-A +A

Individueel dossier dat de kinesitherapeut dient bij te houden sancties

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 26/04/2010

De retroactiviteitsregel zoals bedoeld in artikel 15.1 van het I.V.B.P.R. en artikel 2, tweede lid van het Strafwetboek, heeft enkel tot gevolg dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit de nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dat feit is gewijzigd.

Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 7 december 2005 tot opheffing van het eerste lid van artikel 76 en van het zesde lid van artikel 168 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en van haar uitvoeringsbesluit van 10 november 2006, blijkt dat de afschaffing van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden is ingegeven door het streven naar administratieve vereenvoudiging. Die verplichting werd een overbodige en overdreven administratieve belasting van de kinesitherapeuten geacht, gelet op het feit dat het individueel kinesitherapiedossier bijna dezelfde gegevens moet bevatten en die gegevens volstaan om de nodig geachte controle op de prestaties verder te kunnen verrichten. Daarbij werd onderstreept dat het vervallen van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden en van de sancties die worden opgelegd zo dat register niet wordt bijgehouden, meebrengt dat het onvolledig bijhouden van het individueel kinesitherapiedossier voortaan tot gevolg heeft dat het volledige bedrag van de verzekeringstegemoetkoming met betrekking tot de prestaties waarvoor het dossier foutief is bijgehouden, zal worden gerecupereerd, hetgeen een zwaardere sanctie is dan de administratieve geldboete opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 25 november 1996, die slechts 25 pct. van de verzekeringstegemoetkoming bedraagt.
Aldus blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het aan de eiser ten laste gelegde feit, niet is gewijzigd.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
1214
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

W.L. t/ RIZIV

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 oktober 2008 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel verwijt het arrest dat het de eiser nog een administratieve geldboete oplegt wegens het niet bijhouden van een verstrekkingsregister, niettegenstaande de verplichting tot het bijhouden van een dergelijk register en de daarop gestelde administratieve sanctie, bij de wet van 7 december 2005 werden afgeschaft en het niet bijhouden van dit register thans geen «strafbare» inbreuk meer uitmaakt.

2. De door de eiser ingeroepen retroactiviteitsregel, zoals bedoeld in art. 15.1 BUPO en art. 2, tweede lid, Sw., heeft enkel tot gevolg dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit die nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dat feit is gewijzigd.

3. Art. 7, § 9, van de bijlage bij het KB van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging of uitkeringen, zoals gewijzigd bij KB van 18 december 2002, bepaalt de gegevens die het individueel kinesitherapiedossier moet bevatten.

Het laatste lid van voormeld art. 7, § 9, bepaalt dat er geen honorarium verschuldigd is voor de verstrekkingen waarvoor het dossier onvolledig is bijgehouden. Die bepaling treedt in werking op de datum van de afschaffing van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden, waarin is voorzien in het KB van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften.

4. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 7 december 2005 tot opheffing van het eerste lid van artikel 76 en van het zesde lid van artikel 168 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en van haar uitvoeringsbesluit van 10 november 2006, blijkt dat de afschaffing van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden is ingegeven door het streven naar administratieve vereenvoudiging. Die verplichting werd een overbodige en overdreven administratieve belasting van de kinesitherapeuten geacht, gelet op het feit dat het individueel kinesitherapiedossier bijna dezelfde gegevens moet bevatten en dat die gegevens volstaan om de nodig geachte controle op de prestaties verder te kunnen verrichten. Daarbij werd beklemtoond dat het vervallen van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden en van de sancties die worden opgelegd zo dat register niet wordt bijgehouden, meebrengt dat het onvolledig bijhouden van het individueel kinesitherapiedossier voortaan tot gevolg heeft dat het volledige bedrag van de verzekeringstegemoetkoming met betrekking tot de prestaties waarvoor het dossier foutief is bijgehouden, zal worden gerecupereerd, wat een zwaardere sanctie is dan de administratieve geldboete opgelegd krachtens het KB van 25 november 1996, die slechts 25% van de verzekeringstegemoetkoming bedraagt.

Aldus blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het aan de eiser ten laste gelegde feit, niet is gewijzigd.

5. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet, zoals neergelegd in art. 15.1 van het BUPO, evenals in art. 2, tweede lid, Sw., miskent door de administratieve sanctie wegens het niet bijhouden van een verstrekkingenregister nog aan de eiser op te leggen, kan het niet worden aangenomen.

6. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest het begrip straf miskent, evenals de strafrechtelijke aard van de administratieve geldboete bepaald in art. 168, zesde lid, van de ZIV-wet en art. 6 van het voormelde KB van 25 november 1996, door te weigeren die administratieve geldboete te beschouwen als een strafsanctie waarop de in het EVRM, het BUPO en het Strafwetboek vervatte waarborgen van toepassing zijn, kan het, ook al was het gegrond, niet tot cassatie leiden.

In zoverre is het middel, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

...

Tweede middel

9. De appelrechters oordelen dat het bijhouden van een verstrekkingenregister een persoonlijke verplichting van de eiser is en niet rechtstreeks doorgeschoven kan worden naar de bvba, waarvan hij de zelfstandige zaakvoerder is. De argumenten van de eiser zijn desbetreffend niet ter zake dienend, de bvba is geen partij in het geding en werd niet gevorderd in vrijwaring en tussenkomst.

10. Anders dan het middel aanvoert, verwerpen en beantwoorden de appelrechters met deze redenen de aanvoeringen van de eiser betreffende een vermenging tussen de verstrekkingen door hemzelf, dan wel door derden verricht.

In zoverre het een motiveringsgebrek aanvoert, mist het middel feitelijke grondslag.

11. Het middel gaat er verder van uit dat de administratieve geldboete werd berekend op het geheel van de verstrekkingen verricht door hemzelf en derden.

Het middel noopt het Hof tot een onderzoek van feiten waartoe het niet bevoegd is.

Het is in zoverre niet ontvankelijk.

Derde middel

12. Het middel gaat ervan uit dat de appelrechters de goede trouw als wettelijke voorwaarde beschouwen voor de verlening van uitstel.

De appelrechters oordelen dit niet, maar oordelen in feite of de eiser van uitstel kan genieten.

Het middel dat op een onjuiste lezing berust, mist feitelijke grondslag.

13. Voor het overige gaat het middel ervan uit dat de appelrechters de mogelijkheid van uitstel afhankelijk stellen van de goede trouw.

 

Noot: 

A. Lievens, Minder administratieve verplichtingen maar strengere sancties voor de zorgverleners, RW 2010-2011, 1215

 

 

