-A +A

Informatieverplichting van de kredietgever professioneel krediet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 18/02/2014

Het gedrag van een kredietgever bij het verlenen en handhaven van kredieten, bij het weigeren van het herschikken van kredieten en bij het verstrekken van de nodige informatie aan de kredietverlener en aan de borgen en haar loyauteitsverplichting, moeten worden beoordeeld in functie van het gedrag van een normaal voorzichtige en redelijke bankier, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden.

Bij het toekennen en handhaven of weigeren van een krediet beschikt de bankier over een beoordelingsvrijheid. Het is slechts indien zijn beslissing kennelijk afwijkt van deze van een normaal voorzichtige en redelijke bankier in dezelfde concrete omstandigheden, dat een fout in zijn hoofde aanwezig kan worden geacht.

Bij deze beoordeling mag de rechter geen rekening houden met gebeurtenissen die zich nadien hebben voorgedaan en die de bankier op het ogenblik van de krediettoekenning en -handhaving niet kon en moest kennen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/16
Pagina: 
1111
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(R.V., E.V, H.K. / KBC Bank NV)

(Advocaten: Mr. E. Pringuet, Mr. L. Dossche loco Mr. T. Van Maldergem en Mr. D. Bracke loco Mr. D. Blommaert)

Gelet op het vonnis dat, na tegenspraak, op 11 december 2009 werd uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd.

Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep dat, tijdig en regelmatig naar de vorm, op 12 april 2010 werd neergelegd op de griffie van het hof.

Gehoord de raadslieden van de partijen in hun mondelinge uiteenzetting op de openbare terechtzitting van 27 januari 2014.

(…)

OVERZICHT VAN DE RELEVANTE FEITEN
8. Geïntimeerde was sedert verscheidene jaren de huisbankier van de heer V. en van mevrouw K., die sedert 1997 in hun persoonlijke naam twee in eigentijdse jongerenkledij gespecialiseerde kledingzaken uitbaatten te Gent, namelijk C. en L.

In 2003 beslisten deze personen om hun handelsactiviteit onder te brengen in de NV U.F., die op 3 maart 2003 werd opgericht met een maatschappelijk kapitaal van 275.000 EUR.

Zij brachten de voorraad in ter waarde van 770.520 EUR, alsook het cliënteel en de goodwill. Als tegenprestatie kregen deze oprichters een vordering in rekening-courant op deze vennootschap van 525.841,43 EUR.

Het eerste boekjaar zou een aanvang nemen op 1 oktober 2002 om te eindigen op 31 mei 2003 en de volgende boekjaren liepen telkens van 1 juni tot en met 31 mei van het daarop volgende jaar.

9. Op 4 juli 2003 stond geïntimeerde aan de NV U.F. een kredietopening toe van 725.000 EUR, die bestond uit:

een exploitatiekrediet van 350.000 EUR onder de vorm van een kaskrediet aan de basisrente plus 1,5% en
een investeringskrediet van 375.000 EUR.
Deze kredieten werden gewaarborgd door een borgstelling door deze beide personen voor een bedrag van 300.000 EUR en door een pand op de handelszaken van de NV U.F. voor een bedrag van 350.000 EUR.

10. Met het oog op de financiering van de vennootschapsbelasting met betrekking tot het boekjaar lopende tot 31 mei 2004, kende geïntimeerde op 10 december 2003 aan de NV U.F. een voorafbetalingskrediet toe van 50.000 EUR.

Wat dit krediet betreft, was er op 11 augustus 2004 nog een saldo verschuldigd van ongeveer 27.000 EUR.

11. Eerste appellant, kandidaat overnemer van de aandelen van de NV U.F., diende op 11 augustus 2004 een kredietaanvraag in bij geïntimeerde.

