-A +A

Incidenteel bedrog door verzwijging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 20/11/2012

Wanneer een contract wordt afgesloten met verzwijging van een bepaald element, dat van die aard is dat indien het verzwegen element gekend ware geweest er wel gecontracteerd zou geweest zijn maar tegen een lagere prijs is er sprake van incidenteel bedrog. In tegenstelling tot bij hoofdbedrag, blijft de overeenkomst dan bestaan, maar geeft het icidenteel bedrog aanleding tot de toekenning van een schadevergoeding ten belope van dit verschil.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
593
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

S. Van G. t/ F.B.

...

II. Relevante elementen

1. Bij notariële akte van 9 augustus 2005 verkoopt de verweerder zijn woning te Gent aan de eiser. De prijs bedraagt 100.000 euro.

2. Enkele jaren later, bij dagvaarding van 4 januari 2008, wordt de eiser betrokken in een procedure hangende tussen enerzijds de eigenaars van het naburige pand te Gent (S.-B.) en anderzijds de verweerder.

Deze procedure blijkt reeds bij dagvaarding van 19 juli 2004 door deze naburen tegen de verweerder te zijn ingesteld voor de vrederechter te Gent. De oorzaak betreft een verbroken afvoer in de (toenmalige) woning van de verweerder met inzonderheid waterschade tot gevolg in (de kelder van) de woning van de naburen.

Bij tussenvonnis van 1 september 2004 stelt de vrederechter deskundige D. aan.

Bij tussenvonnis van 23 maart 2005 stelt de vrederechter deskundige V. aan in vervanging van deskundige D.

Op 17 mei 2005 vindt een installatievergadering (ter plaatse) plaats, waarbij de verweerder aanwezig is.

Na deze vergadering verhuist de verweerder zonder (op behoorlijke wijze) zijn nieuwe adres kenbaar te maken, zodat, zij het door zijn eigen nalatigheid, het verdere verloop van voormelde procedure hem zou zijn ontgaan. Hoe dan ook blijkt van het nieuwe adres van de verweerder aan deskundige V. te zijn kennisgegeven, zodat deze laatste het voorverslag en het eindverslag op dit nieuwe adres toestuurde, zij het dat het voorverslag ongeopend naar de afzender terugkeerde.

Bij vonnis van 15 september 2010 veroordeelt de vrederechter de eiser tot uitvoering van een aantal herstellings- en aanpassingswerken aan zijn woning teneinde de gebrekkige afvoer te verhelpen en de waterschade te doen ophouden, en dit onder verbeurte van een dwangsom. De vrederechter veroordeelt bovendien de eiser en de verweerder solidair tot betaling van een provisionele schadevergoeding aan de naburen ten bedrage van 15.414,45 euro, vermeerderd met de interesten en de gedingkosten.

Bij vonnis van 23 september 2011, gewezen na hoger beroep van de verweerder, bevestigt de negende kamer van deze rechtbank in essentie het voormelde vonnis van de vrederechter.

3. In navolging van voormelde vonnissen ontvangt de eiser op 7 september 2011 via een gerechtsdeurwaarder een afrekening ten bedrage van 107.999,04 euro, waarin ook een aantal verbeurde dwangsommen zijn begrepen. Hoewel de vereiste herstellings- en aanpassingswerken binnen acht dagen na de betekening op 8 oktober 2010 van het voormelde (voorlopig uitvoerbare) vonnis van 15 september 2010 dienden plaats te hebben, gebeurde een en ander blijkbaar pas in september 2011. Om die reden van laattijdige herstelling en aanpassing zijn dwangsommen verbeurd, en dit a rato van 250 euro per dag vertraging.

Uiteindelijk, op 21 september 2011, komen de eiser en de naburen tot een dading krachtens welke de eiser aan de naburen tot slot van alle rekeningen een bedrag van 60.000 euro voldoet.

III. Vordering

1. De bij dagvaarding van 2 december 2011 ingestelde en verder bij conclusie uitgewerkte vordering van de eiser strekt ertoe te doen zeggen voor recht dat voormelde verkoopovereenkomst van 9 augustus 2005 is aangetast door incidenteel bedrog van de verweerder en bijgevolg de verweerder te doen veroordelen om aan de eiser te betalen een schadevergoeding ten bedrage van 60.000 euro.

2. De verweerder neemt conclusie tot afwijzing van deze vordering.

IV. Beoordeling

1. Met de eiser is de rechtbank van oordeel dat de verweerder bij de verkoop van zijn woning medio 2005 bewust, opzettelijk en zodoende bedrieglijk de alsdan hangende perikelen en procedure met de naburen heeft verzwegen. In de gegeven omstandigheden, waarbij de verweerder nog aanwezig was op de installatievergadering en het plaatsbezoek van 17 mei 2005, kon en diende hij zonder twijfel bij de verkoop die korte tijd nadien plaatsvond, van de hangende perikelen en procedure met de naburen melding te maken, terwijl hij dit bewust, opzettelijk en zodoende bedrieglijk heeft nagelaten. Door bedrieglijk het stilzwijgen te bewaren heeft de verweerder een kunstgreep aangewend om de eiser te doen contracteren. Het gaat niet om een louter stilzwijgen, maar om een bedrieglijk verzwijgen. De verweerder was te kwader trouw. Bedrog in de zin van art. 1116 BW is aan de orde.

Hij verweert zich thans (eens te meer) vergeefs dat hij zich van geen kwaad bewust zou zijn geweest... Voormelde (eind)vonnissen van 15 september 2010 en 23 september 2011 zouden plotsklaps uit de lucht zijn komen gevallen...

