-A +A

Inkomstenbelasting - Procedure - Aanvang bezwaartermijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
woe, 13/09/2017
A.R.: 
2011/AR/2070
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/19
Pagina: 
1467
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(M.-P.D.B., J.W. en R.W. / Belgische Staat - Rolnr.: 2011/AR/2070)

(Advocaten: Mr. J. Vanden Branden en Mr. I. Bollingh)

(…)

Beoordeling
De al dan niet ontvankelijkheid van de vorderingen van oorspronkelijke appellanten voor aanslagjaar 2000 (de al dan niet laattijdigheid van het voor dat jaar ingediende bezwaarschrift)
Tegen de bestreden aanslag voor aanslagjaar 2000 (art. nr. 170172), volgens de door de administratie verstrekte gegevens verzonden op 29 juni 2001 (administratief dossier stuk 167), werd door eerste appellante en wijlen haar echtgenoot een bezwaarschrift ingediend, dat bij de diensten van geïntimeerde toe blijkt te zijn gekomen op 3 december 2001, terwijl appellante en wijlen haar echtgenoot zelf in het bezwaarschrift aangaven te weten dat het laattijdig zou zijn geweest (meer bepaald doordat zij onder meer schreven: “... Mijn bezwaar komt wegens omstandigheden buiten mijn wil laattijdig toe...”.

Het bezwaarschrift voor aanslagjaar 2000 moet echter als tijdig aangezien worden.

In zoverre het toenmalig artikel 371 WIB 1992 de bezwaartermijn doet aanvangen op het ogenblik van de verzending van het aanslagbiljet, schendt het de rechten van verdediging van appellant en werd het ongrondwettig bevonden bij arrest van 19 december 2007 van het Grondwettelijk Hof.

Bij gebrek aan bepaling van een andere aanvangsdatum van de bezwaartermijn gezien de concrete datum waarop eerste appellante en wijlen haar echtgenoot van het bestaan van de aanslag voor aanslagjaar 2000 kennisnamen en gelet op de onmogelijkheid voor het hof om een andere datum van aanvang van de bezwaartermijn vast te stellen dan die in het van toepassing zijnde artikel 371 WIB 1992, aanvaardt het hof de tijdigheid van het op 3 december 2001 bij de diensten van de Belgische Staat aangekomen bezwaarschrift tegen de bestreden aanslag voor aanslagjaar 2000 (cf. Brussel 22 september 2015, 2012/AR/1716; Cass. 23 november 2012; Cass. 4 september 2015 (3 arresten); cf. Circ. AAFisc nr. 5/2016 (nr. Ci 704 063) van 3 februari 2016, onderdeel c. randnr. 27).

Ook in zoverre het echtpaar X met het bezwaarschrift op 3 december 2001 toegekomen bij de diensten van de Belgische Staat bezwaar deed tegen de bestreden aanslag voor aanslagjaar 2000, moet dit dus tijdig en ontvankelijk verklaard worden.

Dit houdt in dat het door artikel 1385undecies Ger.W. vereiste voorafgaand door de wet georganiseerd administratief beroep voor deze bestreden aanslag rechtsgeldig is ingesteld zodat het voor de eerste rechter ingestelde fiscaal verhaal ook ontvankelijk verklaard moet worden voor dit aanslagjaar.

De al dan niet nietigheid van de aanslagen gevestigd door de aanslagjaren 1998 tot en met 2000 en de aanslagjaren 2002 tot en met 2007 wegens de aangevoerde afwezigheid van een antwoordtermijn erop voor oorspronkelijke appellanten van minimum één maand
Voor alle berichten van wijziging aan oorspronkelijke appellanten gericht voor 7 juni 2010 (datum van inwerkingtreding van het gewijzigd art. 346, lid 3 WIB 1992 inhoudend dat de antwoordtermijn van één maand voor een bericht van wijziging ingaat vanaf de derde werkdag volgende op de verzending van het bericht van wijziging, nadat het Grondwettelijk Hof de oorspronkelijke termijn van één maand, te rekenen vanaf de verzending van de kennisgeving bij arrest van 19 december 2007 en 2 juni 2010 ongrondwettig had bevonden) houden huidige appellanten vol dat zij nietig zouden zijn.

