-A +A

Informatieverplichting van de kredietgever ten aanzien van borgsteller-Krediet mag niet verleend op loutere basis solvabiliteit borg

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 19/09/2012

Inzake de naleving van de informatieplicht, rust de bewijslast omtrent de ingeroepen schending ervan bij de informatieschuldeiser, in casu de kredietnemer en/of de borg. P. bewijst geenszins dat er sprake was van een “culpa in contrahendo” inzake verstrekte informatie in hoofde van de bank.

Een borgsteller kan niet inroepen dat een kredeietgever hem niet of onvoldoende zou geïnformeerd hebben over de - beweerd slechte - financiële toestand van de kredietnemer. In beginsel heeft de kredietverstrekker niet de plicht de borg in te lichten over de financiële toestand van de kredietnemer en komt het aan de borg toe om zich te informeren over de solvabiliteit van de hoofdschuldenaar. Wanneer de kredietnemer aan een derde vraagt zich persoonlijk borg te stellen voor zijn verbintenissen tegenover een bank, steunt deze eenzijdige borgstellingovereenkomst, waarbij enkel de borg zich verbindt, op een vertrouwensrelatie tussen de borg en de gewaarborgde, zodat de borg uit deze relatie zijn informatie moet putten. 

De verantwoordelijkheid voor de toekenning van het krediet dient beoordeeld te worden, rekening houdend met alle externe omstandigheden en gegevens waarvan de bank kennis had of moest hebben op het ogenblik van de beslissing om het krediet toe te kennen. Gebeurtenissen, die zich nadien hebben voorgedaan en die niet konden voorzien worden op het ogenblik van het toestaan van het krediet, kunnen niet in aanmerking worden genomen. De bankactiviteit gaat noodzakelijk gepaard met risico's, zodat de realisatie van zulke risico's op zich niet volstaat om een fout ten laste van de kredietinstelling te weerhouden.

Wanneer de kredietverstrekker, aan de hand van zijn onderzoek bij de kredietaanvraag vaststelt dat de kredietnemer de verbintenissen uit de aangevraagde kredieten redelijkerwijze niet zal kunnen naleven, gedraagt hij zich onrechtmatig door niettemin het krediet toch toe te kennen, zelfs wanneer hij over voldoende zekerheden beschikt. Een krediet mag niet toegekend worden louter op grond van verleende zekerheden. Doch de enkele omstandigheid dat de kredietinstelling ernaar streeft om haar kredietrisico op afdoende wijze af te dekken door middel van zekerheden, kan op zich niet als een fout worden bestempeld.

Wie beweert dat een krediet ten onrechte werd toegekend, dient de fout van de kredietverstrekker te bewijzen. 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/16
Pagina: 
1098
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(P.M. / Europabank NV)

MEDE INZAKE

Van Besien Pierre-Henri,

optredend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement P. BVBA aangezegde partij, niet verschenen, noch vertegenwoordigd.

Velt het hof het volgende arrest:

M.P. (hierna “P.” genoemd) en de NV Europabank (hierna “Europabank” genoemd) werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 7 april 2010, stelde P. hoger beroep in tegen het vonnis dat op 30 december 2009 op tegenspraak tussen partijen gewezen werd door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 13de kamer.

Antecedenten
1. In haar dagvaarding van 9 april 2009 zette Europabank uiteen dat zij op 3 oktober 2007 aan de BVBA P. een kredietopening toestond van 100.000 EUR, bruikbaar als zakenkrediet, dat terugbetaalbaar was door middel van 240 maandsommen van 962,18 EUR vanaf 3 november 2007. Zij stelde dat deze kredietopening herhaaldelijk werd verhoogd, het laatst bij kredietbrief van 21 mei 2008 tot 104.952 EUR, bruikbaar voor 98.952 EUR door het zakenkrediet en voor 6.000 EUR door een kaskrediet.

P. stelde zich op 1 oktober 2007, 7 maart 2007 en 21 mei 2008 hoofdelijk en ondeelbaar borg ten aanzien van Europabank voor alle sommen die de BVBA P. aan Europabank verschuldigd was of zou kunnen zijn uit welke hoofde of op welke gronden ook, evenwel beperkt tot respectievelijk 230.900 EUR, 3.000 EUR en 6.000 EUR in hoofdsom, telkens te verhogen met de interesten en aanhorigheden aan het tarief van toepassing tussen Europabank en de BVBA P.

