-A +A

Inbreng van algemeenheid of bedrijfstak en verzetsmogelijkheid van belanghebbende derden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 30/05/2011

Wanneer een inbreng van een algemeenheid of van een bedrijfstak plaatsvindt impiceert zulks dat niet alleen de activa maar de ook passiva worden overgedragen. Bij een dergelijke overdracht dienen strikt de regels van artikel 760 tot 766 gevolgd.

Elke belanghebbende derde kan verzet aantekenen.

Maar een aandeelhouder die geen schuldeiser is, wordt niet aanzien als een belanghebbende derde

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
181
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

T.X., [ ... ] appellant, [...]
tegen
1. Croenen & Carlier N.V., [...] eerste geïntimeerde, [ ...]
2. Fertagro Handling N.V., [...] tweede geïntimeerde, [ ...]
3. Fertagro Trading N.V., [...] derde geïntimeerde,

[ ...] Antecedenten

I.
A.
De zaak is voor de eerste rechter ingeleid met dagvaarding van 30 juli 2007, waarbij T.X. vordert dat voor recht wordt gezegd dat “de inbreng van de bedrijfstak door de NV CROENEN & CARLIER in de NV FERTAGRO HANDLING en de NV FERTAGRO TRADING [hem] niet-tegenwerpelijk “ is.
De vordering van T.X. blijft lopende de procedure voor de eerste rechter ongewijzigd.

B.
Voor de feitelijke achtergrond alsook de respectieve standpunten van de partijen zij er volledig verwezen naar wat de eerste rechter dienomtrent op correcte wijze heeft weergegeven in het bestreden vonnis blz. 2, 3-en 4 onder:“2. Korte schets van de feiten en het standpunt van de partijen”.

II.
De eerste rechter verklaart de vordering ontvankelijk voor zover gesteund op artikel 769 W. Venn. doch ongegrond.
In zoverre gesteund op artikel 523 W. Venn. (belangenconflict) verklaart de eerste rechter de vordering van T.X. niet ontvankelijk.
Hij veroordeelt T.X. tot de gerechtskosten.

III.
A.
De appellant vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en verder dat het hof voor recht zou zeggen dat “de inbrengen van de bedrijfstakken door de NV Croenen & Carlier in de NV Fertagro Handling en de NV Fertagro Trading [hem] niet-tegenwerpelijk zijn”.
Hij vraagt verder “in ondergeschikte orde en alvorens ten gronde recht te doen, te zeggen voor recht dat de waardering van de ingebrachte bestanddelen niet strookt met de economische realiteit”.

B.
De NV Croenen & Carlier vraagt de afwijzing van het hoofdberoep als onontvankelijk minstens als ongegrond.
Bij incidenteel beroep vraagt de NV Croenen & Carlier de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de appellant als onontvankelijk.

C.
De NV Fertagro Handling en de NV Fertagro
Trading vragen de afwijzing van het hoofdberoep als ongegrond.
In de motivering van hun besluiten kan gelezen worden dat zij eigenlijk ook een incidenteel beroep formuleren tot afwijzing van de vordering van de appellant als onontvankelijk.

Beoordeling
I.
A. De appellant blijft zijn vordering stoelen op artikel 769 W. Venn. Het blijkt niet dat hij in de voorliggende appèlprocedure zijn vordering anderzijds ook nog zou steunen op artikel 523 § 2 W. Venn. (belangenconflict).
B.
De eerste rechter heeft overigens terecht de vordering, in zoverre gestoeld op artikel 523 § 2 W. Venn. afgewezen.

C.
Artikel 569 W. Venn. luidt als volgt:
“ledere belanghebbende derde kan zich beroepen op de niet-tegenwerpelijkheid van de gevolgen van de inbreng gedaan in strijd met de artikelen 760 tot 762 en 764 tot 766.”
De appellant is vennoot doch geen schuldeiser van de NV Croenen & Carlier.
Deze vennootschap heeft einde 2006 inbrengen verricht in de NV Fertagro Handling respectievelijk in de NV Fertagro Trading. Hiervan houdt de appellant voor dat deze inbrengen ‘de facto’ neerkomen op de inbreng van een algemeenheid, waaromtrent de bepalingen van de wet niet zijn gevolgd (vnl. artikel 761 W. Venn. § 1: het houden van een algemene vergadering van de vennootschap die de inbreng van een algemeenheid doet).

