-A +A

Indiciaire belasting op basis van uitgaven en levensstijl

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 21/11/2014
A.R.: 
F.13.0099.N

Krachtens artikel 341 WIB92 worden de uitgaven, bestedingen, investeringen en toenamen van vermogen vastgesteld tijdens een belastbaar tijdvak, die zijn aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, geacht, behoudens tegenbewijs, voort te komen uit netto belastbare inkomsten; het wettelijk vermoeden houdt in dat de administratie bij de bepaling van de belastbare grondslag noch de afkomst noch de aard van de bezittingen op grond waarvan een indiciaire taxatie is verantwoord, dient aan te tonen en bijgevolg de bezittingen niet dient onder te brengen in een van de in artikel 6 van het wetboek bedoelde inkomstencategorieën; de verborgen inkomsten worden geacht van onbepaalde oorsprong te zijn en bijgevolg belastbaar volgens het gewone stelsel van aanslag tegen het progressief tarief per schijf.

Wanneer de administratie, na te hebben geoordeeld dat het bedrag van de aangegeven inkomsten niet met de werkelijkheid overeenstemt, de belastbare grondslag heeft vastgesteld volgens zodanige tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, rust het tegenbewijs op de belastingplichtige; de belastingplichtige moet aan de hand van positieve en controleerbare gegevens aantonen dat die hogere graad van gegoedheid voortkomt uit andere inkomsten dan die welke belastbaar waren in de inkomstenbelastingen of uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan de belastbare periode zijn verkregen
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
596
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. F.13.0099.N
C. V. W.,
eiseres,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie van de bijzondere belastinginspectie, in de persoon van Maryse Sohl, eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd a.i. BBI Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 80,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 maart 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 341, eerste lid, WIB92, bepaalt: "Behoudens tegenbewijs mag de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuur-lijke personen, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten."

2. Krachtens die bepaling worden de tijdens een belastbaar tijdvak vastgestelde uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei, die worden aangemerkt als tekenen of indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te komen van belastbare inkomsten.

Het wettelijk vermoeden houdt in dat de administratie bij de bepaling van de belastbare grondslag noch de afkomst noch de aard van de bezittingen op grond waarvan een indiciaire taxatie is verantwoord, dient aan te tonen en bijgevolg de bezittingen niet dient onder te brengen in een van de in artikel 6 van het wetboek bedoelde inkomstencategorieën.

Wanneer de administratie, na te hebben geoordeeld dat het bedrag van de aangegeven inkomsten niet met de werkelijkheid overeenstemt, de belastbare grondslag heeft vastgesteld volgens zodanige tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, rust het tegenbewijs op de belastingplichtige.

De belastingplichtige moet aan de hand van positieve en controleerbare gegevens aantonen dat die hogere graad van gegoedheid voortkomt uit andere inkomsten dan die welke belastbaar waren in de inkomstenbelastingen of uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan de belastbare periode zijn verkregen.

3. In zoverre het middel ervan uitgaat dat artikel 341, eerste lid, WIB92 vereist dat een verband wordt aangetoond tussen de uitgaven die worden aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt en het bestaan van verborgen gehouden inkomsten, faalt het naar recht.

4. De appelrechters oordelen dat het indiciair tekort terecht belast werd als een inkomen van onbepaalde oorsprong omdat het niet mogelijk was om met zeker-heid te bepalen tot welke inkomstencategorie het indiciair tekort behoorde, zodat het inkomen terecht werd beschouwd als een netto-inkomen in de zin van artikel 6 WIB92.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters de tekenen en indiciën hebben gekwalificeerd als beroepsinkomen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

5. In zoverre het middel aanvoert dat de belastingadministratie verkeerdelijk een kapitaal heeft belast dat door zijn omvang niet op een geloofwaardige wijze aanleiding kan geven tot een vermoeden dat het verband houdt met verborgen in-komsten, vraagt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat artikel 341 WIB92 slechts een bewijsmiddel is.