Europabank stelde de BVBA P. op 4 december 2008 in gebreke om binnen de maand de onbetaalde maandsommen van het zakenkrediet ten bedrage van 1.924,36 EUR te betalen, bij gebreke waarvan de lening opeisbaar werd gesteld. Op 6 januari 2009 maande Europabank P. aan om als borg binnen 5 dagen 230.900 EUR te betalen. Op 7 januari 2009 stelde zij de BVBA P. in gebreke tot onmiddellijke betaling van 8.920,67 EUR uit hoofde van het debetsaldo van het kaskrediet en dezelfde dag P. als hoofdelijke borg tot betaling van 8.800,67 EUR. Bij aangetekende brief van 15 januari 2009 verklaarde Europabank een einde te stellen aan de kredietopening.

Europabank vorderde de veroordeling van de BVBA P. tot betaling - uit hoofde van het zakenkrediet - van 240.819,74 EUR, meer nalatigheidsinteresten aan 9,75% per jaar vanaf 4 december 2008 en gerechtelijke interesten aan dezelfde rentevoet vanaf de dagvaarding tot de datum der algehele betaling. Het bedrag van 240.819,74 EUR was samengesteld uit een hoofdsom van 218.927,04 EUR en een forfaitaire schadevergoeding - vrijwillig herleid tot 10% - van 21.892,70 EUR. Daarnaast vorderde Europabank de veroordeling van P., solidair met de BVBA P., tot betaling van 230.900 EUR, meer de nalatigheidsinteresten aan 9,75% per jaar vanaf 4 december 2008 en gerechtelijke interesten aan dezelfde rentevoet vanaf de dagvaarding tot de datum der algehele betaling.

Bovendien vorderde Europabank de veroordeling van de BVBA P. tot betaling - uit hoofde van het kaskrediet - van 7.333,89 EUR, meer de nalatigheidsinteresten aan 9,25% per jaar op 3.000 EUR en aan 1,10% per maand op 4.333,89 EUR, telkens vanaf 1 januari 2009, en de gerechtelijke interesten aan dezelfde rentevoet vanaf de dagvaarding tot de datum der algehele betaling, te vermeerderen met een commissie van 0,25% per trimester op 3.000 EUR en van 1,15% per trimester op 4.333,89 EUR, telkens vanaf 1 januari 2009 tot de datum der algehele betaling. Daarnaast vorderde zij de veroordeling van P., solidair met de BVBA P., tot betaling van 6.000 EUR, meer de nalatigheidsinteresten aan 9,25% per jaar op 3.000 EUR en aan 1,10% per maand op 3.000 EUR, telkens vanaf 1 januari 2009, en de gerechtelijke interesten aan dezelfde rentevoet vanaf de dagvaarding tot de datum der algehele betaling, te vermeerderen met een commissie van 0,25% per trimester op 3.000 EUR en van 1,15% per trimester op 3.000 EUR, telkens vanaf 1 januari 2009 tot de datum der algehele betaling.

2. P. stelde vast dat Europabank in haar brief van 15 januari 2009 een bedrag van 134.181,35 EUR vermeldde en sommeerde haar de samenstelling van het krediet te verduidelijken.

Zij verklaarde een tegeneis in te stellen op grond van de wet op het consumentenkrediet (WCK), de contractuele aansprakelijkheid van Europabank en de culpa in contrahendo (art. 1382 en 1383 BW).

Zij verweet Europabank tekortgeschoten te zijn aan de informatieverplichting, die haar werd opgelegd door artikel 11 WCK, en artikel 15 WCK geschonden te hebben, op grond waarvan zij slechts een kredietaanbod mocht voorleggen wanneer zij redelijkerwijze mocht aannemen dat de kredietnemer de daaruit voortvloeiende verplichtingen zou kunnen naleven. Zij stelde dat Europabank niet aantoonde de Centrale voor Kredieten aan Particulieren te hebben geraadpleegd. Zij beriep zich op artikel 92 WCK, op grond waarvan aan Europabank slechts het nominale bedrag toekwam, te verminderen met de betaalde sommen. Zij argumenteerde dat de schending van de WCK ook een inbreuk inhield op de artikelen 1382 en 1383 BW, waardoor zij aanspraak kon maken op een schadevergoeding, gelijk aan 10% van het - volgens de vermelding van Europabank in haar brief van 15 januari 2009 - nog verschuldigde bedrag of 13.400 EUR. Uiterst ondergeschikt vroeg zij dat haar afbetalingstermijnen werden toegestaan. Gelet op haar financiële draagkracht, haar lage sociale weerbaarheid en de relatieve eenvoud van de zaak, vroeg zij ten slotte de herleiding van de rechtsplegingsvergoeding tot 75 EUR.