Volgens deze laatste werden hierbij de volgende documenten meegedeeld:

een kopie van een door eerste appellant (handelend in eigen naam of in naam van een nader te noemen vennootschap), J.V. en E.K. op 9 juli 2004 met de hand geschreven contract, houdende de overdracht van de aandelen van de NV U.F. voor een bedrag van 1.000.000 EUR, onder voorbehoud van het bekomen van een financiering door eerste appellant en mits de door de verkopers van de aandelen verstrekte borgstelling ten gunste van geïntimeerde zou worden vrijgegeven;
een ontwerp van een getypte overeenkomst van overdracht van aandelen, waarin niet alleen werd bedongen dat eerste appellant een bedrag van 1.000.000 EUR zou betalen voor de aandelen, maar eveneens dat hij de schuld van J. en N.V. en E.K. in rekening-courant ten aanzien van de NV U.F., zoals deze bleek uit de balans per 31 mei 2004, zou overnemen (art. 6); deze schuldvordering in rekening-courant van de NV U.F. zou op het moment van de effectieve overname ongeveer 230.000 EUR hebben bedragen (286.509 EUR per 31 mei 2004);
de interne balansen van de NV U.F. per 31 mei 2003 en per 31 mei 2004, die werden overgemaakt op 10 augustus 2004, een kopie van de op 26 maart 2004 gepubliceerde jaarrekening voor het boekjaar eindigend op 31 mei 2003 en een aangepaste interne balans met betrekking tot het boekjaar eindigend op 31 mei 2004, die op 19 augustus 2004 werden meegedeeld; hieruit bleek dat de winst uit de gewone bedrijfsuitoefening vóór belastingen 67.157,67 EUR bedroeg voor het boekjaar eindigend op 31 mei 2004, terwijl de winst van het op 31 mei 2003 eindigende eerste boekjaar 57.790,03 EUR bedroeg vóór belastingen;
een businessplan, zijnde een kostenbesparingsplan op basis van de cijfers van de NV U.F. van juni 2003 tot en met mei 2004; het betreft een gedetailleerde lijst van niet noodzakelijk aan de bedrijfsactiviteit van deze NV gebonden kosten, met een indicatie van het gecorrigeerde resultaat vóór belastingen dat voor het boekjaar eindigend op 31 mei 2004 werd begroot op 252.547,32 EUR, dit na aftrek van de kredietlasten, die 46.119,55 EUR bedroegen in het totaal; rekening houdend met de afschrijvingen tot beloop van 32.898 EUR, betekende dit dat op basis van deze cijfers de cashflow vóór belastingen 285.445 EUR bedroeg per 31 mei 2004.
Eerste appellant is economist en voormalig personeelslid van geïntimeerde, bij wie hij werkzaam was als KMO-relatiebeheerder.

Volgens hem werd er ter gelegenheid van de kredietaanvraag ook een interne balans per 30 april 2004 meegedeeld aan geïntimeerde, hetgeen door deze laatste wordt betwist.

12. De aandelen in de NV U.F. zouden door eerste appellant worden overgenomen via zijn BVBA F.T.G., die aldus eigenaar zou worden van de aandelen van de NV U.F. Nadien heeft deze BVBA ook de aandelen verworven van de BVBA M.S., die een kledingactiviteit had in Antwerpen.

Voor de overname van de aandelen in de NV U.F. zou de BVBA F.T.G. 200.000 EUR aan eigen middelen gebruiken, terwijl zij voor de overige 800.000 EUR een kredietaanvraag indiende bij geïntimeerde. Deze som zou op 7 jaar worden terugbetaald door middel van gelden die zouden doorstromen vanuit de NV U.F. (bestuurdersvergoedingen, fees, dividenden enz.).

Geïntimeerde ontving tevens een door het boekhoudkantoor van de verkopers opgestelde waardering van de aandelen van de NV U.F., waarin de waarde van deze aandelen op basis van het gemiddelde van 6 waarderingsmethodes werd bepaald op 2.158.632 EUR.