7. Het middel dat ervan uitgaat dat artikel 341 WIB92 geen loutere bewijsbepaling maar eveneens een belastingbepaling is, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Het middel faalt in zoverre naar recht.

De eerste prejudiciële vraag die uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, moet niet worden gesteld.

8. In zoverre het middel aanvoert dat de belastingadministratie op voorhand had uitgesloten dat de niet-aangegeven inkomsten waarvan het indiciair tekort blijk geeft, beroepsinkomsten zijn, vraagt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
Ook de tweede prejudiciële vraag moet niet worden gesteld.

Derde middel

9. Het wettelijk vermoeden dat vervat is in artikel 341 WIB92 houdt in dat de administratie bij het bepalen van de belastbare grondslag, noch de afkomst, noch de aard van de bezittingen op grond waarvan een indiciaire taxatie is verantwoord, dient aan te tonen en bijgevolg de bezittingen niet dient onder te brengen in een van de in artikel 6 WIB92 bedoelde bijzondere inkomstencategorieën.

De verborgen inkomsten worden geacht van onbepaalde oorsprong te zijn en bij-gevolg belastbaar volgens het gewone stelsel van aanslag tegen het progressief ta-rief per schijf.

10. Het middel dat ervan uitgaat dat artikel 341 WIB92 niet voldoet aan de ver-eisten die bepaald worden door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM, omdat die wetsbepaling niets bepaalt omtrent de kwalificatie van de in-komsten en het erop toepasselijke tarief, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting.

Het middel faalt naar recht.

Vierde middel

11. Krachtens artikel 341 WIB92 worden de uitgaven, bestedingen, investerin-gen en toenamen van vermogen vastgesteld tijdens een belastbaar tijdvak, die zijn aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, geacht, behoudens tegenbewijs, voort te komen uit netto belastbare inkomsten.

12. Het middel dat ervan uitgaat dat de belastingplichtige op brutobasis wordt getaxeerd, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt mitsdien naar recht.
De prejudiciële vraag die van die onjuiste rechtsopvatting uitgaat, moet niet wor-den gesteld.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 441,95 euro en voor de verweerder op 426,72 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

F.13.0099.N
Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:

1. Onderhavige fiscale betwisting betreft de lastens eiseres gevestigde aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2006 en 2007 op grond van tekenen en indiciën (art. 341 WIB92).

Voor het aanslagjaar 2006 werd een indiciair tekort vastgesteld van 181.155,85 EUR en voor het aanslagjaar 2007 een indiciair tekort van 998.518,14 EUR, welke tekorten als inkomsten van onbepaalde oorsprong werden belast.

Deze tekorten werden door eiseres verantwoord door een schenking die zij in de vorm van een handgift van 2.000.000,00 EUR in contanten, van de Heer J. D. zou hebben ontvangen.

Het bezwaarschrift dat eiseres indiende tegen beide aanslagen werd bij beslissing van 26 oktober 2009 van de gewestelijke directeur afgewezen als ongegrond.

Op 22 januari 2010 diende eiseres een verzoekschrift op tegenspraak in bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt. Bij vonnis van 1 december 2011 werd de vordering van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing werd op 8 februari 2012 een verzoekschrift tot hoger beroep ingediend.

Bij het thans bestreden arrest van 19 maart 2013 bevestigde het Hof van Beroep te Antwerpen het vonnis van de eerste rechter.

2. Het eerste middel voert aan dat het bestreden arrest:

- niet heeft onderzocht of er een band is aangetoond tussen de door eiseres gedane uitgaven en het bestaan van eventuele verborgen inkomsten;

- de tekenen en indiciën ten onrechte heeft gekwalificeerd als beroepsinkomsten van onbepaalde oorsprong daar waar de gewestelijke directeur de kwalificatie als beroepsinkomsten nog uitdrukkelijk uitsloot;

- voorbijgaat aan de manifeste onwaarschijnlijkheid dat de betrokken uitgaven met een verrijking van de jaren zijn gebeurd waarin er een band was met België en aan het feit dat als er daadwerkelijk verborgen inkomsten zouden zijn geweest in de periode van voor de immigratie van eiseres naar België deze inkomsten niet in België belastbaar zouden zijn geweest.