P. besloot tot de ontvankelijkheid, doch slechts gedeeltelijke ongegrondheid van de hoofdeis. Zij vroeg dat haar tegeneis ontvankelijk en gegrond werd verklaard en voor recht gezegd werd dat het saldo 3.464,14 EUR bedroeg en dat haar afbetalingsfaciliteiten werden toegestaan van 150 EUR per maand. Ten slotte vorderde zij dat Europabank veroordeeld werd tot de kosten van het geding.

3. In haar conclusie voor de eerste rechter verklaarde Europabank afstand te doen van het geding ten opzichte van de BVBA P., die bij vonnis van 11 mei 2009 in staat van faillissement was verklaard. Zij breidde haar vordering ten aanzien van P. uit en vorderde uiteindelijk haar veroordeling tot betaling van 230.900 EUR, meer nalatigheidsinteresten aan 9,75% per jaar vanaf 4 december 2008 tot de datum der algehele betaling, evenals van 7.333,89 EUR, meer nalatigheidsinteresten aan 9,25% per jaar en een commissie van 0,25% per trimester op 3.000 EUR en aan 1,10% per maand en een commissie van 1,15% per trimester op 4.333,89 EUR, telkens vanaf 1 januari 2009 tot de datum der algehele betaling en de kosten van het geding.

Europabank stelde dat de samenstelling van de hoofdsom van haar vordering uit hoofde van het zakenkrediet bleek uit de historiek die zij voorlegde en dat de nalatigheidsinteresten en het (door haar herleide) schadebeding bedongen waren in artikel 4, tweede lid van de algemene voorwaarden van het krediet. Ook met betrekking tot het kaskrediet legde Europabank een historiek voor, waaruit de debetstand per 1 januari 2009 bleek en met betrekking tot de gevorderde nalatigheidsinteresten en commissies verwees zij naar de beschrijving ervan in de kredietbrief van 21 mei 2008. Aangezien de vordering op grond van het zakenkrediet het plafond van de borgstelling overtrof, beperkte Europabank de vordering ten aanzien van P. tot dit plafond, vermeerderd met interesten en kosten, terwijl de vordering op grond van het kaskrediet binnen het plafond van de borgstelling bleef, zodat zij integraal verschuldigd was door P.

Verder stelde Europabank vast dat de door P. ingestelde tegeneis in werkelijkheid een verweer op de hoofdeis betrof. De WCK achtte zij niet van toepassing en de verwijzing naar de Centrale voor Kredieten aan Particulieren niet ter zake dienend, aangezien het geschil betrekking had op een commercieel krediet. In zover zij zich beriep op de artikelen 1382 en 1383 BW, bewees P. volgens Europabank geen tekortkoming aan de informatieplicht. Bovendien merkte zij op dat P., die oprichter, enige aandeelhouder en zaakvoerder was van de BVBA P., de financiële situatie en de noden van de vennootschap kende. De omstandigheid dat het krediet meer dan een jaar gelopen heeft, toonde volgens Europabank de ongegrondheid van de bewering van P. aan. Ten slotte stelde zij vast dat P. niet verduidelijkte hoe zij aan een resterend saldo van 3.464,14 EUR kwam.

Europabank verzette zich tegen de gevraagde afbetalingsfaciliteiten, omdat zij zouden neerkomen op een kwijtschelding van de hoofdsom en tegen de gevraagde herleiding van de rechtsplegingsvergoeding tot 75 EUR, dat overigens het minimumbedrag was voor niet in geld waardeerbare vorderingen.