PARKET
      VAN HET
HOF VAN CASSATIE
        _____
S.08.0003.N
 
Conclusie van advocaat-generaal R Mortier
 
1. Situering.
1.1Artikel 76, eerste lid van de wet van 14 juli 1994(1), zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij wet van 7 december 2005, bepaalde dat de kinesitherapeuten ertoe gehouden zijn, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels, alle verstrekkingen die zij verlenen op te tekenen in een verstrekkingenregister.
Artikel 168, zesde lid van deze wet, zoals van toepassing vóór de opheffing bij wet van 7 december 2005, bepaalde dat in geval van overtreding van de bepalingen van artikel 76, eerste lid, de administratieve geldboete opgelegd wordt aan de kinesitherapeut ten laste van wie de overtreding is vastgesteld.
Artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 november 1996(2) bepaalde de administratieve geldboete die wordt uitgesproken ten laste van de zorgverlener in wiens hoofde een overtreding werd vastgesteld. Deze geldboete bedraagt 25 procent van de verzekeringstegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet werden ingeschreven in een verstrekkingenregister overeenkomstig artikel 76 of waarvoor het verstrekkingenregister niet werd bijgehouden.
1.2. Aan eiser werd een administratieve geldboete opgelegd wegens inbreuken op de regels betreffende het bijhouden van een verstrekkingenregister door kinesitherapeuten.
Eiser tekende tegen deze beslissing verhaal aan bij de arbeidsrechtbank.
Eiser voerde in deze procedure onder andere aan dat het legaliteitsbeginsel moest geëerbiedigd worden en een gedraging pas kan gesanctioneerd worden op voorwaarde dat zij het voorwerp uitmaakt van een voorafgaande wettelijke strafbaarstelling.
Hij ging er van uit dat de administratieve geldboete als straf moest beschouwd worden, gelet op het repressieve maar vooral het preventieve karakter van de sanctie en de ernst van de sanctie.
Hij vervolgde dat artikel 76, lid1 ZIV-wet werd opgeheven door de wet van 7 december 2005 en de zorgverstrekkers vanaf 28 februari 2006 geen verstrekkingenregister meer dienen bij te houden, zodat het koninklijk besluit dat administratieve boetes oplegt buiten beschouwing dient gelaten te worden, in afwachting van opheffing.
Het wegvallen van de rechtsgrond voor het opleggen van deze boete impliceert evenwel volgens eiser dat de administratieve boete niet kan bevestigd worden. Immers de afschaffing van de strafbaarstelling/rechtsgrond heeft het verval van de vordering tot sanctionering tot gevolg, alle hangende vorderingen vervallen en feiten die nog niet het voorwerp van een vordering uitmaken zullen niet meer kunnen gesanctioneerd worden.
1.3. Nadat de arbeidsrechtbank oordeelde dat de vordering ontvankelijk maar ongegrond was, bevestigde het Arbeidshof deze beslissing.
De appelrechters oordeelden dat de argumentatie van eiser omtrent het legaliteitsbeginsel geen hout snijdt nu de administratieve sancties niet het karakter van een strafsanctie hebben en de regels inzake strafrecht niet kunnen getransponeerd worden op deze materie. De wettelijke bepalingen zoals van kracht op het ogenblik van de controle blijven van toepassing.
2. Eerste middel.
Het eerste middel verwijt het arrest niet wettig te hebben geoordeeld dat deze administratieve geldboete niet het karakter heeft van een strafsanctie.
2.1. Aard van deze administratieve geldboete.
Uw Hof heeft met betrekking tot de aard van deze administratieve geldboete reeds in eerdere arresten standpunt ingenomen.
2.1.1. Bij arrest van 17 maart 1997(3) werd geoordeeld dat de administratieve geldboetes bepaald bij de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door kinesitherapeuten en tot bepaling van de administratieve geldboetes ingeval van inbreuk op deze voorschriften administratieve sancties zijn. Meer bepaald werd geoordeeld dat uit de criteria dat 1) de opgelegde administratieve geldboete geen verlies van sociale voordelen meebrengt, 2) zij niet kunnen beschouwd worden als voorwaarde voor tegemoetkoming van de verzekering in de verstrekkingen van de kinesitherapeuten en de verpleegkundigen, 3) het geldstraffen zijn, 4) zij bijzonder zwaar zijn, 5) de rechter ter gelegenheid van het bij hem ingesteld beroep slechts een beperkte beoordelingsvrijheid heeft wat de sanctie betreft en 6) de boetes geen vergoeding zijn voor de aan het bestuur berokkende schade, niet wettig de gevolgtrekking kon gemaakt worden dat die boetes geen administratieve sancties zijn; 
Ook het feit dat het niet nakomen van de opgelegde verplichting geen misdrijf is, heeft niet tot gevolg dat de opgelegde administratieve geldboete niet zou kunnen aangemerkt worden als administratieve sanctie.
2.1.2. Bij arrest van 6 mei 2002(4) werd dit standpunt bevestigd.
Uw Hof oordeelde dat een administratieve sanctie een strafsanctie kan zijn in de zin van artikel 15 IVBPR en dat om uit te maken of ze een dergelijk karakter heeft moet nagegaan worden of ze 1) niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut treft, 2) een bepaald gedrag voorschrijft en op de niet-naleving ervan een sanctie stelt, 3) niet alleen maar vergoeding van schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, 4) stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfdertijd repressief en preventief is, 5) zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan. 