3. Artikel 341 WIB92 bepaalt dat de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, behoudens tegenbewijs, mag worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.

Krachtens die bepaling worden de uitgaven, bestedingen, investeringen en toenamen van vermogen vastgesteld tijdens een belastbaar tijdperk, die zijn aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, geacht, behoudens tegenbewijs, voort te komen uit de belastbare inkomsten.

Wanneer de administratie de belastbare grondslag, overeenkomstig artikel 341 WIB92, heeft vastgesteld volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, moet de belastingplichtige, aan de hand van positieve en controleerbare gegevens, aantonen dat die gegoedheid voortkomt uit andere inkomsten dan die welke belastbaar waren in de inkomstenbelastingen of uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan de belastbare zijn verkregen (Cass. 11 februari 2002, AR F.00.0016.F, AC 2002, nr. 94; Cass. 16 februari 2001, AR F.99.0065.N, AC 2001, nr. 95; Cass. 2 januari 1997, AR F.96.0074.F, AC 1997, nr. 3).

Zoals verweerder opwerpt in zijn memorie van antwoord, vereist de toepassing van artikel 341 WIB92 aldus niet dat er een verband wordt aangetoond tussen de uitgaven die worden aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, en het bestaan van de verborgen gehouden belastbare inkomsten.

Wanneer het bestaan van die uitgaven wordt bewezen, worden die uitgaven krachtens de wet immers vermoed voort te komen uit de verborgen belastbare inkomsten, behoudens tegenbewijs.

In zoverre het eerste middel het bestreden arrest verwijt dat het de weerhouden uitgaven en investeringen als tekenen en indiciën van gegoedheid heeft gekwalificeerd "zonder dat het Hof van Beroep heeft nagegaan of er een band is aangetoond tussen de uitgaven en het bestaan van eventuele verborgen inkomsten", kan het niet worden aangenomen.

Op grond van het wettelijk vermoeden dat in artikel 341 WIB92 ligt besloten, wordt dat verband immers geacht voorhanden te zijn.

4. In zoverre het eerste middel aanvoert dat het bestreden arrest de tekenen en indiciën ten onrechte heeft gekwalificeerd als beroepsinkomsten berust het op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist het aldus feitelijke grondslag.

De appelrechters oordeelden immers als volgt:

"4.4. De administratie heeft het weerhouden indiciair tekort terecht belast als een inkomen van onbepaalde oorsprong. Het was immers niet mogelijk om met zekerheid te bepalen tot welke inkomstencategorie het indiciair tekort behoorde, zodat het inkomen terecht als een netto-inkomen in de zin van artikel 6 WIB'92 beschouwd werd."

De inkomsten die door indiciën aan het licht gekomen zijn, worden vermoed beroepsinkomsten te zijn, maar de belastingadministratie dient de oorsprong van de inkomsten te bewijzen. Behoudens bewijs van hun specifieke oorsprong, worden de inkomsten geacht belastbare netto-inkomsten te zijn in de zin van artikel 6 WIB92 waarvan de oorsprong voor het overige onbepaald blijft. Wanneer de oorsprong van die inkomsten niet kan bepaald worden, moet worden uitgegaan van de regel dat het gewone stelsel van aanslag wegens zijn primauteit toepassing dient te vinden" (bestreden arrest, p. 12, voorlaatste alinea - p. 13, eerste alinea).

Uit deze overwegingen blijkt dat het bestreden arrest de inkomsten die door de tekenen en indiciën aan het licht waren gekomen niet als beroepsinkomsten heeft gekwalificeerd, maar wel als inkomsten van onbepaalde oorsprong, zijnde belastbare netto-inkomsten in de zin van artikel 6 WIB92.