4. De eerste rechter overwoog dat de vordering van Europabank duidelijk was en gestaafd werd door de stukken. Met betrekking tot het verweer op grond van de WCK merkte hij op dat deze wet niet van toepassing was op de voorliggende overeenkomst, aangezien het litigieuze krediet geen consumentenkrediet betrof maar voor commerciële doeleinden werd aangegaan. In zover P. haar tegeneis wegens niet-naleving door Europabank van haar informatieplicht steunde op de artikelen 1382 en 1383 BW, stelde de eerste rechter vast dat zij geen fout bewees in oorzakelijk verband met door haar geleden schade. Verder oordeelde de eerste rechter dat, met maandelijkse sommen van 150 EUR, de afbetaling te lang zou aanslepen en zou zorgen voor een cumulatie van interesten. Hij stond termijnen toe van 1.000 EUR en herleidde de rechtsplegingsvergoeding, gelet op de precaire financiële situatie waarin P. terechtgekomen was, tot 1.000 EUR.

De eerste rechter verleende akte aan Europabank van haar afstand van geding ten opzichte van de BVBA P. Hij verklaarde de hoofd- en de tegenvordering voor het overige ontvankelijk, wees de tegenvordering af als ongegrond en verklaarde de hoofdvordering in de hierna bepaalde mate gegrond.

Hij veroordeelde P. tot betaling aan Europabank van 230.900 EUR, meer de nalatigheidsinteresten aan 9,75% per jaar vanaf 4 december 2008 tot de datum der algehele betaling, evenals van 7.333,89 EUR, meer nalatigheidsinteresten aan 9,25% per jaar en een commissieloon van 0,25% per trimester op 3.000 EUR en nalatigheidsinteresten aan 1,10% per maand en een commissieloon van 1,15% per trimester op 4.333,89 EUR, telkens vanaf 1 januari 2009 tot de dag der algehele betaling, waarbij voornoemde interesten vanaf de datum van de dagvaarding golden als gerechtelijke interesten. Hij zegde dat P. voornoemde bedragen kon afbetalen in maandelijkse schijven van 1.000 EUR vanaf 15 januari 2010, telkens de 15de van elke maand, met dien verstande dat bij gebrek aan één enkele betaling het volledige saldo integraal opeisbaar werd. Ten slotte veroordeelde hij P. tot de gerechtskosten, aan de zijde van Europabank begroot op 504,21 EUR dagvaarding en rolrecht en 1.000 EUR rechtsplegingsvergoeding.

5. Het hoger beroep van P. sterkt ertoe dat het hof het bestreden vonnis teniet doet, de oorspronkelijke vordering ongegrond verklaart, haar bevrijdt “van haar hoedanigheid als borgstelling” en Europabank veroordeelt tot de kosten van beide aanleggen. In ondergeschikte orde vraagt zij “de beweringen van de gedaagde te beperken overeenkomstig de motieven van onderhavige besluiten (vermindering van de veroordeling tot het nominale bedrag van het krediet, indien nodig, te vermeerderen met een wederbeleggingsvergoeding berekend overeenkomstig artikel 1097bis van het Burgerlijke Wetboek)” (letterlijke aanhaling). Bovendien vraagt zij dat de interesten verminderd worden tot de wettelijke rentevoet en dat het gevraagde “vergoedingsbeding” verminderd wordt, omdat beide duidelijk overdreven zijn. Ten slotte vraagt P. de schuld te mogen afbetalen in maandelijkse termijnen van 300 EUR en de rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot het strikte minimum.

P. herhaalt dat Europabank een fout heeft gemaakt in de zin van artikel 1382 BW, door haar niet te informeren over de manier waarop zij de thans gevorderde bedragen berekent en in het bijzonder over het verschuldigd zijn van het totale bedrag der interesten, terwijl het voordeel van de termijn verloren gaat. P. verwijt Europabank bovendien het krediet te hebben toegekend en verhoogd, alhoewel zij zeer goed de moeilijkheden kende waarin het restaurant zich bevond dat door de BVBA P. werd uitgebaat. Wat de gevorderde bedragen betreft, laakt P. het feit dat Europabank de volledige nog te vervallen interesten vordert, die “de winst zijn op de afbetalingstermijn” die door de vervroegde opeisbaarheid aan de kredietnemer wordt ontnomen. P. acht het gevorderde overdreven, temeer omdat Europabank bovendien ook nog een forfaitaire vergoeding eist, gelijk aan 10% van de hoofdsom. P. herhaalt verder haar verwijzing naar de brief van 15 januari 2009, die slechts een bedrag vermeldde van 134.181,35 EUR en beroept zich, met betrekking tot de wederbeleggingsvergoeding, op artikel 1907 bis BW.