In die berichten van wijziging is sprake van een antwoordtermijn voor oorspronkelijke appellanten op de erin meegedeelde wijziging van de aangiften van één maand, doch te rekenen vanaf de verzending van die kennisgeving, die ongrondwettig werd bevonden door het Grondwettelijk Hof (arrest 2 juni 2010).

Met reden voeren appellanten aan dat de wet die moest verhelpen aan de vastgestelde ongrondwettigheid van deze antwoordtermijn (wet van 19 mei 2010 die art. 346 WIB 1992 wijzigde, van toepassing vanaf 7 juni 2010), niet retroactief toegepast kan worden en dus niet van toepassing verklaard kan worden op de antwoordtermijn die voor de voornoemde berichten van wijziging gericht aan eerste appellante en wijlen haar echtgenoot nageleefd moest worden.

Echter kan de conclusie die appellanten daaraan verbinden, te weten de nietigheid van al die berichten van wijziging en van alle erna en erop betrekking hebbende aanslagen, door het hof niet aanvaard worden.

Immers moet ermee rekening gehouden worden dat deze antwoordtermijn ertoe strekt aan de belastingplichtige voldoende tijd te laten om zich te beraden over de door de administratie voorgenomen wijzigingen aan zijn aangifte en om zich te beraden over het antwoord dat hij daarop wil geven. Aldus strekt die antwoordtermijn ertoe erover te waken dat de rechten van verdediging van de belastingplichtige bij die wijziging geëerbiedigd worden.

Appellanten tonen niet in concreto aan dat hun rechten van verdediging niet geëerbiedigd zouden zijn geweest en dat zij in het beantwoorden van al de door hen aangeduide berichten van wijziging over te weinig tijd zouden hebben beschikt om hun antwoord te formuleren of om raad te vragen over de redactie en de inhoud van hun antwoord.

Geen wettelijke regel laat toe de uiteindelijk gevestigde aanslagen waarop appellanten doelen nietig te verklaren omdat in de door hen aangehaalde berichten van wijziging de antwoordtermijn nog volgens de oude regel, uitgaande van de datum van verzending van het bericht vermeld is. Geen zo'n nietigheid wordt door enige wetgeving voorgeschreven en de concrete omstandigheden van de situatie waarin oorspronkelijke appellanten zich bevonden wordt niet zodanig duidelijk gemaakt of geïllustreerd door appellanten dat aan enige (niet vastgestelde) inbreuk op hun rechten van verdediging en tijd om hun verdediging te organiseren alleen maar verholpen zou kunnen worden door de nietigheid van de verzending van de berichten van wijziging vast te stellen en uit te spreken.

Het Grondwettelijk Hof overwoog in zijn arrest nr. 85/2012 van 28 juni 2012 dat “de belastingplichtige die een bezwaarschrift indient tegen een aanslagbiljet en diegene die antwoordt op een bericht van wijziging, zich niet in dezelfde situatie bevinden: de eerstgenoemde moet zich aan een termijn onderwerpen om zijn recht van verdediging te vrijwaren, omdat hem anders een jurisdictioneel beroep wordt ontnomen; de laatstgenoemde moet antwoorden op een bericht van wijziging dat geen definitieve beslissing van de administratie inhoudt, maar enkel het uitgangspunt vormt van onderhandelingen met de belastingplichtige met het oog op het vaststellen van het belastbaar inkomen. Dat verschil kon in de regel verantwoorden dat de door het Hof in het arrest nr. 162/2007 aangenomen oplossing niet wordt omgezet naar termijnen die toepasbaar zijn in bestuurszaken” (r.o. B.8).