5. Het wettelijk vermoeden van artikel 341 WIB92 houdt in dat de administratie bij de bepaling van de belastbare grondslag noch de afkomst, noch de aard van de bezittingen op grond waarvan een indiciaire taxatie is verantwoord, dient aan te tonen en bijgevolg die bezittingen niet dient onder te brengen in een van de in artikel 6 WIB92 bedoelde bijzondere inkomstencategorieën. Het is aan de belastingplichtige om met positieve, doorslaggevende en controleerbare elementen het bewijs te leveren van de werkelijke aard en herkomst van de middelen (Cass. 16 oktober 2009, AR F.08.0018.F, Pas. 2009, nr. 591, met concl. van advocaat-generaal HENKES; Cass. 22 oktober 2004, AR F.03.0028.N, AC 2004, nr. 502, met concl. OM).

Het bestreden arrest kon derhalve wettig oordelen dat de inkomsten die door de weerhouden indiciën aan het licht zijn gekomen, netto-inkomsten zijn van onbepaalde oorsprong in de zin van artikel 6 WIB92.

6. Het bestreden arrest oordeelde dat de administratie zowel het bestaan als het bedrag van de uitgaven heeft bewezen (p. 11, tweede alinea), terwijl het werkelijk bestaan van de financiële middelen die het weerhouden tekort zouden kunnen weerleggen niet is bewezen nu eiseres geen positieve, bewijskrachtige en controleerbare gegevens heeft voorgelegd, noch bewijst dat er sprake is van willekeur (p. 12, derde laatste alinea).

Eiseres werd aldus niet gevolgd waar zij aanvoerde dat er sprake was van een schenking en waar zij stelde dat het indiciair tekort door zijn omvang nooit op een geloofwaardige wijze aanleiding kon geven tot een vermoeden dat het tekort verband hield met een gegoedheid van de twee jaren dat eiseres fiscaal inwoner in België was.

In zoverre het middel opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters is het onontvankelijk.
7. In het tweede middel voert eiseres aan dat artikel 341 WIB92 strijdig is met het fiscale legaliteitsbeginsel, zoals vervat in artikel 170, §1, G.W., nu "voor de toepassing van de indiciaire taxatiemethode de belastbare materie (met name de kwalificatie van de inkomsten) en de toepasselijke tarieven immers niet bij wet (worden) bepaald".

Wanneer de administratie gebruik maakt van de taxatie volgens tekenen en indiciën, maakt zij een globale raming van het belastbaar inkomen. De belastbare grondslag waarop rijksinwoners belast worden bestaat uit verschillende inkomstencategorieën, met name de onroerende, de roerende, de diverse en de bedrijfsinkomsten (artikel 6 WIB92).

De belastbare grondslag die op grond van indiciën wordt vastgesteld, omvat bijgevolg de totaliteit van de inkomsten, zonder dat het nog nodig is om de aard van de betrokken inkomsten aan te duiden. Sinds de ingrijpende fiscale hervorming van de inkomstenbelastingen in 1962 bestaat er in de personenbelasting nog maar één grondslag, namelijk het netto globaal inkomen (cfr. mijn conclusie bij Cass. 22 oktober 2004, AR F.03.0028.N, AC 2004, nr. 502, met verwijzing naar MAES, L., "De aanslag op grond van tekenen en indiciën.
Evolutie van de indiciaire belastingheffing in 50 jaar", TFR, 1988, 229-230).

Het wettelijk vermoeden ex artikel 341 WIB92 houdt dus in dat de administratie bij de bepaling van de belastbare grondslag noch de afkomst, noch de aard van de bezittingen op grond waarvan een indiciaire taxatie is verantwoord, dient aan te tonen en bijgevolg die bezittingen niet dient onder te brengen in een van de in artikel 6 WIB92 bedoelde bijzondere inkomstencategorieën; het komt aan de belastingplichtige toe om met positieve, doorslaggevende en controleerbare elementen het bewijs te leveren van de werkelijke aard en herkomst van de middelen (Cass. 16 oktober 2009, AR F.08.0018.F, Pas. 2009, nr. 591, met concl. van advocaat-generaal HENKES; cfr. mijn conclusie bij Cass. 1 oktober 2004, AR F.03.0038.N, AC 2004, nr. 448, met concl. OM.).