Zij vraagt in ondergeschikte orde dat zij enkel veroordeeld wordt voor het nominaal geleende bedrag, indien nodig te verhogen met een wederbeleggingsvergoeding, die wordt berekend overeenkomstig artikel 1907 BW. Ten slotte vordert zij in ieder geval de vermindering van de interesten tot de wettelijke rentevoet en van het “vergoedingsbeding”. Zij vraagt de schuld te mogen afbetalen aan 300 EUR per maand.

6. Europabank besluit tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep. Zij vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van P. tot de kosten van het geding.

Europabank herneemt grotendeels de middelen en argumenten, die zij ontwikkeld heeft voor de eerste rechter. Zij wijst erop dat de nog te vervallen maandsommen enerzijds bestaan uit een kapitaalbestanddeel en anderzijds uit een interestbestanddeel en dat het niet voor betwisting vatbaar is dat zij recht heeft op de terugbetaling van het gedeelte van het kapitaal, dat zij ter beschikking stelde. De vervroegde opeisbaarheid van het interestbestanddeel beoogt volgens Europabank bepaalde kosten te vergoeden, die aan het krediet verbonden zijn, zoals een aandeel in de algemene werkingskosten van de kredietmaatschappij en de kosten die specifiek aan het afsluiten van het contract verbonden zijn. Zij wijst erop dat deze kosten zijn gemaakt, ongeacht of het krediet correct wordt terugbetaald of vervroegd opeisbaar wordt. Bovendien betreft het volgens haar de winst op het contract. Zij wijst erop dat gemaakte kosten en gederfde winst in aanmerking komen voor vergoeding.

Beoordeling
1. Er ligt geen akte van betekening voor van het bestreden vonnis. Europabank verklaart dat het betekend werd op 8 maart 2010. Het hoger beroep van P., dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk.

2. De curator van het faillissement van de BVBA P. is, alhoewel behoorlijk in kennis gesteld van de beschikking in toepassing van artikel 747 Ger.W., niet verschenen en heeft geen conclusies neergelegd. Ook ten aanzien van hem q.q.is het arrest op tegenspraak (art. 747, § 2, zesde lid Ger.W.).

3. De vordering van Europabank strekt tot betaling van de sommen die de BVBA P. verschuldigd is gebleven op grond van de haar op 3 oktober 2007 toegekende en laatst op 21 mei 2008 verhoogde kredietopening, waaraan een einde werd gesteld op 15 januari 2009. P. betwist als zodanig niet dat dit krediet voor de hoger vermelde bedragen werd toegekend, noch dat zij zich hoofdelijk en ondeelbaar borg stelde tot zekerheid van de terugbetaling van de sommen, verschuldigd door BVBA P. aan Europabank, beperkt tot de eveneens hoger vermelde bedragen.

De kredietopening werd bruikbaar gesteld onder de vorm van een zakenkrediet van 100.000 EUR, terugbetaalbaar in 240 maandsommen van 962,18 EUR. P. trad overigens als solidaire medekredietnemer op bij de ondertekening van dit zakenkrediet. Naar aanleiding van de kredietverhoging werd bovendien nog een kaskrediet van 6.000 EUR toegestaan aan de BVBA P.

4. P. put in hoger beroep geen verweer meer uit de wet op het consumentenkrediet, of uit het niet raadplegen door Europabank van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren. Dit verweer was trouwens niet ter zake dienend, aangezien de betwisting betrekking heeft op kredieten, toegestaan aan een vennootschap voor handelsdoeleinden.

5. Wel stelt P. dat Europabank zich schuldig gemaakt heeft aan een fout in de zin van artikel 1382 BW door tekort te schieten aan haar informatieplicht voorafgaand aan de ondertekening van de borgstelling.

5.1. Meer bepaald verwijt P. Europabank haar niet op de hoogte te hebben gebracht van de omvang van het risico dat zij liep wanneer vervroegd een einde werd gesteld aan het krediet. Zij beweert dat zij zich nooit solidaire borg zou hebben gesteld indien zij dit geweten had.