Het Grondwettelijk Hof zegde in voormeld arrest van 28 juni 2012 voor recht dat “Artikel 251 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964 (thans art. 346 WIB 1992) schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie dat, wanneer een belastingplichtige antwoordt binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging van aangifte, een aanslag mag worden gevestigd na het verstrijken van die termijn, maar vóór het verstrijken van een termijn van één maand vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht”, op grond van volgende overwegingen: “B.5. Wanneer een belastingplichtige antwoordt binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging, kunnen de specifieke gevolgen die artikel 256 van het WIB 1964 (thans art. 351 van het WIB 1992) vastlegde wanneer de belastingplichtige niet binnen die termijn heeft geantwoord, zich niet voordoen, De Belastingadministratie kan niet de aanslag ambtshalve vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt. Bijgevolg is ook artikel 257, eerste lid van het WIB 1964 (thans art. 352 van het WIB 1992), dat bepaalde dat indien hij ambtshalve is aangeslagen het aan de belastingplichtige behoort het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van de andere te zijnen name in aanmerking komende gegevens, niet van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de rechten van de verdediging van de belastingplichtige niet worden aangetast.

B.6. Daar staat tegenover dat de rechten van de Schatkist in het gedrang kunnen komen wanneer, ten aanzien van de belastingplichtige die antwoordt binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging, een aanslag pas zou kunnen worden gevestigd na het verstrijken van een termijn van één maand vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van wijziging. Los van het feit dat een te vroeg gevestigde aanslag nietig kan worden verklaard, kunnen de aanslagtermijnen bepaald in de artikelen 258 tot 263 van het WIB 1964 verstreken zijn, waardoor het niet langer mogelijk zou zijn enige aanslag te vestigen.”

Te dezen kwamen, enerzijds, de rechten van verdediging van voormalige beide appellanten niet in het gedrang, nu zij binnen één maand na de verzending van het bericht van wijziging antwoordden (uitgezonderd voor aanslagjaar 2000 waarvoor evenwel zoals hoger uiteen gezet, het bezwaarschrift als tijdig werd aanvaard), zodat de gevolgen van artikel 351 WIB 1992, nl. de mogelijkheid tot het vestigen van een ambtshalve aanslag en de omkering van de bewijslast zich t.a.v. hen niet voordeden (behoudens voor aanslagjaar 2000 waarbij echter uit het onderzoek der voorliggende stukken en gegevens evenmin een schending blijkt van hun recht op voldoende tijd voor de organisatie van hun verdediging).

Anderzijds, kwamen de rechten van de Schatkist niet in het gedrang, nu ook na het verstrijken van één maand vanaf de derde werkdag, de administratie ruim de tijd had om de betwiste aanslag te vestigen.

Over de regelmatigheid van het bij de (destijds) spaarbank ASLK gevoerde onderzoek en de gevolgen hiervan
Met reden voeren appellanten aan dat een onwettige onderzoeksdaad bij een in artikel 318 WIB 1992 bedoeld bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling aan de oorsprong ligt van de verzameling van gegevens om eerste appellante te belasten op een wijze strijdig met artikel 318 WIB 1992.

Krachtens artikel 318 WIB 1992 (zoals van toepassing voor alle aanslagjaren thans ter discussie) is, in afwijking van de bepalingen van artikel 317 WIB 1992, en onverminderd de toepassing van de artikelen 315 en 316, de administratie niet gemachtigd in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten.

Die bepaling (in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren thans ter discussie en voor de wijziging van art. 322 WIB 1992 met het oog op het voeren van een zogenaamd “bankonderzoek” in latere, maar hier niet ter discussie staande aanslagjaren) houdt in dat geen dergelijke inzameling van inlichtingen kan plaatsvinden bij zo'n instellingen, tenzij op basis van een eerder door de administratie gevoerd onderzoek, het bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking als bedoeld in artikel 318, lid 2 WIB 1992 kan worden vermoed.

Na de zitting van 12 maart 2010 voor de eerste rechter werden door de Belgische Staat op verzoek van de rechter een hele reeks bijkomende stukken bijgebracht door de Belgische Staat genummerd van V 1 tot V 39.

