (zie supra, nr. 14). Welnu, in de artikelen 856 of 928 van het Burgerlijk Wetboek gaat het in geen geval om een interest waarvan de rentevoet door de wet is vastgesteld(24).

25. Ten derde geven de auteurs die traditioneel aannemen dat bij inbreng of inkorting in waarde de wettelijke interestvoet moet worden toegepast, met name DE PAGE en BAUDRY-LACANTINERIE, geen enkel argument aan waarom dit het geval is.(25) Integendeel, bepaalde auteurs sluiten een correctie op grond van de billijkheid niet uit, of wijzen op de billijkheid van de oplossing die de rechter toelaat om de rentevoet zelf vast te stellen in functie van het werkelijk geleden verlies van de deelgenoten.

Zo schrijft BAUDRY-LACANTINERIE reeds dat indien de wettelijke interestvoet van de plaats van het openvallen van de nalatenschap veel hoger is dan de interest die een plaatsing van de in te brengen som zou hebben opgebracht, en indien de verdeling bovendien vertraagd wordt door ongegronde betwistingen van de reservataire erfgenamen, zij de begiftigde moeten vergoeden voor het verlies dat hij geleden heeft door dit verschil in interesten(26). Onderliggend is dus reeds de bekommernis aanwezig om bij inbreng in waarde het economisch onevenwicht te herstellen dat is ontstaan ten opzichte van inbreng in natura.

Ook VERSTRAETE, die zich algemeen aansluit bij de eerste strekking dat de wettelijke interestvoet van toepassing is op de interest die op een in te korten bedrag verschuldigd is, schrijft in zijn meest recente bijdrage dat "men toch moet vaststellen dat het standpunt van het Hof van Luik [in het arrest van 15 oktober 2002(27)] wellicht meer de billijkheid dient dan wat wij, in navolging van onder meer De Page, verdedigen"(28).

26. Uit al het voorgaande volgt naar mijn mening dat wanneer de inkorting in waarde geschiedt, de rechter vrij de interestvoet mag bepalen die toegepast moet worden op de interest die, krachtens artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek, op het in te korten bedrag verschuldigd is, dat in de plaats komt van inkorting in natura.

Hierbij dienen de toe te kennen interesten zoveel mogelijk overeen te stemmen met de waarde van de vruchten die in geval van inkorting in natura aan de nalatenschap hadden moeten worden teruggegeven. Geen enkele wetsbepaling verplicht de rechter om de wettelijke interestvoet toe te passen.

27. De appelrechters oordelen dat de op de in te korten bedragen verschuldigde interesten niet aan de gemiddelde marktinterest van 2,5 procent per jaar volgens eiser of 4 procent per jaar volgens de eerste rechter, maar aan de wettelijke interestvoet moeten worden toegekend.

Door aldus te beslissen dat bij inkorting in waarde op de in te korten bedragen steeds interest aan de wettelijke interestvoet moet worden toegekend, schenden de appelrechters naar mijn mening artikel 928 van het Burgerlijk Wetboek.