Dit heeft tot gevolg dat de verborgen gehouden inkomsten, behoudens tegenbewijs, geacht worden van onbepaalde oorsprong te zijn en bijgevolg belastbaar zijn volgens het gewone stelsel van aanslag tegen het progressief tarief per schijf.

Artikel 341 WIB92 bepaalt aldus zelf hoe de administratie de inkomsten moet kwalificeren (van onbepaalde oorsprong) en welk belastingtarief (het gewone stelsel van aanslag tegen het progressief tarief per schijf) van toepassing is.
In zoverre het middel aanvoert dat in artikel 314 WIB92 niet is bepaald wat de aard is van de vermoede inkomsten, noch wat het toepasselijk belastingtarief is, faalt het naar recht.

8. Hoewel het invoeren van belastingen ten behoeve van de Staat, overeenkomstig artikel 170 G.W., een uitdrukkelijk aan de wetgever voorbehouden bevoegdheid is, zodat elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen van één van de essentiële elementen van de belasting, zoals de grondslag en de aanslagvoet van de belasting en de identiteit van de belastingplichtige, in beginsel ongrondwettig is, kan de wetgever de Koning niettemin opdragen om minder belangrijke maatregelen uit te vaardigen, die niet van aard zijn een terugslag te hebben op de schuld van de belastingplichtige, zoals de wijze van aangifte van de belastbare inkomsten, de kennisgeving van de aanslagen en de maatregelen inzake controle en inning (D. DE GROOT, "Over de invoering en het belang van het grondwettelijke legaliteitsbeginsel in fiscale aangelegenheden", TFR, 2009, afl. 360, 344; A. ALEN, Algemene beginselen en grondslagen van het Belgisch publiekrecht, Brussel, Story-Scientia, 1988, 420; J. THEUNIS, "Het fiscaal legaliteitsbeginsel. Een stand van zaken na 10 jaar rechtspraak van het Arbitragehof", TFR, 1994-95, afl. 295, 79).

Een delegatie aan de Koning is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel wanneer de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld (GwH, 20 april 2005, nr. 75/2005, B.30; GwH, 21 februari 2007, nr. 32/2007, B.6-B.8; GwH, 17 oktober 2007, nr. 131/2007, B.3-B.4).

Van de wetgever kan inderdaad niet worden verwacht dat hij alle mogelijke aspecten van een belasting voorafgaandelijk regelt in een aangelegenheid waarin het uiteenlopend karakter van de situaties het niet mogelijk maakt ze alle te voorzien (GwH, 6 oktober 1999, nr. 105/99, B.3 tot B.6.3; GwH, 24 oktober 2004, nr. 188/2004, B.7)

9. De verenigbaarheid van een fiscale bepaling met het fiscale wettigheidsbeginsel moet bovendien vanuit de bijzondere context van die bepaling worden bekeken (GwH, 24 april 2008, nr. 72/2008, B.7.3).

Ook bij de toetsing van artikel 341 WIB92 aan het fiscaal wettigheidsbeginsel dient rekening te worden gehouden met de bijzondere context van deze bepaling.