Uit die stukken blijkt onder meer dat een ambtenaar van de Belgische Staat die een onderzoek had aangevat naar de belastbaarheid van personeelsleden van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika, terwijl zij nog maar indicaties had over twee van die personeelsleden (niet eerste appellante), op 13 juli 1999 telefonisch contact nam met de hoofdzetel van de, toen, Algemene Spaar- en Lijfrentekas in Brussel (thans de ING-bank genaamd). Deze ambtenaar was blijkbaar op zoek naar RZS-indicatiegegevens van werkgevers die bij die bank gekend zouden zijn geweest omdat zij gegevens bijhield over aldaar gehouden pensioenrekeningen (waarbij de Belgische Staat verwijst naar een opdracht voor die bank bedoeld in art. 28 KB nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en het KB van 12 december 1967 dat de ASLK belast met het bijhouden van de invidivuele rekening van de werknemers).

Blijkbaar heeft deze ambtenaar zich gebaseerd op deze binnen de fiscale administratie gekende omstandigheid die het blijkbaar gemakkelijker maakt voor de administratie om aan identiteitsgegevens en identificatiegegevens inzake de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid te raken, eerder dan bij de sociale diensten in het algemeen zelf op zoek te gaan naar dergelijke identificatiegegevens.

Dit alles neemt niet weg dat:

moet vastgesteld worden dat de bedoelde bank ASLK duidelijk een instelling, weze het een bank- of spaarinstelling, is, bedoeld in artikel 318 WIB 1992;
de ambtenaar van de Belgische Staat op zoek wilde gaan naar gegevens van één van diens cliënten, weze het een werkgever die daar een pensioenrekening bijhield over haar personeelsbestand en dat, bovendien, dit voornemen gebaseerd was op grond van de kennis binnen de administratie dat die bank pensioengegevens van individuen-werknemers van werkgevers bijhield.
Na onderzoek van alle voorliggende gegevens moet immers worden vastgesteld dat deze ASLK zo'n bank- of spaarinstelling is, en dat zelfs indien zou moeten besloten worden dat eerste appellante niet direct een cliënte zou zijn geweest van deze ASLK (wat overigens ook betwijfeld kan worden aangezien binnen de administratie een kennis bestond over het bijhouden van pensioengegevens van individuele werknemers), alleszins door de fiscale ambtenaar een onderzoek is aangevat naar een belastbare grondslag die zou volgen uit het gegeven dat een cliënt van die ASLK, de voormelde ambassade, daar gegevens bijhield over personeelsleden die een belastbaar inkomen verdienden bij haar.

Indien artikel 318 WIB 1992 (zonder bewijs van een daarin bedoeld mechanisme van belastingontduiking) al geen onderzoek toelaat in de bank- of spaarinstelling met het oog op het belasten van cliënten van de bank, is a fortiori geen dergelijk onderzoek toegelaten met het oog op het belasten van derden, verbonden met deze cliënten.

En daarenboven kan niet uitgesloten worden dat eerste appellante dan al beschouwd moest worden als een cliënt van die bank, precies omdat de fiscale administratie (die toen haar identiteit nog niet vereenzelvigd had) uitging van de binnen haar schoot bestaande kennis van het bijhouden door die bank van pensioengegevens van individuen, zoals eerste appellante, die dan wel zeker als een cliënt zoals omschreven in artikel 318 WIB 1992 van die bank beschouwd moet worden.

Onterecht voert de Belgische Staat aan dat zo'n vragen aan een dergelijke spaarinstelling of bank, geen bankonderzoek als bedoeld in artikel 318 WIB 1992 zijn en dat zo'n vragen aan de ASLK-bank gesteld konden worden in toepassing van artikel 327 WIB 1992.

Er is in het geheel niet aangetoond dat de dienstdoende ambtenaar van de Belgische Staat in het stellen van die vragen aan de ASLK, zich gebaseerd zou kunnen hebben op artikel 327 WIB 1992 en dat op die grond die vragen gesteld konden worden. Eerder moet besloten worden dat aldus door deze ambtenaar gepoogd is artikel 318 WIB 1992 op onwettige wijze te omzeilen, zodat de blijkbaar door haar vergaarde inlichtingen, waaronder het inschrijvingsnummer van de voornoemde ambassade bij de RSZ (zijnde, het repertoriumnummer 0475 238-88), onwettig en onregelmatig is verkregen.