Inzake de naleving van de informatieplicht, rust de bewijslast omtrent de ingeroepen schending ervan bij de informatieschuldeiser, in casu de kredietnemer en/of de borg. P. bewijst geenszins dat er sprake was van een “culpa in contrahendo” inzake verstrekte informatie in hoofde van de bank.

Het blijkt integendeel dat P. maar al te goed op de hoogte was van de omvang van de verbintenissen die zij aanging. Het zakenkrediet ondertekende zij, zowel in haar hoedanigheid van zaakvoerder van de BVBA P. als in eigen naam, zodat zij kennis nam van de voorwaarden waaronder het was aangegaan. Bovendien stelde zij zich borg voor respectievelijk 230.900 EUR, 3.000 EUR en 6.000 EUR in hoofdsom, telkens te verhogen met de interesten en aanhorigheden aan het tarief van toepassing tussen Europabank en de BVBA P.

5.2. P. zou evenmin kunnen inroepen dat Europabank haar niet of onvoldoende zou geïnformeerd hebben over de - beweerd slechte - financiële toestand van de BVBA P. In beginsel heeft de kredietverstrekker niet de plicht de borg in te lichten over de financiële toestand van de kredietnemer en komt het aan de borg toe om zich te informeren over de solvabiliteit van de hoofdschuldenaar. Wanneer de kredietnemer aan een derde vraagt zich persoonlijk borg te stellen voor zijn verbintenissen tegenover een bank, steunt deze eenzijdige borgstellingovereenkomst, waarbij enkel de borg zich verbindt, op een vertrouwensrelatie tussen de borg en de gewaarborgde, zodat de borg uit deze relatie zijn informatie moet putten. P. was zaakvoerder van de BVBA P. Zij was of werd minstens geacht zeer goed op de hoogte te zijn van de toestand van de BVBA P. Zij kan Europabank niet verwijten haar niet geïnformeerd te hebben over gegevens die zij redelijkerwijze zelf moest kennen.

6. Daarnaast roept P. de bankiersaansprakelijkheid in van Europabank. Zij meent dat het krediet niet had mogen toegekend worden.

6.1. Een zorgvuldige bankier dient, alvorens een krediet toe te kennen, nauwgezet te informeren naar de financiële, vermogensrechtelijke en economische situatie en de perspectieven van zijn potentiële contractant. Om te toetsen of de bankier de algemene zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, moet het criterium van de normaal zorgvuldige en redelijke bankier, geplaatst in dezelfde omstandigheden, worden gehanteerd. De toets van de rechter is steeds marginaal, dit wil zeggen dat de aansprakelijkheid van de bankier enkel kan worden weerhouden wanneer hij kennelijk onredelijk heeft gehandeld. De loutere omstandigheid dat de kredietverstrekker een vergissing heeft begaan bij de beoordeling van de succeskansen van een onderneming, vormt op zich geen fout, voor zover de bank geen onredelijke risico's heeft genomen.

De verantwoordelijkheid voor de toekenning van het krediet dient beoordeeld te worden, rekening houdend met alle externe omstandigheden en gegevens waarvan de bank kennis had of moest hebben op het ogenblik van de beslissing om het krediet toe te kennen. Gebeurtenissen, die zich nadien hebben voorgedaan en die niet konden voorzien worden op het ogenblik van het toestaan van het krediet, kunnen niet in aanmerking worden genomen. De bankactiviteit gaat noodzakelijk gepaard met risico's, zodat de realisatie van zulke risico's op zich niet volstaat om een fout ten laste van de kredietinstelling te weerhouden.

Wanneer de kredietverstrekker, aan de hand van zijn onderzoek bij de kredietaanvraag vaststelt dat de kredietnemer de verbintenissen uit de aangevraagde kredieten redelijkerwijze niet zal kunnen naleven, gedraagt hij zich onrechtmatig door niettemin het krediet toch toe te kennen, zelfs wanneer hij over voldoende zekerheden beschikt. Een krediet mag niet toegekend worden louter op grond van verleende zekerheden. Doch de enkele omstandigheid dat de kredietinstelling ernaar streeft om haar kredietrisico op afdoende wijze af te dekken door middel van zekerheden, kan op zich niet als een fout worden bestempeld.

Wie beweert dat een krediet ten onrechte werd toegekend, dient de fout van de kredietverstrekker te bewijzen. P. faalt in deze bewijslast.