Uw Hof oordeelde dat indien na afweging van die elementen blijkt dat de strafrechterlijke aspecten de doorslag geven, de administratieve sanctie als strafsanctie in voormelde zin moet beschouwd worden.
De appelrechters die op grond dat de sanctie uitdrukkelijk slechts gericht is op een bepaalde groep personen, namelijk de kinesitherapeuten en de verpleegkundigen en een aparte strafrechterlijke vervolging niet uitgesloten is, konden wettig beslissen dat de sanctie wegens het niet-bijhouden van het verstrekkingenregister geen strafsanctie is, zodat noch artikel 2, lid 2 SW noch artikel 15.1 IVBPR toepasselijk is.
2.1.3. In het thans bestreden arrest oordelen de appelrechters in dezelfde zin en onder uitdrukkelijke verwijzing naar het arrest van 6 mei 2002 van Uw Hof.
Om tot het besluit te komen dat de bedoelde administratieve sanctie niet het karakter heeft van een strafsanctie, hebben de appelrechters geen afweging gemaakt van de door uw Hof aangevoerde onderscheiden elementen.
In het eerste middel geeft eiser zelf een aantal criteria aan om te besluiten dat de bedoelde administratieve geldboete een strafsanctie is, namelijk de sanctie betreft een collectiviteit van zorgverleners, is naar omvang zeer zwaar, strekt niet tot vergoeding van schade en heeft in de eerste plaats een preventief en repressief karakter.
2.1.4. Vooreerst kunnen deze criteria in het licht van de bovenvermelde arresten van uw Hof niet tot het wettig besluit leiden dat de boete geen administratieve sanctie is.
Verder is het in het kader van de beoordeling van de aard van de sanctie, en de eventuele toepassing van artikel 2, lid 2 SW, van belang na te gaan welk doel de wetgever nastreefde bij het invoeren van de verplichting tot het bijhouden van een verstrekkingenregister en bij het afschaffen ervan.
2.1.5. De artikelen 76, eerste lid en 168, zesde lid van de wet van 14 juli 1994 werden opgeheven bij wet van 7 december 2005.(5)
Uit de parlementaire voorbereidende werken(6) die leidden tot de wet van 7 december 2005 waarbij de verplichting tot het bijhouden van het register en de eraan verbonden administratieve sanctie werden afgeschaft, blijkt dat de invoering van het verstrekkingenregister destijds kaderde in de nood aan controle teneinde misbruiken te voorkomen en de stijgende uitgaven voor kinesitherapie en thuiszorg onder controle te houden. Nadat de verplichting tot het bijhouden van het register was ingevoerd werden aan kinesitherapeuten bovendien beperkingen opgelegd met betrekking tot het aantal verstrekkingen per dag. Het nut van het verstrekkingenregister werd dus tweevoudig: enerzijds was de terugbetaling van kinesitherapieprestaties gebonden aan de inschrijving van de verstrekkingen in het register en anderzijds had dit register ook nog als doel de kwaliteit van de verstrekte zorg te controleren. Door het aantal prestaties per dag te noteren kon immers nagegaan worden of de prestaties de door de nomenclatuur bepaalde minimale duur of gemiddelde duur respecteerden.
Het register werd beschouwd als een middel om het werk van de inspecteurs en de controleurs van het RIZIV te vergemakkelijken.
2.1.6. De aanleiding tot het afschaffen van deze verplichting situeerde zich op twee vlakken.
2.1.6.1 met betrekking tot de controle
De indiener van het wetsvoorstel wees er op dat controle nodig is en nodig blijft om misbruiken te voorkomen en wenste door het afschaffen van de verplichting tot het bijhouden van het verstrekkingenregister geenszins hieraan een einde stellen of de controle op een of andere wijze te bemoeilijken.
De vraag rees evenwel of de administratieve rompslomp van het bijhouden van dergelijk register wel kon opwegen tegen de nadelen ervan en het behoud van het verstrekkingenregister noodzakelijk was, nu ook andere bronnen toelieten dezelfde controle uit te voeren. Bij koninklijk besluit van 18 december 2002(7) was immers de verplichting ingevoerd om een kinesitherapeutisch dossier bij te houden voor alle patiënten. Dit dossier bevat alle gegevens die noodzakelijk zijn om controle mogelijk te maken zodat alle kinesitherapeuten sedert de invoering van deze nieuwe verplichting dubbel werk verrichten. Er wordt immers en een dossier en een register bijgehouden. 
Bovendien werden kinesitherapeuten die geïnformatiseerd werken, toch nog verplicht om het verstrekkingenregister ook op papier bij te houden.
Voorts wees de staatssecretaris voor administratieve vereenvoudiging erop dat het register, dat bedoeld was als middel tegen de stijgende uitgaven voor kinesitherapie en thuiszorg, het beoogde doel niet had bereikt gezien er een stijgende evolutie in de totale uitgaven werd vastgesteld. 
Tenslotte bleek het register weinig praktisch nut te hebben. Indien vermoed werd dat er zich misbruiken voordeden, speelde het register in feite weinig rol. De inspecteurs voerden dan eerder bijkomende enquêtes ter plaatse uit.