13. Op het niveau van de NV U.F. zou het bestaande kaskrediet met 100.000 EUR worden verlaagd, bedrag dat als een investeringskrediet op één jaar tijd zou worden aangezuiverd via gelden die maandelijks aan U.F. zouden worden terugbetaald door een andere vennootschap (K-B.), waarvan het echtpaar V.K. voor 50% aandeelhouder was en die nog een bedrag van 137.975,79 EUR verschuldigd was aan de NV U.F. Deze schuldvordering werd in de interne balans van de NV U.F. per 31 mei 2004 vermeld onder de post handelsdebiteuren. Op die datum waren er nog 17 aflossingen te gaan.

Daarnaast zou eerste appellant zichzelf geen vergoedingen toekennen via de NV U.F., noch via de BVBA F.T.G.

14. Krachtens een kredietcontract van 1 september 2004 stond geïntimeerde een investeringskrediet van 800.000 EUR toe aan de BVBA F.T.G., op voorwaarde dat deze zou overgaan tot een kapitaalverhoging van 200.000 EUR.

De rentevoet bedroeg 4,75% en was jaarlijks herzienbaar.

Het krediet diende te worden terugbetaald in 84 gelijke maandelijkse aflossingen van 11.238,10 EUR vanaf 2 oktober 2004, bedrag dat zou worden aangepast in geval van een renteherziening.

Hierbij werden de volgende zekerheden verstrekt:

een hypotheek van 30.000 EUR in hoofdsom in eerste rang op een woonhuis, toebehorend aan tweede en derde appellanten, zijnde de vader en stiefmoeder van eerste appellant (eerst een woning te M. (…,104); nadien zou deze hypotheek worden gehandlicht en zou de hypotheek worden gevestigd op een woning te M. (…, 20)),
een volmacht tot het vestigen van een hypotheek van 200.000 EUR in hoofdsom op hetzelfde woonhuis,
een hoofdelijke borgstelling van 250.000 EUR vanwege eerste appellant en
de inpandgeving door de BVBA F.T.G. van alle nominatieve aandelen in de NV U.F. (teneinde te vermijden dat deze zouden worden verkocht).
De bedoeling was dat het investeringskrediet zou worden terugbetaald via de managementvergoedingen die door de NV U.F. zouden worden uitgekeerd.

15. Uit het kredietcontract van 2 september 2004 blijkt dat op het niveau van de NV U.F.:

het volledig opgenomen exploitatiekrediet van 350.000 EUR werd verlaagd tot 250.000 EUR; er werd wel een nieuw investeringskrediet toegekend van 100.000 EUR dat op één jaar zou worden terugbetaald via de vennootschap K-B. (zie supra);
het investeringskrediet van 375.000 EUR werd gehandhaafd en bedroeg op het ogenblik van de ondertekening van de kredietovereenkomst nog 341.005,90 EUR.
Deze kredieten werden gewaarborgd door:

de op 4 juli 2003 toegestane borgstelling door de echtgenoten V.-K. voor een bedrag van 300.000 EUR; deze borgstelling diende gedurende een jaar te worden gehandhaafd en zou nadien worden vrijgegeven, indien de kredieten van de NV U.F. normaal werden afgelost;
het in het kredietcontract van 4 juli 2003 gevestigde pand op de handelszaak tot beloop van 350.000 EUR,
een volmacht tot het vestigen van een hypotheek voor een bedrag van 100.000 EUR in hoofdsom op voornoemd woonhuis van tweede en derde appellanten en
een hoofdelijke borgstelling van 250.000 EUR vanwege eerste appellant.
16. Op 2 september 2004 werd de overeenkomst van overdracht van aandelen ondertekend.

17. Blijkbaar deden zich nadien de volgende liquiditeitsproblemen voor:

in juni 2005, zowel bij de NV U.F. als bij de BVBA F.T.G., hetgeen zou hebben geleid tot een tijdelijke overschrijding van de kredietplafonds tot beloop van respectievelijk 70.000 EUR en 40.000 EUR; deze zouden via de soldeninkomsten correct zijn aangezuiverd in de loop van juli 2005;
in december 2005, waarbij een tijdelijke overschrijding van 31.000 EUR werd toegestaan aan de BVBA F.T.G.; deze zou eveneens correct zijn aangezuiverd tijdens de soldenperiode van januari 2006.
18. In een e-mail van 7 februari 2006 bevestigde eerste appellant dat voor het lopende boekjaar opnieuw een hogere cashflow zou kunnen worden gerealiseerd. Hij liet wel weten dat de NV U.F. tot 15 juli 2006 nog over een bijkomende lijn van 75.000 EUR wenste te beschikken.