Met deze bepaling, die tot doel heeft belastingontduiking tegen te gaan, werd een bewijsmiddel ingevoerd op grond waarvan de administratie tot belastingheffing kan overgaan in de gevallen waarin de belastingplichtige uitgaven heeft gedaan die hij op grond van de door hem aangegeven inkomsten niet had kunnen doen. Voor een doelmatig gebruik van dit bewijsmiddel is vereist dat de administratie zich niet moet bekommeren omtrent de juiste kwalificatie van de verborgen gehouden inkomsten:

"Wil het belastingbestuur op een efficiënte wijze gebruik kunnen maken van de indiciaire taxatiemethode om de belastingheffing zo dicht mogelijk te laten aansluiten bij de realiteit, veronderstelt zulks dat de administratie in het kader van het wettelijk vermoeden dat door deze wetsbepaling wordt ingesteld, over de mogelijkheid beschikt het indiciair tekort een zekere kwalificatie te geven" (mijn conclusie bij Cass. 22 oktober 2004, AR F.03.0028.N, AC 2004, nr. 502).

Artikel 341 WIB92 kan dan ook niet worden beschouwd als een algemene machtigingsbepaling die de administratie zou toestaan bij algemene maatregel zelf de belastbare materie vast te stellen, doch betreft louter een bewijsmiddel om in concrete gevallen bijzondere situaties individueel te beoordelen.

Het fiscaal legaliteitsbeginsel vereist niet dat de wetgever op nog meer gedetailleerde wijze de inhoudelijke voorwaarden voor de toepassing van artikel 341 WIB92 moet bepalen vermits dit omwille van de aard zelf van het verschijnsel dat artikel 341 WIB92 wil bestrijden, onmogelijk is (cf. GwH, 24 april 2008, nr. 72/2008, B.7.3).

Het volstaat dat op grond van het vermoeden van artikel 341 WIB92 de kwalificatie van de niet-aangegeven inkomsten kan worden bepaald, alsook het toepasselijk belastingtarief.

Welnu, krachtens deze bepaling worden de niet-aangegeven inkomsten geacht van onbepaalde oorsprong te zijn en belastbaar te zijn volgens het gewone stelsel van aanslag tegen het progressief tarief per schijf (Cass. 16 oktober 2009, AR F.08.0018.F, Pas. 2009, nr. 591, met concl. van advocaat-generaal HENKES; cfr. mijn conclusie bij Cass. 1 oktober 2004, AR F.03.0038.N, AC 2004, nr. 448, met concl. OM.).

Het feit dat de belastingplichtige die indiciair wordt belast daarenboven over de mogelijkheid beschikt om die kwalificatie van de inkomsten te betwisten en steeds door middel van positieve en controleerbare gegevens kan aantonen dat de te rechtvaardigen uitgaven werden gedaan met andere inkomsten dan die welke belastbaar waren in de inkomstenbelastingen, staat op zich garant voor de eerbiediging van het fiscale wettigheidsbeginsel.

Ook op dit punt kan de memorie van antwoord worden gevolgd.

In zoverre het tweede middel aanvoert dat artikel 341 WIB92 onverenigbaar zou zijn met het fiscaal wettigheidsbeginsel ex artikel 170 G.W., faalt het derhalve naar recht.

Er bestaat dan ook geen aanleiding toe om de onder het middel voorgestelde prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

10. Het derde middel bekritiseert artikel 341 WIB92 vanuit de invalshoek van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, dat het ongestoord genot van de eigendomsrechten waarborgt.

Eiseres voert terzake aan dat de inmenging van de overheid in het recht op ongestoord genot van de eigendom enkel toegelaten is wanneer dit op basis van een wet gebeurt. Hierbij is vereist dat die wet voldoende toegankelijk en duidelijk is, alsook voorzienbaar en consistent in de toepassing.

Artikel 341 WIB92 zou niet aan deze vereisten voldoen nu niets wordt bepaald omtrent de kwalificatie van de inkomsten en het toepasselijk tarief.

Uit het antwoord op het tweede middel volgt dat deze grief faalt naar recht.

Artikel 341 WIB92 bepaalt immers op duidelijke en voorzienbare wijze hoe de administratie de inkomsten moet kwalificeren (van onbepaalde oorsprong) en welk belastingtarief (het gewone stelsel van aanslag tegen het progressief tarief per schijf) van toepassing is.