Gezien de zware administratieve belasting en het geringe nut van het register werd bijgevolg gezocht naar alternatieven.
De staatssecretaris benadrukte evenwel dat in het regeerakkoord van 2003 uitdrukkelijk was voorzien dat de regering wel de administratieve lasten die op de zorgverstrekkers wegen wenste te verlichten zonder evenwel te raken aan de efficiëntie van de controle.
2.1.6.2 met betrekking tot de boetes
Uit het verslag van de senaatscommissie blijkt dat de administratieve boetes die uitgeschreven worden niet te maken hebben met een eventueel onderliggende fraude, maar wel met de administratieve nalatigheden betreffende het register zelf, namelijk het niet (goed) invullen of bijhouden ervan.
Een efficiënt middel om fraudeurs op te sporen was het register immers zeker niet. In die zin werd de controle op het terrein veel belangrijker geacht dan de louter administratieve controle van het al dan niet correct invullen van een verstrekkingenregister.
De opbrengsten van de boetes over een periode van 5 jaar werd geschat op ongeveer 620.000 euro (dus 124.000 euro per jaar) terwijl de kost voor het bijhouden van het register voor alle kinesitherapeuten samen op 32 miljoen euro per jaar werd geraamd. Er werd dus gewezen op het schril contrast tussen de maatschappelijke kost voor het bijhouden van het register en de geringe opbrengst van de boetes.
De indiener van het wetsvoorstel besloot hieruit dat de sanctionerende en controlerende impact van het verstrekkingenregister minimaal is. Ook de minister van Sociale zaken en Volksgezondheid benadrukte het nut van een vereenvoudiging van de procedure, gezien de lasten in contrast staan met de opbrengsten.
2.1.7.Met de afschaffing van het register beoogde men dan ook: 
2.1.7.1. administratieve vereenvoudiging.
 Het opheffen van de verplichting tot het bijhouden van het register en de eraan verbonden administratieve sanctie was niet ingegeven door het beweerd (onverantwoord) zwaar repressief karakter of het preventief karakter van de opgelegde geldboete maar door de vraag naar administratieve vereenvoudiging.
2.1.7.2. Behoud van controle.
De wetgever wou de mogelijkheid tot controle blijven behouden maar zocht hiervoor naar middelen die minder administratief belastend waren.
2.1.7.2.1. Zo voorziet artikel 3 van de wet van 7 december 2005 dat de Koning, na overleg met de sector van de betrokken beroepen, bepaalt welke informatie op elektronische informatiedrager moet bewaard worden en bepaalt het uitvoeringsbesluit van 10 november 2006 in het verplicht bewaren van gegevens met betrekking tot verstrekkingen, en dit op een digitale drager of via een gehomologeerd softwarepakket.
Het is hierbij niet de bedoeling het papieren register gewoonweg te vervangen door een elektronische register. Er moet uitgemaakt worden welke informatie voor het RIZIV noodzakelijk is om de controle te kunnen doen.
2.1.7.2.2. Het kinesitherapeutisch dossier werd reeds ingevoerd bij voormeld koninklijk besluit van 18 december 2002. Uit dit koninklijk besluit blijkt duidelijk dat het kinesitherapeutisch dossier in de plaats zou komen van het verstrekkingenregister. (8)
2.1.7.3. Behoud van een sanctie.
De wetgever wou ook de mogelijkheid tot sanctioneren behouden. 
Zo voorziet artikel 7, §9 van de bijlage bij het voormeld koninklijk besluit van 14 september 1984 uitdrukkelijk: de volgende bepaling treedt in werking op de datum van de afschaffing van de verplichting om een verstrekkingenregister te houden waarin is voorzien in het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regels inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en tot bepaling van de administratieve geldboetes ingeval van inbreuk op deze voorschriften: er is geen honorarium verschuldigd voor de verstrekkingen waarvoor het dossier onvolledig is bijgehouden."
Tijdens de besprekingen in de Kamercommissie van de sociale zaken(9) werd erop gewezen dat indien het verstrekkingenregister wordt afgeschaft, zeker rekening moet worden gehouden met de verplichtingen in verband met het individueel patiëntendossier die op dat moment in werking treden. Ingeval het dossier niet wordt bijgehouden wordt dan de totale som van de prestatie gerecupereerd in plaats van 25%.
Als dan het dossier onvolledig of niet wordt bijgehouden zal geen honorarium meer verschuldigd zijn voor die verstrekkingen in verband waarmee het dossier onvolledig wordt bijgehouden. Een fout in het bijhouden van het dossier impliceert dus de recuperatie van het hele bedrag van de honoraria met betrekking tot de verleende prestaties en betekent dus een heel zware sanctie(10).
2.1.8. Uit wat voorafgaat blijkt dat het verstrekkingenregister vooral een controlemiddel was dat het mogelijk moest maken de stijgende uitgaven in de kinesitherapie tegen te gaan en de administratieve geldboete die kon opgelegd worden niet de eventueel onderliggende fraude sanctioneerde maar wel de administratieve onvolkomenheden. De omvang van deze sanctie weegt echter niet op tegen de maatschappelijke kost van het register en heeft geen preventieve, noch repressieve werking van belang.
De wetsgeschiedenis levert geen argumenten aan om te oordelen dat het hier een strafsanctie betreft.