In maart 2006 diende de NV U.F. een nieuwe kredietaanvraag in teneinde een nieuw liquiditeitstekort op te vangen.

Geïntimeerde houdt voor dat zij weigerachtig stond tegen het toekennen van een nieuw krediet in het licht van de volgende omstandigheden. Zij had immers vastgesteld dat eerste appellant via de NV U.F. gelden had geleend aan de BVBA M.S., dochtervennootschap van de BVBA F.T.G. die de kledingzaak te Antwerpen uitbaatte. Per 31 mei 2006 zou de NV U.F. beschikken over een vordering in rekening-courant op de BVBA M.S. van 65.203 EUR. Bovendien bleek dat de BVBA F.T.G. ook zelf personeel had tewerkgesteld ten behoeve van de BVBA M.S.

Geïntimeerde stelt verder dat, aangezien eerste appellant zich ertoe had verbonden om via de verkoop van een onroerend goed in Antwerpen zelf gelden vrij te maken voor de NV U.F., zij bij kredietovereenkomst van 5 april 2006 een tijdelijke verhoging van 75.000 EUR heeft toegestaan van het kaskrediet, dat nu werd gebracht op 325.000 EUR, met dien verstande dat dit krediet tegen 7 juni 2006 moest worden teruggebracht tot 250.000 EUR.

Na de verkoop van dit onroerend goed blijkt eerste appellant een bijkomend bedrag van 250.000 EUR te hebben ingepompt in de NV U.F. en in de BVBA F.T.G., waardoor het liquiditeitstekort in september 2006 was weggewerkt.

19. Later zouden er zich opnieuw liquiditeitsspanningen hebben voorgedaan ingevolge de daling van de omzet.

Op 21 september 2006 werd de BVBA M.S. failliet verklaard.

In november 2006 was er in hoofde van de BVBA F.T.G. een achterstal van 11.000 EUR op het lopende krediet.

Geïntimeerde was niet bereid om verder krediet te verlenen. Volgens haar kwam eerste appellant het destijds overgemaakte businessplan niet na (hij bleef bijvoorbeeld verder rijden met de Porsche, in strijd met wat in dit plan was voorzien) en er werden middelen aangewend ten behoeve van andere vennootschappen dan U.F. en F.T.G.

20. Op 6 augustus 2007 besliste eerste appellant om de boeken neer te leggen van deze beide vennootschappen, die op dezelfde datum failliet werden verklaard.

Op 13 augustus 2007 deed geïntimeerde aangifte van haar schuldvordering in het faillissement van de NV U.F. voor een bedrag van 518.329,69 EUR.

Op 14 augustus 2007 deed zij aangifte van haar schuldvordering in het faillissement van de BVBA F.T.G. voor een bedrag van 575.717,33 EUR.

Zij schreef vervolgens eerste appellant en tweede en derde appellanten aan in hun respectieve hoedanigheid van borg en derde hypotheekverstrekkers.

Laatstgenoemden formuleerden op 5 september 2007 een voorstel, dat erin bestond dat de schuld tegen eind 2012 - begin 2013 zou worden afgelost en dat er geen interesten zouden worden betaald. Dit voorstel werd geweigerd door geïntimeerde, die zelf een tegenvoorstel deed op 24 september 2007.

Op 8 oktober en 26 november 2007 werd geïntimeerde aangeschreven door de raadsman van alle appellanten. In deze laatste brief werd haar het verwijt gemaakt dat haar kredietverlening onzorgvuldig was geweest en dat zij onterecht had geweigerd om de kredieten te herschikken.