Uit het geheel der voorgelegde stukken blijkt dat op basis van het aldus meegedeelde RSZ-repertoriumnummer van de al genoemde ambassade de Belgische Staat vervolgens de RSZ heeft ondervraagd over de identiteit van de daar werkzame personeelsleden, waaronder eerste appellante.

Vermits alle navolgende vragen om inlichtingen aan de RSZ gesteund zijn op een nietig bankonderzoek waarbij het inschrijvingsnummer van de Amerikaanse ambassade bij de RSZ werd verkregen, zijn alle bestreden aanslagen, uitgezonderd die voor aanslagjaar 2001 en de aanslag met artikel nr. 736238239 voor aanslagjaar 2002, gesteund op een onwettig ingesteld bankonderzoek en moeten zij vernietigd worden (cf. Cass. 6 maart 2015, F 14 0038, N/4).

(…)

Noot: 

Soetaert, F. en Motte, J., « Aanvang van een termijn – Onrechtmatig verkregen gegevens uit een bankonderzoek », R.A.B.G., 2017/19, p. 1473-1478

Overige rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 16 november 2017, RW 2017-2018, 1609

samenvatting

Bezwaarschriften moeten op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.

Indien de rechter aan de vastgestelde ongrondwettigheid van artikel 371 WIB92 zonder meer een einde kan stellen door dit wetsartikel aan te vullen aan de hand van artikel 53bis, 2°, Gerechtelijk Wetboek, kan en moet hij dit doen

De loutere bewering door de belastingplichtige dat een aanslagbiljet niet verzonden is, heeft niet tot gevolg dat het bestuur dat voorhoudt dat het op het juiste adres van de belastingplichtige en in de gepaste vorm een aanslagbiljet heeft verzonden, ook het bewijs moet leveren dat die verzending effectief is gebeurd.

Tekst arrest

S.C. en E.S. t/ Vlaams Gewest, Vlaams minister voor Begroting, Financiën en Energie

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 4 november 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens art. 371, eerste lid WIB92, zoals het op het geschil van toepassing is, moeten de bezwaarschriften op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.

Art. 53bis, 2o Ger.W., ingevoegd bij de wet van 13 december 2005, bepaalt dat ten aanzien van de geadresseerde en tenzij de wet anders bepaalt, de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager, worden berekend, wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

2. Het Grondwettelijk Hof heeft meermaals geoordeeld dat art. 371 WIB92 de artt. 10 en 11 Gw. schendt in zoverre het bepaalt dat de bezwaartermijn begint te lopen op de datum van verzending die voorkomt op het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat.

Het Grondwettelijk Hof heeft daarbij overwogen dat de doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden evengoed zou kunnen worden bereikt met toepassing van art. 53bis Ger.W., indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis van het aanslagbiljet heeft kunnen nemen, d.w.z. de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

3. Wanneer een leemte in de wet het gevolg is van de ongrondwettigverklaring van een wetsbepaling, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Of de rechter een leemte in de wetsbepaling kan opvullen, hangt af van de leemte zelf. Indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd, kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen. Indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gemaakt door de wetsbepaling aan te vullen, zodat ze niet meer strijdig is met de artt. 10 en 11 Gw., kan en moet de rechter dit doen, binnen het kader van de bestaande wettelijke bepalingen.

De leemte inzake het aanvangspunt van de termijn om een bezwaarschrift in te dienen is geen leemte die van aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd. Indien de rechter aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan maken door art. 371 WIB92 aan te vullen aan de hand van art. 53bis, 2o Ger.W., kan en moet hij dit bijgevolg doen.

De appelrechters vermochten bijgevolg te oordelen dat het aanslagbiljet «moet worden geacht bij de [eisers] op hun adres te zijn toegekomen ten laatste op de derde werkdag die volgde op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd (vergelijk met art. 53bis, 2o Ger.W.), dit is op 27 juli 2010, aanvangsdatum van de bezwaartermijn van drie maanden».

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

4. De datum van verzending is, behalve in geval van bewijs van het tegendeel, de op het aanslagbiljet vermelde verzendingsdatum.

De loutere bewering door de belastingplichtige dat een aanslagbiljet niet verzonden is, heeft niet tot gevolg dat het bestuur dat beweert dat het op het juiste adres van de belastingplichtige en in de gepaste vorm een aanslagbiljet heeft verzonden, ook het bewijs moet leveren dat die verzending effectief is gebeurd.