2.1.9. Maar zelfs, mocht toch aanvaard worden dat de administratieve sanctie het karakter van een strafsanctie heeft, kan dit niet leiden tot een automatische toepassing van artikel 2, tweede lid Sw.
2.1.9.1. Uit voormelde parlementaire voorbereidende werken die leidden tot de wet van 7 december 2005 blijkt immers duidelijk dat de wetgever de bedoeling had de controle op de verstrekkingen door kinesitherapeuten te behouden maar deze enkel administratief anders te organiseren. In alle geval werd geopteerd voor het behoud van zowel de controle op het naleven van de administratieve formaliteiten als van de sanctie ingeval van het niet naleven van deze formaliteiten. Meer nog er werd in strengere sancties voorzien door het koninklijk besluit van 18 december 2002 nu ingeval van inbreuken een volledig honorarium werd gerecupereerd in plaats van 25% zoals bepaald in het koninklijk besluit van 25 november 1996. 
2.1.9.2. Er is dan ook geen grond om artikel 2, tweede lid Sw. toe te passen. Vooreerst voorziet de nieuwe bepaling die in de plaats komt van de afgeschafte bepaling in een strengere administratieve sanctie dan voorheen het geval was.
Bovendien heeft uw Hof aanvaard(11) dat artikel 2, tweede lid SW enkel van toepassing is op een nieuwe wet die de strafbaarstelling opheft wanneer de wetgever duidelijk het inzicht heeft gehad zowel voor het verleden als voor de toekomst van de bestraffing af te zien, wat in het huidig kader niet het geval is(12).
2.2. Het eerste middel dat er geheel van uitgaat dat de administratieve sanctie een strafsanctie is en een toepassing van artikel 2, tweede lid SW zich opdringt, faalt naar recht. 
2.3. Eiser verzoekt Uw Hof in ondergeschikte orde een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
2.3.1. Krachtens artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 doet het Grondwettelijk Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak bij wege van arrest op vragen over de schending van de Grondwet door een wet, een decreet(13). 
2.3.2. In zoverre het middel de schending van de Grondwet door een bepaling van het koninklijk besluit van 25 november 1996 aanvoert, behoort dit niet tot de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof en is het middel niet ontvankelijk.
2.3.3. Voor het overige gaat de voorgestelde prejudiciële vraag uit van een verkeerde lezing van artikel 170,f van de wet van 14 juli 1994.
Noch uit de tekst van de wet, noch uit de parlementeire voorbereidende werken kan geconcludeerd worden dat de zorgverlener een straf kan oplopen wegens het uitreiken van een getuigschrift voor verstrekte hulp terwijl niet is voldaan aan de verplichting tot het bijhouden van een verstrekkingenregister.
De oorspronkelijke tekst van artikel 170,f luidde dat een strafrechtelijke geldboete werd opgelegd aan de zorgverleners, zoals bedoeld in de wet, die een getuigschrift voor verstrekte hulp uitreiken terwijl niet is voldaan aan de hen opgelegde bepalingen van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen. Dit artikel refereerde duidelijk naar artikel 53 dat stelde dat de zorgverleners van wie de verstrekkingen aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verzekering ertoe gehouden zijn aan de rechthebbenden of, bij toepassing van de derdebetalersregeling, aan de verzekeringsinstellingen, een getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of een gelijkwaardig document uit te reiken waarvan het model door het Verzekeringscomité wordt vastgesteld, waarop de verrichte verstrekkingen zijn vermeld; verstrekkingen opgenomen in de in artikel 35, § 1, bedoelde nomenclatuur, worden vermeld met hun rangnummer in de genoemde nomenclatuur.
Na amendement nr. 8 van kamerlid D'hondt werd dit artikel aangevuld met de woorden "of aan de bepalingen van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten en- verordeningen." Maar uit de verantwoording van dit amendement blijkt geenszins dat hiermee beoogd werd het uitschrijven van een getuigschrift voor verstrekte hulp te koppelen aan het bijhouden van een verstrekkingenregister.(14)
Het middel berust in zoverre op een verkeerde uitlegging van de wettelijke bepaling waarvan toepassing wordt gevraagd, zodat het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is en de prejudiciële vraag niet gesteld moet worden.(15)
3. Het tweede middel.
Anders dan in het tweede middel wordt aangevoerd beantwoordt het arrest met de vermelde motieven ook het in dit middel bedoeld verweer en geven de appelrechters hun standpunt weer dat het bijhouden van het verstrekkingenregister enkel betrekking had op de verstrekkingen die door eiser werden verricht. 
De appelrechters gaan dus niet uit van een vermenging van deze prestaties met de prestaties van andere kinesitherapeuten. 
Het middel mist feitelijke grondslag.
4. Het derde middel
Het derde middel gaat er verkeerdelijk van uit dat volgens de appelrechters de afwezigheid van de goede trouw van eiser de grondslag vormt voor het niet toekennen van uitstel van de uitvoering van de administratieve geldboete.
Het middel mist feitelijke grondslag.
Conclusie: VERWERPING 
 