Dat de verweerder in de loop van de procedure met de naburen zeer nalatig is geweest (en dientengevolge van een en ander niet prompt op de hoogte), is zijn probleem. Dat hij hier en daar verstek heeft gelaten en later is verhuisd zonder (op behoorlijke wijze) zijn nieuwe adres kenbaar te maken, kan hij evenmin in andermans schoenen schuiven. Punt is dat hij hoe dan ook bij de verkoop medio 2005 duidelijk op de hoogte was van de hangende perikelen en procedure met de naburen en dat hij deze doelbewust heeft verzwegen. Het tussenvonnis van 1 september 2004 werd (op 8 oktober 2004) betekend aan de persoon van de echtgenote van de verweerder. En, zoals aangegeven, was hij aanwezig op de installatievergadering en het plaatsbezoek van 17 mei 2005 kort vóór de verkoop. Hij was dus zeer zeker op de hoogte.

Dat hij, zoals hij thans aangeeft, na deze installatievergadering en dit plaatsbezoek zou hebben kunnen aannemen “dat de kous af was”, is niet geloofwaardig. Hij kende wel degelijk het belang van een ander vóór de eiser als koper van de geviseerde woning.

2. In zoverre de eiser aanvoert dat hij, indien hij ten tijde van de verkoop op de hoogte was geweest van de hangende perikelen en procedure met de naburen, tegen minder bezwarende voorwaarden (inzonderheid een lagere prijs) zou hebben gecontracteerd, maakt hij terecht gewag van incidenteel (of bijkomend) bedrog.

3. De vraag rijst naar de omvang van de schadevergoeding waarop de eiser ingevolge het incidenteel bedrog van de verweerder aanspraak kan maken.

De eiser moet inzien dat hij noch het gegeven van de opgelopen dwangsommen (die in voormelde afrekening van 7 september 2011 ten bedrage van 107.999,04 euro zijn begrepen) noch het gegeven van de dading van 21 september 2011 ten bedrage van 60.000 euro als zodanig en zodoende rechtstreeks kan doorrekenen aan de verweerder.

De schade die de eiser wel kan doorrekenen, is die welke hij, los van enig persoonlijk toedoen, zoals het laten verstrijken van enige tijd na de dwangsomveroordeling tot een aantal herstellings- en aanpassingswerken aan zijn woning teneinde de gebrekkige afvoer te verhelpen en de waterschade te doen ophouden, noodzakelijk heeft moeten dragen (door middel van een vergoeding aan de naburen) wegens de hem door de verweerder bedrieglijk verzwegen hangende perikelen en procedure met de naburen. Het betreft de volgende posten:

– de opgelegde en doorgevoerde herstellings- en aanpassingswerken aan de woning van de eiser teneinde de gebrekkige afvoer te verhelpen en de waterschade te doen ophouden ten bedrage van 2.908,25 euro;

– de schadevergoeding aan de naburen ten bedrage van 15.414,45 euro, vermeerderd met de interesten ten bedrage van 6.675,41 euro en gerechtskosten ten bedrage van 3.584,68 euro;

– de huurderving van de naburen in de periode vanaf februari 2010 tot en met oktober 2010, dit zijn 8 maanden x 347,65 = 2.781,20 euro.

Het gaat derhalve om 2.908,25 + 15.414,45 + 6.675,41 + 3.584,68 + 2.781,20 = 31.363,99 euro.

Wat de factuur van 12 september 2011 betreft ten bedrage van 2.908,25 euro wegens de vereiste herstellings- en aanpassingswerken, zijn, anders dan de verweerder wil voordoen, wel degelijk alle posten ten laste van de verweerder.

Wat betreft de interesten op het bedrag van 15.414,45 euro (overeenkomstig de veroordeling in het vonnis van 15 september 2010, te berekenen vanaf 1 juni 2004), komt de eiser (blijkbaar) tot een bedrag van 7.918,11 euro. Hij kan echter deze interestberekening niet afdoende preciseren, terwijl de verweerder komt tot een bedrag van 6.675,41 euro. De verweerder rekent daarbij tot 2 december 2011, dit is de datum van de dagvaarding tot onderhavige procedure. De rechtbank richt zich derhalve naar de berekening van de verweerder.

Wat betreft de huurderving (na het vertrek van de huurders op 31 januari 2010 en zodoende vanaf februari 2010), moet de eiser inzien dat hij deze bezwaarlijk aan de verweerder kan doorrekenen voor een periode die volgt op de maand oktober 2010. Hoewel, zoals aangegeven, de vereiste herstellings- en aanpassingswerken binnen acht dagen na de betekening op 8 oktober 2010 van het voormelde voorlopig uitvoerbaar vonnis van 15 september 2010 dienden plaats te hebben, gebeurde een en ander blijkbaar pas in september 2011.

Anders dan de verweerder doet, zijn voormelde posten niet met elkaar te vereenzelvigen en zijn zij uiteindelijk te zijnen laste. Dat voormelde (eind)vonnissen van 15 september 2010 en 23 september 2011 voorzien in een solidaire veroordeling, doet daaraan geen afbreuk.

4. Bovenstaande redengeving maakt dat de rechtbank op de vordering van de eiser ingaat in die zin dat zij:

– zegt voor recht dat voormelde verkoopovereenkomst van 9 augustus 2005 is aangetast door incidenteel bedrog van de verweerder;

– de verweerder veroordeelt om aan de eiser te betalen een schadevergoeding ten bedrage van 31.363,99 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interesten op 31.363,99 euro, verminderd met 6.675,41 euro = 24.688,58 euro aan de wettelijke interestvoet vanaf 2 december 2011 tot de datum van de algehele betaling.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/12/2014 - 22:45
Laatst aangepast op: wo, 07/02/2018 - 15:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.