5. De appelrechters stellen vast dat «de bestreden aanslag volgens de vermelding op het aanslagbiljet gevestigd [werd] op 15 juli 2010 en aan [de eerste eiser] verzonden op 22 juli 2010 aan het adres (...)straat (DRL) (...)» en dat «het adres van de [eisers] vermeld op het aanslagbiljet het juiste adres van de [eisers] [blijkt] te zijn. Het is het adres door [de eerste eiser] zelf vermeld op zijn verzoek tot ambtshalve ontheffing van 12 april 2011 (...), en is volgens de conclusies van [de eisers] neergelegd op de respectieve griffies van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent en van het Hof van Beroep te Gent nog steeds hetzelfde adres.»

De appelrechters konden zonder schending van de in het middel als geschonden aangevoerde wetsbepalingen oordelen dat «moet worden aangenomen dat het aanslagbiljet wel degelijk werd verzonden aan het juiste adres op het aanslagbiljet, op de op het aanslagbiljet vermelde datum» en dat «de [eisers] het tegendeel niet [aantonen]».

Het middel kan niet worden aangenomen.

...

F.15.0034.N
Conclusie van advocaat-generaal o.m. Van der Fraenen:

I. Situering

Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eisers eigenaar waren van een onroerend goed gelegen te (...).

Voor dit onroerend goed werd door verweerder een aanslag in de onroerende voorheffing gevestigd voor het aanslagjaar 2010.
Eisers tekenden tegen deze aanslag bezwaar aan en streefden naar de proportionele vermindering van de onroerende voorheffing in toepassing van artikel 257, §2, 3° juncto 15 WIB92 (improductiviteit).

Bij beslissing van 22 juni 2011 van de gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst werd het bezwaar afgewezen om reden dat het bezwaarschrift van eisers laattijdig was, en dat uit de elementen van het dossier evenmin bleek dat er voldoende argumenten voorhanden waren om een ambtshalve ontheffing te verlenen.

De rechtbank van eerste aanleg te Gent verklaarde in haar vonnis d.d. 5 februari 2013 de vordering van eisers ontvankelijk en gegrond en verleende vrijstelling van onroerende voorheffing in toepassing van artikelen 15 en 257 §2, 3° WIB92.

Het eerste vonnis werd teniet gedaan bij arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 4 november 2014 en de oorspronkelijke vordering van eisers werd onontvankelijk verklaard.

Het cassatieberoep van eisers tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eisers voeren in hun verzoekschrift drie middelen tot cassatie aan.

II. Bespreking van het eerste middel

II.1. Eisers voeren in het eerste middel aan dat de appelrechters, door bij gebreke aan enig wetgevend initiatief, naar aanleiding van het arrest nr. 162/2007 van het Grondwettelijk Hof dd. 19 december 2007, een andere datum als aanvangsdatum van de bezwaartermijn in de plaats te stellen dan deze voorzien in artikel 371 WIB92 (zoals van toepassing in het Vlaams Gewest tijdens het aanslagjaar 2010) en het bezwaar als laattijdig te beschouwen, voormeld artikel 371 WIB92 hebben geschonden.
Door in het bestreden arrest de vordering van eisers onontvankelijk te verklaren, hebben de appelrechters volgens eisers ook het artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek geschonden.

II.2. Krachtens artikel 371 WIB92 (zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, voor het aanslagjaar 2010) moeten de bezwaarschriften op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.
In zijn arrest van 19 december 2007 besliste het Grondwettelijk Hof dat "het redelijk verantwoord (is) dat de wetgever, om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelswijze van de partijen. De keuze van de datum van verzending van het aanslagbiljet als aanvangspunt van de beroepstermijn beperkt evenwel het recht van verdediging van de geadresseerden op onevenredige wijze, doordat die termijnen beginnen te lopen op een ogenblik dat zij nog geen kennis kunnen hebben van de inhoud van het aanslagbiljet.

De doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden zou evengoed kunnen worden bereikt indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek)". (GwHof, 19 december 2007 nr. 162/2007, BS 11 februari 2008).

II.3. Artikel 371, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, werd gewijzigd bij decreet van 8 juli 2011 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen, met ingang van 30 juli 2011.

In het eerste middel voeren eisers aan dat in de periode tussen het arrest van het Grondwettelijk Hof van 19 december 2007 en de inwerkingtreding van het decreet van 8 juli 2011 op 30 juli 2011, artikel 371WIB92 in zijn ongrondwettelijke vorm is blijven bestaan en dat de aanslagbiljetten die tijdens deze periode werden verstuurd, de bezwaartermijn niet hebben doen lopen.

II.4. Wanneer een wet ingevolge een arrest van het Grondwettelijk Hof een leemte vertoont (in voorliggend geval een grondwetsconforme aanvangsdatum van de bezwaartermijn), dan moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Of de rechter een leemte in de wetsbepaling kan opvullen, hangt af van de leemte zelf. Indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd, dan kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen. Indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gesteld door de wetsbepaling aan te vullen, dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan en moet de rechter dit doen (zie in dezelfde zin de conclusie van A.G. D. Thijs bij het arrest van Uw Hof van 23 november 2012, AC 2012, 2645 e.v. en de verwijzingen aldaar).

In voorliggend geval meen ik dat de appelrechters zich in de tweede hypothese bevonden. De leemte m.b.t. het vertrekpunt van de termijn om een bezwaarschrift in te dienen, kan immers niet worden gekwalificeerd als een leemte die van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere procesregeling wordt ingevoerd.

In het arrest van 19 december 2007 heeft het Grondwettelijk Hof zelf aangegeven op welke wijze de leemte op een grondwetconforme manier kan worden ingevuld, namelijk door de termijn te laten ingaan op de dag waarop de geadresseerde naar alle waarschijnlijkheid kennis heeft kunnen nemen van het aanslagbiljet, dit wil zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (art. 53bis van het Gerechtelijk Wetboek).

Artikel 53bis, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2005 preciseert inderdaad dat ten aanzien van de geadresseerde en tenzij de wet anders bepaalt, de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager, worden berekend: wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

Het artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek is ingevolge artikel 2 van hetzelfde wetboek van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.

In voorliggend geval meen ik derhalve dat de appelrechters wel degelijk aan de ongrondwettigheid een einde konden stellen door artikel 371 WIB92 aan te vullen aan de hand van artikel 53bis, 2° van het Gerechtelijk Wetboek en bijgevolg naar recht konden oordelen dat "het aanslagbiljet met verzendingsdatum op 22 juli 2010 moet worden geacht bij eisers op hun adres te zijn toegekomen ten laatste op de derde werkdag die volgde op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd (vergelijk met artikel 53bis, 2° Ger. W.), hetzij op 27.7.2010, vertrekdatum van de bezwaartermijn van drie maand" (bestreden arrest p. 5, vierde alinea).

Het komt mij dan ook voor dat het eerste middel niet kan worden aangenomen.

III. Bespreking van het tweede middel

III.1. Eisers voeren in het tweede middel aan dat het betreden arrest het artikel 371 WIB92 (zoals van toepassing in het Vlaams Gewest tijdens het aanslagjaar 2010) en het 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek schendt en de artikelen 870 en 1315 van het Burgerlijk Wetboek heeft miskend vermits het bestreden arrest niet vaststelt dat verweerder het bewijs levert van de verzending van het aanslagbiljet op de op het aanslagbiljet vermelde datum.

III.2. De datum van verzending is, behoudens bewijs van het tegendeel, de op het aanslagbiljet vermelde verzendingsdatum (Cass. 15 juni 2001, AR C.99.0007.N, AC 2001, nr. 365).

Er dient bijgevolg van uitgegaan te worden dat de verzending werkelijk gebeurde op de datum vermeld op het aanslagbiljet, tenzij de belastingplichtige het tegenbewijs levert of minstens aannemelijk maakt.

Eisers hielden louter voor het aanslagbiljet, verzonden op 22 juli 2010, niet te hebben ontvangen, zonder deze bewering op enige wijze aannemelijk te maken.