____________
(1) Wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.
(2) Koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften.
(3) Cass. 17 maart 1997, A.R. S.096.0119.F, A.C. 1997, nr. 149.
(4) Cass. 6 mei 2002, A.R. S.01.0052.N, A.C. 2002, nr. 275.
(5) De opheffing van deze wetsbepalingen heeft uiteraard gevolgen voor het koninklijk besluit van 25 november 1996 dat de uitvoering van artikel 76, met betrekking tot het verstrekkingenregister regelt. Door het opheffen van artikel 76, eerste lid wordt dit koninklijk besluit zonder voorwerp. (Zie Amendement van senator Van Krunkelsven, Senaat, 2004-2005, 3-984/2.)
(6) Onder andere het wetsvoorstel van 13 januari 2005 (Senaat, 2004-2005, stuk 3-984/1) en het verslag van 29 juni 2005 van de senaatscommissie voor sociale aangelegenheden (Senaat, 2004-2005, 3-984/3)
(7) Koninklijk besluit van 18 december 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, waarbij artikel 7 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 wordt vervangen door de aan dit besluit gevoegde bijlage.
(8) Dat men bij de invoering van het kinesitherapeutisch dossier wel degelijk de bedoeling had om het verstrekkingenregister af te schaffen blijkt uit het feit dat in de alinea's die volgen op de beschrijving van het individueel dossier van de kinesitherapie tot twee keer toe de afschaffing van het verstrekkingenregister in het vooruitzicht wordt gesteld. Immers, twee keer valt immers het volgende te lezen: "Deze bepaling treedt in werking op de datum van de afschaffing van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden."
(9) Kamercommissie van de sociale zaken, Verslag van 17 nov. 2005, Doc.51, 1964/002.
(10) Een ander lid van de Kamercommissie wees er in dit verband op dat er thans twee soorten sancties zijn namelijk enerzijds het niet bijhouden van het register en anderzijds het niet bijhouden van het individueel patiëntendossier. In de feiten leidt het niet bijhouden van het register algemeen echter tot een fout in het individueel patiëntendossier en tot de ermee gepaard gaande sanctie. De afschaffing van de sanctie in verband met de verplichting tot het bijhouden van het register schaft de sanctie in verband met het slecht beheer van het individueel dossier niet af. Het gaat gewoon om de loutere afschaffing van één sanctieniveau.
De minister van sociale zaken sloot zich bij die verklaring aan. De huidige regeling komt neer op het bestaan van verschillende sancties voor één overtreding.
(11) Cass. 12 jan. 1922, Bull en Pas., 1922, I, 204; Zie Cass. 11 dec. 2002, A.R. P.02.1156.F, A.C. 2002, nr. 666.
(12) Zie terzake voetnoot 10.
(13) of van een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten" en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet.
(14) Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1995-1996, Doc. 207/3-95/96, p. 3-4.
(15) Zie Cass. 20 sept. 1994, A.C. 1994, nr. 389.
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 18/03/2011 - 21:44
Laatst aangepast op: do, 05/05/2011 - 11:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.