28. Het middel lijkt mij gegrond te zijn.
Conclusie
Vernietiging.
______________________
(1) W. PINTENS, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, nr. 1989.
(2) R. DILLEMANS, Erfrecht in Beginselen van Belgisch privaatrecht, VI, Gent, Story-Scientia, 1984, 352, nr. 149; J. DU MONGH, "Inbreng en inkorting" in W. PINTENS (ed.), De vereffening van de nalatenschap, Antwerpen, Intersentia, 2007, (83) 137, nr. 54; W. PINTENS, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, nrs. 1991 en 2006.
(3) R. DILLEMANS, Erfrecht in Beginselen van Belgisch privaatrecht, VI, Gent, Story-Scientia, 1984, 356, nr. 152.
(4) M. COENE, "Art. 928 B.W." in Comm.Erfrecht 2010, afl. 38, nr. 1.
(5) R. DILLEMANS, Erfrecht in Beginselen van Belgisch privaatrecht, VI, Gent, Story-Scientia, 1984, 353-354, nr. 150; W. PINTENS, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, nrs. 2005 en 2009-2010.
(6) M. COENE, "Art. 928 B.W." in Comm.Erfrecht 2010, afl. 38, nr. 4; R. DEKKERS, A. VERBEKE, N. CARETTE en K. VANHOVE, Handboek burgerlijk recht, III, Antwerpen, Intersentia, 2007, nr. 397; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, IX, Brussel, Bruylant, 1946, 925, nr. 1234; J. DU MONGH, "Inbreng en inkorting" in W. PINTENS (ed.), De vereffening van de nalatenschap, Antwerpen, Intersentia, 2007, (83) 85, nr. 4; M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Deel I, in Beginselen van Belgisch privaatrecht, VI, Mechelen, Kluwer, 2011, 780, nr. 755; Ch. SLUYTS, "Art. 856 B.W." in Comm.Erfrecht 1996, afl. 13, nr. 10.
(7) Cass. 4 mei 2001, AR C.97.0430.N, AC 2001, nr. 254; Cass. 6 mei 2010, AR C.09.0095.N, AC 2010, nr. 318; Cass. 2 februari 2012, AR C.10.0498.N, AC 2012, nr. 80.
(8) J. PETIT, Interest in APR, Antwerpen, Kluwer, 1995, nr. 72.
(9) Cass. 8 november 1965, Pas 1966, I, 318; Cass. 29 april 1968, AC 1968, 1082; C. BIQUET-MATHIEU, "Le régime juridique des intérêts - essai de synthèse" in Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters 2008, Brugge, die Keure, 2008, 245, nr. 10; S. STIJNS, Leerboek verbintenissenrecht, 2, Brugge, die Keure, 2009, 105; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, II, Brussel, Bruylant, 2010, 1641, nr. 1148.
(10) J. PETIT, Interest in APR, Antwerpen, Kluwer, 1995, nr. 125.
(11) J. PETIT, Interest in APR, Antwerpen, Kluwer, 1995, nrs. 77 en 190; J. VERSTRAETE, "Inbrengverplichting bij vermomde schenkingen", T.Not. 2009, (63) 70, nr. 22.
(12) J. DU MONGH, "Inbreng en inkorting" in W. PINTENS (ed.), De vereffening van de nalatenschap, Antwerpen, Intersentia, 2007, (83) 86, nr. 4; W. PINTENS, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, nr. 2156; J. VERSTRAETE, "Inbrengverplichting bij vermomde schenkingen", T.Not. 2009, (63) 70, nr. 22; J. VERSTRAETE, "Vruchten en interesten bij verdeling" in Vigilantibus ius scriptum. Feestbundel voor Hugo Vandenberghe, Brugge, die Keure, 2007, (415) 423.
(13) G. BAUDRY-LACANTINERIE en A. WAHL, Traité théorique et pratique du droit civil, IX, Des successions, III, Parijs, L. Larose en L. Tenin, 1905, 353, nr. 2920; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, IX, Brussel, Bruylant, 1946, 925, nr. 1234, voetnoot 1.
(14) J. VERSTRAETE, "Inbrengverplichting bij vermomde schenkingen", T.Not. 2009, (63) 71, voetnoot 38.
(15) K. BOONE, "Art. 1436 B.W." in Comm. Personen- en familierecht 2003, afl. 45, nr. 21; W. PINTENS, C. DECLERCK en V. ALLAERTS, "Overzicht van rechtspraak. Huwelijksvermogensrecht 2003-2010", TPR 2010, (1383) 1514, nr. 196.