21. Geïntimeerde beweert ten slotte dat zij na de datum van het faillissement heeft ontdekt dat de BVBA F.T.G. op 22 maart 2007 een nieuwe dochtervennootschap had opgericht, met name de BVBA F., die een kledingzaak uitbaatte te Aalst.

22. Op 21 januari 2008 gingen appellanten over tot dagvaarding.

BESPREKING
(…)

25. Het gedrag van geïntimeerde bij het verlenen en handhaven van kredieten, bij het weigeren van het herschikken van kredieten en bij het verstrekken van de nodige informatie aan de kredietverlener en aan de borgen en haar loyauteitsverplichting, moeten worden beoordeeld in functie van het gedrag van een normaal voorzichtige en redelijke bankier, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden.

Bij het toekennen en handhaven of weigeren van een krediet beschikt de bankier over een beoordelingsvrijheid. Het is slechts indien zijn beslissing kennelijk afwijkt van deze van een normaal voorzichtige en redelijke bankier in dezelfde concrete omstandigheden, dat een fout in zijn hoofde aanwezig kan worden geacht.

Bij deze beoordeling mag de rechter geen rekening houden met gebeurtenissen die zich nadien hebben voorgedaan en die de bankier op het ogenblik van de krediettoekenning en -handhaving niet kon en moest kennen.

26. Het hof houdt bij zijn beoordeling rekening met het feit dat eerste appellant, die zich borg heeft gesteld voor de verbintenissen die voormelde vennootschappen hebben aangegaan ten aanzien van geïntimeerde en die tevens de zoon is van tweede appellant en de stiefzoon van derde appellante, die een hypotheek hebben gevestigd en een hypothecaire volmacht hebben verstrekt tot zekerheid van de naleving van diezelfde verbintenissen, de hoofdaandeelhouder en zaakvoerder was van de BVBA F.T.G. en de gedelegeerd bestuurder van de NV U.F.

Eerste appellant heeft bovendien zelf persoonlijk onderhandeld over de overname van de aandelen in de NV U.F. en heeft ook zelf een business- en kostenbesparingsplan opgesteld, blijkbaar in samenspraak met zijn boekhouder.

Eerste appellant moet dan ook worden geacht perfect op de hoogte te zijn geweest van de financiële toestand van deze beide vennootschappen op het ogenblik van de overname en van de onderschrijving van de kredietcontracten in september 2004. In ieder geval kon hij alle gewenste informatie en stukken opvragen bij de echtgenoten V.-K. alvorens tot overname over te gaan.

Hij geeft zelf aan dat hij op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst tot overdracht van aandelen en van de kredietcontracten op de hoogte was van bepaalde elementen, die waren gewijzigd in vergelijking met wat hem voordien was meegedeeld, waaronder de verhoging van de huurprijs van één der panden (volgens hem 1.500 EUR per maand) en van de vordering in rekening-courant op de overlaters (die nu ongeveer 286.500 EUR bedroeg), de afname van alle liquide middelen en de voorfinanciering van aankopen voor de NV K-B., waarvan de overlaters tevens voor 50% aandeelhouder waren.

Eerste appellant wist eveneens dat de schuld in rekening-courant niet zou worden aangezuiverd, maar als onderdeel van de prijs door de BVBA F.T.G. zou worden overgenomen.

Er wordt in die omstandigheden niet aangetoond dat geïntimeerde informatie zou hebben gehad over de kredietnemers, waarover appellanten niet beschikten of konden beschikken, noch dat zij zou hebben geweigerd om informatie te verstrekken.

Verder kan niet worden voorgehouden dat geïntimeerde alle verrichtingen moest controleren en opvolgen die werden uitgevoerd via de bij haar geopende rekeningen van de kredietnemers.