6.2. P. verwijt Europabank dat zij het krediet aan de BVBA P. toestond, alhoewel zij wist dat het restaurant, dat door de vennootschap werd uitgebaat, in moeilijkheden verkeerde en dat zij het krediet verhoogde, alhoewel zij kennis had van de balans, waaruit bleek dat de activiteit van de BVBA P. nog steeds verlieslatend was. Zij legt geen stukken voor ter staving van deze bewering.

Doch zelfs indien de BVBA P. op het ogenblik van de toekenning en/of de verhoging van het krediet, financiële moeilijkheden had, dan betekent dit daarom nog niet dat zij in die mate ernstig waren dat het niet langer redelijk te verantwoorden was om haar activiteit te financieren of het bedrag van het krediet - in beperkte mate - te verhogen.

De stelling dat het krediet niet had mogen toegekend en verhoogd worden of dat het louter zou zijn toegestaan op grond van de solvabiliteit van de borgen of om een hypotheek te bekomen, wekt verwondering, in de mate dat zij uitgaat van de persoon die namens de kredietnemer het krediet heeft aangevraagd. Zij wordt bovendien door niets gestaafd. P. toont niet aan dat het, op basis van de gegevens die Europabank kende of behoorde te kennen op het ogenblik van het toekennen of verhogen van het krediet, zeer onwaarschijnlijk zou zijn dat de BVBA P. haar verbintenissen uit het krediet zou kunnen naleven. Dit kan niet afgeleid worden uit de loutere omstandigheden dat het krediet diende opgezegd te worden 15 maanden na de toekenning ervan en dat de BVBA P. in staat van faillissement werd verklaard anderhalf jaar daarna.

De bewering van P. dat de BVBA P. reeds in ernstige moeilijkheden verkeerde bij de toekenning van het krediet of bij de verhoging en ervan wordt tegengesproken door de verklaring die zij zelf geeft voor de problemen waarmee de vennootschap te kampen had en voor het uiteindelijke faillissement, namelijk gezondheidsproblemen vanaf juni 2008 en het rookverbod in restaurants vanaf december 2008. Beide gebeurtenissen dateren van na de toekenning (in oktober 2007) en de verhoging (in mei 2008) van het krediet.

6.3. Uit de voorgaande overwegingen besluit het hof dat P. Europabank niet kan verwijten foutief gehandeld te hebben door het krediet te hebben toegekend en verhoogd. Zij toont niet aan dat Europabank wist of moest weten dat de BVBA P. reeds na een korte tijd haar verbintenissen uit het toegestane krediet niet zou kunnen naleven of dat de zaak, waarvoor het krediet werd toegekend, tot mislukking gedoemd was. Uit de vaststelling dat P. - die de toestand van de BVBA P. als zaakvoerder het beste kende of hoorde te kennen - bereid was om zich hoofdelijk en ondeelbaar borg te stellen, kon Europabank trouwens afleiden dat zij erop vertrouwde dat de BVBA P. het krediet zou kunnen betalen en dat haar privévermogen niet zou dienen aangesproken te worden.

7. Aangezien maandsommen van het zakenkrediet onbetaald bleven, was Europabank gerechtigd het krediet op te zeggen en terugbetaling te bekomen van de ter beschikking gestelde sommen. P. betwist dit als zodanig niet, evenmin als het feit dat zij ingevolge de vervroegde opeisbaarheid van het krediet aangesproken kon worden om haar verbintenissen als borg uit te voeren.

7.1. Europabank begroot haar vordering op grond van het zakenkrediet op 218.927,04 EUR in “hoofdsom”, een forfaitaire schadevergoeding, herleid tot 10% of 21.892,70 EUR en nalatigheidsinteresten aan 9,75% per jaar vanaf 4 december 2008.

Zij zet uiteen dat er, na een betaling van 450EUR op 19 januari 2009 in totaal 12,4677 van de 240 maandsommen van het zakenkrediet betaald waren. Zij vordert aldus het saldo van de lening, bestaande uit 227,5323 maandsommen aan 962,18 EUR of 218.927,04 EUR. Deze maandsommen bestaan blijkens de aflossingstabel, gehecht aan het zakenkrediet, enerzijds uit een deel kapitaal en een deel interesten.