Deze bewering heeft niet tot gevolg eisers te ontslaan van het tegenbewijs van het vermoeden dat het aanslagbiljet werd verzonden op 22 juli 2010 en heeft evenmin tot gevolg dat het bestuur het bewijs moet leveren dat het aanslagbiljet werd verzonden op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.

De appelrechters stelden overigens vast dat het adres van (eisers) vermeld op het aanslagbiljet het juiste adres van (eisers) blijkt te zijn: "Het is het adres door (eerste eiser) zelf vermeld op zijn verzoek tot ambtshalve ontheffing d.d. 12.4.2011, (...) en is volgens de conclusies van (eisers) neergelegd op de respectieve griffies van de rechtbank van eerste aanleg te Gent en van het hof van beroep te Gent nog steeds hetzelfde adres" (bestreden arrest p. 5, eerste lid).

Op grond van die vaststellingen konden de appelrechters m.i., zonder miskenning van de in het tweede middel aangewezen wetsbepalingen, oordelen dat moet worden aangenomen dat het aanslagbiljet wel degelijk werd verzonden aan het juiste adres vermeld op het aanslagbiljet, op de op het aanslagbiljet vermelde datum en dat eisers het tegendeel niet aantonen (bestreden arrest p. 5, derde lid).

In overeenstemming met de hoger aangehaalde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof vermochten de appelrechters vervolgens te oordelen dat het aanslagbiljet geacht wordt bij de eisers op hun adres te zijn toegekomen ten laatste op de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd (vergelijk met artikel 53bis, 2° Ger.W.), hetzij op 27 juli 2010, vertrekdatum van de bezwaartermijn van drie maand.

Het tweede middel kan m.i. derhalve niet worden aangenomen.

IV. Bespreking van het derde middel

IV.1. In het derde middel voeren eisers een schending aan van de artikelen 149 van de Grondwet, 1316, 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, 371 WIB92 (zoals van toepassing in het Vlaams Gewest tijdens het aanslagjaar 2010), en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

IV.2. Eisers werpen meer bepaald op dat het bestreden arrest de bewijskracht gehecht aan het aanslagbiljet heeft miskend door hieraan een met de zin, draagwijdte en bewoordingen van dit stuk onverenigbare uitlegging te geven, nu de werkelijke verzending niet door het voornoemde stuk wordt vastgesteld of hieruit kan worden afgeleid (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

Het aanslagbiljet, waarvan de schending van de bewijskracht wordt aangevoerd, werd evenwel niet bij het cassatieberoep gevoegd.

In zoverre het middel de schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek aanvoert, is het m.i. derhalve niet ontvankelijk.

IV.3. Eisers menen verder dat het bestreden arrest geoordeeld heeft dat het bewijs van de effectieve verzending van het aanslagbiljet blijkt uit de verzending van het aanslagbiljet naar het juiste adres van de belastingplichtige. De werkelijke verzending van het aanslagbiljet kan volgens eisers onmogelijk uit die enkele vaststelling worden afgeleid. Aldus zouden de appelrechters de artikelen 1316, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek hebben geschonden.

Nochtans hebben de appelrechters de effectieve verzending van het aanslagbiljet niet enkel afgeleid uit de vaststelling dat het aanslagbiljet werd verzonden naar het juiste adres vermeld op het aanslagbiljet, maar ook uit de vaststelling dat de bestreden aanslag volgens de vermelding op het aanslagbiljet aan eerste eiser werd verzonden op 22 juli 2010. Zij beslisten tevens dat de datum van werkelijke verzending de verzendingsdatum is op het aanslagbiljet, behoudens bewijs van het tegendeel (bestreden arrest p. 4, nr. 2).

Het komt mij voor dat het middel op dit vlak op een onvolledige lezing van het arrest berust en bijgevolg feitelijke grondslag mist.

IV.4. Het middel lijkt mij voor het overige afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 1316, 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek.
In zoverre is het middel m.i. niet ontvankelijk

V. Besluit: VERWERPING

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/12/2017 - 12:04
Laatst aangepast op: za, 02/06/2018 - 18:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.