Bovendien houdt het hof eveneens rekening met het feit dat eerste appellant is afgestudeerd in de economie (toegepaste economische wetenschappen), dat hij bijna 4 jaar heeft gewerkt bij geïntimeerde als KMO-relatiebeheerder, dat hij van 28 oktober 2003 tot 28 december 2005 vennoot en zaakvoerder was van een boekhoud- en consultingkantoor, dat hij op het ogenblik van de kredietverlening ook nog een andere kledingzaak uitbaatte in Antwerpen (via zijn vennootschap BVBA M.S.) en dat hij mandaten en aandelen had in een tiental andere vennootschappen.

Er kan bijgevolg niet worden beaamd dat eerste appellant geen ervaring zou hebben gehad met financiële verrichtingen, kredietverlening, enz. en zich niet bewust zou zijn geweest van de gevolgen van een kredietverlening, een borgstelling en/of van een hypotheekvestiging.

Ten slotte wordt in de overeenkomst van overdracht van aandelen door de overdragers (de echtgenoten V.-K.) verklaard dat zij aan de koper alle documenten en akten hebben voorgelegd en alle inlichtingen en gegevens hebben verstrekt die redelijkerwijze noodzakelijk zijn opdat de koper zich een juist oordeel kan vormen over de wenselijkheid van de koop en de bepaling van de koopprijs. De koper erkent alle inlichtingen en documenten te hebben ontvangen en erkent dan ook volledig te zijn ingelicht omtrent de statuten en de financiële toestand van de vennootschap. Een exemplaar van de jaarrekening per 31 mei 2003 en van de voorlopige balans en resultatenrekening per 31 mei 2004 werden gevoegd aan dit contract, na te zijn geparafeerd door de verkopers en door de koper.

Dat geïntimeerde in het kader van de kredietverlening tekort zou zijn geschoten aan haar informatieplicht en/of aan haar loyauteitsverplichting en haar eigen belangen zou hebben laten gelden boven deze loyauteitsplicht wordt dan ook niet aangetoond.

Het hof stelt in dit verband ook vast dat er na de overname blijkbaar geen vordering werd ingesteld tegen de overlaters op grond van bedrog of van hun contractuele of precontractuele aansprakelijkheid.

27. In de gegeven omstandigheden mocht geïntimeerde in het kader van haar verplichting om informatie te vergaren over haar medecontractant, ervan uitgaan dat de haar door eerste appellant meegedeelde gegevens en analyse correct waren, aangezien het bewijs niet wordt geleverd dat het voor haar duidelijk had moeten zijn dat deze informatie niet juist kon zijn en/of dat de analyse over de financiële toestand gebaseerd was op onjuiste premissen.

Zij was er in beginsel niet toe gehouden om daaromtrent een bijkomend onderzoek in te stellen of te laten instellen, noch om zelf een studie uit te voeren of te laten uitvoeren.

28. Wat het toekennen en handhaven van het krediet aan de NV U.F. betreft vooraleer de aandelen in deze vennootschap werden overgedragen, wordt geen fout noch lichtzinnigheid bewezen in hoofde van geïntimeerde.

Aangezien de handelszaken van de echtgenoten V.-K. waren ingebracht in deze vennootschap, kan aan geïntimeerde niet het verwijt worden gemaakt rekening te hebben gehouden met de terugbetalingscapaciteit van deze handelsfondsen in het verleden en derhalve van dit echtpaar persoonlijk. Deze laatsten hebben zich persoonlijk en hoofdelijk borg gesteld voor een bedrag van 300.000 EUR, hetgeen aantoont dat zij geloofden in deze onderneming.

Dat de kredieten werden aangewend om de schuld in rekening-courant aan de heer V. aan te zuiveren en zelfs om hem een voorschot in rekening-courant te verlenen, hetgeen toeliet privékredieten van de eenmanszaken aan te zuiveren en een onroerend goed aan te kopen, staat hieraan niet in de weg. De verleende kredieten mochten daartoe wel degelijk worden gebruikt. De bewering van geïntimeerde dat de echtgenoten V.-K. zeer solvabel waren, zodat niet moest worden getwijfeld aan de recuperatie van deze schuldvordering, wordt niet weerlegd door appellanten. Bovendien werd eerste appellant tijdig op de hoogte gesteld van het bestaan en van de omvang van deze schuldvordering in rekening-courant, aangezien hij in de overeenkomst van aandelenoverdracht ermee heeft ingestemd dat de BVBA F.T.G. deze schuld zou overnemen.