11. In het vierde middel voert eiseres aan dat de kwalificatie van de inkomsten op grond van artikel 341 WIB92 als inkomsten van onbepaalde oorsprong, leidt tot de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel:

"Door de kwalificatie als inkomsten van onbepaalde oorsprong bij de toepassing van de taxatie op basis van tekenen en indiciën wordt verhinderd dat eventuele negatieve resultaten binnen één van de vier voorziene inkomstencategorieën nog van de op basis van artikel 341 WIB 1992 geraamde belastbare grondslag afgetrokken kunnen worden.

Dit onderscheid vormt een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel doordat belastingplichtigen onderworpen worden aan een veel zwaardere taxatie (op brutobasis) wanneer de belastingadministratie zich vergenoegt met de toepassing van de indiciaire taxatiemethode, terwijl de taxatie lichter is wanneer de belastingadministratie haar rol vervult en de inkomsten naar hun aard bepaalt bij de aanslag (taxatie op nettobasis)."

12. Artikel 341 WIB92 voorziet in een wettelijk bewijsmiddel dat zonder onderscheid van toepassing is voor elke belastingplichtige van wie vastgesteld wordt dat er tekenen en indiciën zijn waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit zijn aangegeven inkomsten.

De door eiseres aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel berust niet op een onderscheid tussen personen die in dezelfde juridische situatie verkeren, maar berust op een onderscheid tussen personen die in onderscheiden juridische situaties verkeren.

De aangevoerde discriminatie heeft aldus betrekking op ongelijke toestanden die ook verschillend worden behandeld zodat er geen schending is van het gelijkheidsbeginsel en er geen reden is om het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen (Cass. 19 juni 2003, AR F.01.0066.F, AC 2003, nr. 367; Cass. 10 maart 2003, AR S.02.0085.F, AC 2003, nr. 161; Cass. 28 januari 2003, AR P.02.0431.N, AC 2003, nr. 62; Cass. 10 december 2002, AR P.01.1090.N, AC 2002, nr. 660).

Krachtens artikel 341 WIB92 worden de uitgaven, bestedingen, investeringen en toenamen van vermogen vastgesteld tijdens een belastbaar tijdperk, die zijn aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, geacht, behoudens tegenbewijs, voort te komen uit netto belastbare inkomsten, m.a.w. na aftrek van eventuele negatieve resultaten en kosten. Uitgaven worden immers gedaan met netto inkomsten en niet met bruto inkomsten.

In zoverre het middel aanneemt dat de geraamde inkomsten bij de toepassing van de indiciaire taxatiemethode belast worden op brutobasis, faalt het derhalve naar recht, zoals verweerder terecht opwerpt.

Uw Hof is in deze omstandigheden niet gehouden de door eiseres voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen (Cass. 11 februari 2003, AR P.02.0394.N, AC 2003, nr. 93).

Eiseres diende in ieder geval niet in de weerhouden belastbare grondslag te berusten. Zij vermocht steeds het tegenbewijs leveren dat de te rechtvaardigen uitgaven en tegoeden ofwel uit de aangegeven inkomsten ofwel uit niet-belastbare bronnen voortspruiten. Ook de bewijslast van eventuele negatieve resultaten die van de belastbare grondslag aftrekbaar zijn rustte in dat opzicht op eiseres.

Te dezen legde eiseres echter geen enkel objectief en controleerbaar bewijs voor dat de uitgaven kon rechtvaardigen, noch werd het bestaan aangevoerd van negatieve resultaten van welke aard ook.

Anders dan het middel stelt, steunde de taxatie bijgevolg niet op een onwettige basis en was zij evenmin willekeurig of deloyaal.

Ook het vierde middel kan bijgevolg niet worden aangenomen.
Besluit: VERWERPING.
 

Noot: 

Ida Bollingh, Uitgebreide vragenlijst met fiscale relevantie is toegelaten

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 10/12/2015 - 19:46
Laatst aangepast op: do, 10/12/2015 - 19:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.