7.1.1. Het is de stelling van Europabank dat door de vervroegde opeisbaarstelling alle nog niet vervallen maandsommen volledig opeisbaar worden. P. meent dat Europabank de interesten, “die de winst zijn op de afbetalingstermijn” niet kunnen gevorderd worden in de mate dat het voordeel van deze termijn verloren gaat door de vervroegde opeisbaarheid.

7.1.2. Artikel 4, eerste en tweede lid van de op het zakenkrediet toepasselijke algemene voorwaarden bepaalt (vrij vertaald): “Europa bank NV zal, van rechtswege en zonder ingebrekestelling, de onmiddellijke opeisbaarheid mogen inroepen van het verschuldigde saldo in hoofdsom, (en principal') vermeerderd met alle kosten, in het geval dat de kredietnemer nalaat een van de aflossingen te betalen op hun vervaldag, wanneer blijkt dat de kredietnemer het krediet heeft bekomen op basis van een onjuiste verklaring, wanneer hij zijn handtekening laat protesteren, wanneer hij uitstel van betaling of een gerechtelijk akkoord vraagt aan zijn schuldeisers, in het geval dat hij beslag laat leggen op een deel van zijn goederen, evenals in alle gevallen waarin de kredietnemer zich in een van de situaties bevindt waarin de wet voorziet in de onmiddellijke opeisbaarheid van elke termijnschuld.” (benadrukking door het hof).

In alle gevallen van onmiddellijke opeisbaarheid of verbreking van het contract, zal Europabank een vergoeding in rekening brengen op het verschuldigd blijvend saldo ten titel van schadebeding van 20% van het totaal bedrag van de onbetaald gebleven mensualiteiten en van de nog niet vervallen mensualiteiten, met een minimum van 123,95 EUR, evenals een moratoire interest, gelijk aan de rentevoet van het krediet, die van rechtswege en ononderbroken loopt op alle vervallen en onbetaald gebleven mensualiteiten. Bovendien is de kredietnemer gehouden tot betaling aan Europabank van een wederbeleggingsvergoeding, gelijk aan 6 maanden interesten, berekend aan de rentevoet van de lening, op de te betalen hoofdsom.”

7.1.3. Artikel 5 van het (vrij vertaald) “lastenkohier” dat eveneens toepasselijk werd verklaard op het zakenkrediet, bepaalt, voor de gevallen van vervroegde opeisbaarstelling van het krediet: “Het kapitaal van het krediet, de interesten en de bijhorigheden zijn van rechtswege opeisbaar, zonder gerechtelijke aanmaning of andere procedure, maar enkel na een termijn van 15 dagen, te rekenen vanaf de verzending van een schriftelijke verwittiging aan de kredietnemer (…).” (benadrukking door het hof).

7.2. Het hof acht het noodzakelijk om, vooraleer verder recht te doen, ambtshalve de debatten te heropenen, teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de gevolgen van de gezamenlijke toepasselijkheid van de algemene voorwaarden enerzijds en van het lastenkohier anderzijds voor de bepaling van de bedragen, die verschuldigd werden ingevolge de vervroegde opeisbaarstelling van het zakenkrediet.

Europabank wordt uitgenodigd de contractuele grondslag te preciseren van de door haar gevorderde “hoofdsom” van 218.927,04 EUR uit hoofde van het zakenkrediet, evenals voor het aanrekenen van de conventionele interest van 9,75% per jaar vanaf 4 december 2008. P. wordt in de gelegenheid gesteld daarop te antwoorden.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van P. ontvankelijk;

En, alvorens verder recht te doen, heropent ambtshalve de debatten teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de aangelegenheid vermeld onder 7.2. in de overwegingen van dit arrest;

Zegt dat de NV Europabank daaromtrent schriftelijke opmerkingen mag formuleren en ter griffie neerleggen tegen uiterlijk 21 november 2012, met de mogelijkheid voor P. om te repliceren tegen uiterlijk 9 januari 2013;

Bepaalt dag en uur waarop de partijen daarover gehoord zullen worden voor de 12debis kamer van het hof van beroep te Gent op woensdag 6 maart 2013 om 09.30 uur (duur 20 minuten);

Houdt de uitspraak over de kosten aan.

Noot: 

Blommaert, D., « Krediettoekenning en zekerheden: een bewegend evenwicht », R.A.B.G., 2014/16, p. 1108-1111

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 08/07/2017 - 10:36
Laatst aangepast op: za, 08/07/2017 - 10:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.