(…)

Wat de voorraad betreft, mocht geïntimeerde voortgaan op het attest van de bedrijfsrevisor en diende zij zelf geen controle uit te voeren.

Er wordt verder niet aangetoond dat er in de periode die aan de overdracht voorafging, sprake is geweest van negatieve signalen of van liquiditeitsproblemen in hoofde van de NV U.F. Dat er zich blijkbaar beperkte en tijdelijke seizoensgebonden overschrijdingen hebben voorgedaan, doet hieraan geen afbreuk.

(…)

29. Wat het toekennen en handhaven betreft van de kredieten aan de BVBA F.T.G. en aan de NV U.F. in september 2004, wordt evenmin enige fout of lichtzinnigheid bewezen in hoofde van geïntimeerde. Dit geldt zowel voor de omvang als voor de aard van het krediet. Ten aanzien van de NV U.F. ging het overigens niet om de toekenning van een nieuw krediet, maar om het herschikken van een bestaand krediet.

(…)

Wat de omzetdaling en de liquiditeitsproblemen betreft, die zich na de overname van de aandelen en de toekenning van de kredieten hebben voorgedaan, wordt niet bewezen dat geïntimeerde dit had kunnen en moeten voorzien op het ogenblik van de kredietverlening. Dit geldt eveneens voor de vertraging in de terugbetalingen door K-B.

(…)

30. In zoverre geïntimeerde het verwijt wordt gemaakt dat zij na de kredietverlening zou hebben geweigerd om de kredieten te herschikken of te spreiden of om bijkomende overbruggingskredieten te verschaffen of om een verhoging van het kaskrediet toe te staan, wordt evenmin een fout of lichtzinnigheid aangetoond in haar hoofde.

Aangezien geïntimeerde ervan uitging dat het in juni 2005 vastgestelde liquiditeitsprobleem een tijdelijk karakter had, heeft zij een tijdelijke overschrijding toegestaan van 70.000 EUR en 40.000 EUR, bedragen die blijken te zijn aangezuiverd dankzij de soldeninkomsten in juli 2005. Op dat ogenblik heeft zij de haar verleende hypothecaire volmacht omgezet in een hypotheek.

(…)

Geïntimeerde stelt ten slotte dat zij in april 2007 een toenemend aantal negatieve signalen heeft vastgesteld, waarna zij besliste om het krediet op te zeggen. De uitvoering van deze beslissing werd echter nog uitgesteld om reden dat eerste appellant op zoek ging naar externe investeerders. Hij heeft deze echter niet gevonden.

Deze beslissingen van geïntimeerde waren niet foutief, noch lichtzinnig.

(…)

31. Wat tweede en derde appellanten betreft, wordt niet aangetoond dat geïntimeerde is tekortgeschoten in haar informatie- en loyauteitsverplichting.

Aangezien zij respectievelijk de vader en stiefmoeder zijn van eerste appellant, moet in ieder geval worden aangenomen dat zij voldoende geïnformeerd werden door eerste appellant en met kennis van zaken een hypotheek en een hypothecaire volmacht hebben verstrekt. Er worden geen elementen aangereikt die wijzen op het tegendeel.

(…)

33. Gelet op alle vorige vaststellingen en overwegingen heeft de eerste rechter terecht de hoofdeis van appellanten ongegrond verklaard.

(…)

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

rechtdoende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de hoger beroepen ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op 186 EUR, en tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 11.000 EUR aan geïntimeerde.

Noot: 

Benoot, J., « De onderzoeksplicht van de kredietgever: een evolutie in de maak? », R.A.B.G., 2014/16, p. 1133-1137

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 08/07/2017 - 11:43
Laatst aangepast op: za, 08/07/2017 - 11:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.