(16) M. COENE, "Art. 928 B.W." in Comm.Erfrecht 2010, afl. 38, nr. 6; M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Deel I, in Beginselen van Belgisch privaatrecht, VI, Mechelen, Kluwer, 2011, 782, nr. 756.
(17) M. COENE, "Art. 928 B.W." in Comm.Erfrecht 2010, afl. 38, nr. 5.
(18) Y.-H. LELEU, "De waardering van reservataire schuldvorderingen. Enkele bedenkingen de lege lata en voorstellen de lege ferenda" in W. PINTENS en B. VAN DER MEERSCH, Vereffening-verdeling van de nalatenschap, Antwerpen, Maklu, 1993, 115-155, nrs. 237 e.v.; Y.-H. LELEU, "La réduction et le rapport en valeur, réflexions critiques en vue d'une réforme législative" in KONINKLIJKE FEDERATIE VAN BELGISCHE NOTARISSEN (ed.), De erfrechtelijke reserve in vraag gesteld, II, Belgisch recht, Brussel, Bruylant, 1997, 213-248.
(19) M. COENE, "Art. 928 B.W." in Comm.Erfrecht 2010, afl. 38, nr. 5.
(20) M. COENE, "Art. 928 B.W." in Comm.Erfrecht 2010, afl. 38, nr. 6; P. DELNOY, S. JENNES en B. LEMAIRE, "Les successions" in Chron.dr.not., vol. XXXVII, Brussel, Larcier, 2003, 305; C. DE WULF, "Erfenissen" in Rechtskroniek voor het notariaat 2006-07, Brugge, die Keure, 2007, 132, nr. 112; M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Deel I, in Beginselen van Belgisch privaatrecht, VI, Mechelen, Kluwer, 2011, 782, nr. 756.
(21) M. COENE, "Art. 928 BW" in Comm.Erfrecht 2010, afl. 38, nr. 6; M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Deel I, in Beginselen van Belgisch privaatrecht, VI, Mechelen, Kluwer, 2011, 782, nr. 756.
(22) Tweede verslag BAERT bij het wetsontwerp tot wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot, Parl. St. Kamer 1980-81, nr. 797/2, 17.
(23) R. DILLEMANS, Erfrecht in Beginselen van Belgisch privaatrecht, VI, Gent, Story-Scientia, 1984, 344, nr. 147.
(24) Zo is in het Franse recht slechts na wetswijziging de wettelijke rentevoet toepasselijk op de interest die van rechtswege verschuldigd is op in te brengen schulden vanaf het openvallen van de nalatenschap. Het gewijzigde artikel stelt deze interestvoet uitdrukkelijk vast (artikel 866, eerste lid van het Frans Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet nr. 2006-728 van 23 juni 2006).
(25) G. BAUDRY-LACANTINERIE en A. WAHL, Traité théorique et pratique du droit civil, IX, Des successions, III, Parijs, L. Larose en L. Tenin, 1905, 353, nr. 2920; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, IX, Brussel, Bruylant, 1946, 925, nr. 1234, voetnoot 1.
(26) G. BAUDRY-LACANTINERIE en A. WAHL, Traité théorique et pratique du droit civil, IX, Des successions, III, Parijs, L. Larose en L. Tenin, 1905, 354, nr. 2920.
(27) Luik 15 oktober 2002, JT 2003, 157. In dit arrest oordeelde het hof van beroep te Luik dat artikel 856 van het Burgerlijk Wetboek geenszins verwijst naar de wettelijke interest. Volgens dit hof van beroep strekt dit artikel ertoe om de erfgenamen het equivalent te geven van hetgeen de in te brengen som aan de deelgenoten zou hebben opgeleverd indien zij over deze som hadden kunnen beschikken sinds het ontstaan van de onverdeeldheid. Het hof van beroep hield rekening met een gemiddelde en forfaitaire interestvoet van 4,5 procent per jaar, naar analogie met de interesten gehanteerd door de fiscale administratie.
(28) J. VERSTRAETE, "Inbrengverplichting bij vermomde schenkingen", T.Not. 2009, (63) 70, nr. 22.
 

Noot: 

Opmerking zie ook wetsvoorstel waarbij de inbreng vanaf goedkeuring van het voorstel steeds in waarde (in geld) geschied.

voor het integrale wetsvoorstel zie deze link

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 10/11/2016 - 19:52
Laatst aangepast op: wo, 15/02/2017 - 16:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.