II.
A.
De geïntimeerden betwisten dat de appellant die geen schuldeiser is en louter vennoot is, “belanghebbende derde” is in de zin van artikel 76 W. Venn.
De eerste rechter neemt aan dat de wetgever met iedere belanghebbende derde, niet enkel en alleen de bestaande en toekomstige schuldeisers van de inbrengende vennootschap bedoelt, maar ook eventueel de vennoten, zoals de appellant.

B.
Het hof is van oordeel dat onder “iedere belanghebbende derde” zoals opgenomen in artikel 769 W. Venn. niet een persoon kan worden begrepen die gewoon vennoot is van de inbrengende vennootschap.

a.
Artikel 763 W. Venn. schrijft dat de inbreng van een algemeenheid van rechtswege tot gevolg heeft dat het geheel van de activa en de passiva van de vennootschap die de inbreng heeft gedaan, wordt overgedragen aan de verkrijgende vennootschap. De inbreng van een bedrijfstak heeft volgens hetzelfde artikel van rechtswege tot gevolg dat de daaraan verbonden activa en passiva worden overgedragen aan de verkrijgende vennootschap.

Artikel 769 W. Venn. heeft het over een sanctie van “de niet-tegenwerpelijkheid van de gevolgen van de inbreng”.
De niet-tegenwerpelijkheid is per definitie beperkt tot één dan wel een beperkt aantal personen en tast de “werkelijkheid” van de transactie tussen de betrokken partijen (de inbrengende vennootschap en de verkrijgende vennootschap) niet aan (toepassing artikel 763 W. Venn.) – (zie ook: R.Feltkamp, De overdracht van schuldvorderingen..., Intersentia 2005, nr. 999, blz. 907).

b.
Wanneer – bij hypothese – een yennoot succesvol zou zijn in zijn vordering tot niet-tegenwerpelijkheid van en door zijn vennootschap verrichte inbreng, zou dit als gevolg hebben dat er, naargelang van de persoon van de vennoot, sprake zou zijn van een vennootschap waarvan de activa en passiva er anders uitzien.
Ten opzichte van de vennoot die succesvol zijn vordering zou hebben ingesteld, zou er een jaarrekening moeten zijn die geen rekening houdt met de gelaakte inbrengen en ten opzichte van de overige vennoten zou er een jaarrekening van toepassing zijn die wéhrekening houdt met de gelaakte in-brengen.

De waarde van een aandeel van de ene zou anders zijn dan de waarde van een aandeel van de andere...

Tussen de vennoten en hun vennootschap is er een soort “onsplitsbaarheid”: ten opzichte van alle vennoten is er slechts één vennootschap, met dezelfde activa en passiva.

c.
Artikel 769 W. Venn. kan als “belangh ebbende-derde” nimmer de persoon bedoeld hebben die louter vennoot is van de vennootschap.

C.
De vennoot is als vennoot geen derde ten opzichte van de vennootschap waarvan hij aandeelhouder is.

Ten aanzien van de vennootschap en de bestuurders beschikt de vennoot over talrijke specifieke vorderingsmogelijkheden die alle nauwkeurig worden omschreven in het Wetboek van Vennootschappen.
Soms zal ook een derde over een gelijklopend of gelijkaardig vorderingsrecht beschikken, maar dit zal niet steeds het geval zijn.
Zeer vaak worden de vorderingsmogelijkheden aan de vennoot verleend, precies wegens zijn concrete hoedanigheid van vennoot. De vennoot is niet zomaar een gewone derde.
Te dezen kan verwezen worden naar K.Geens en M.Wyckaert, Verenigingen en Vennootschappen, Deel II De Vennootschap, A. Algemeen Deel, Wolters Kluwer Belgium 2011 (Beginselen van Belgisch Privaatrecht, IV), waarin voortdurend een onderscheid wordt aangehouden tussen de aandeelhouder/vennoot c.q. de derde (zie blz. 68 e.v., nr. 43 e.v.).

D.
De regeling van artikel 769 W. Venn. is bij
uitstek bestemd tot de bescherming van
schuldeisers, zoals het in de rechtsleer ook telkens wordt omschreven (zie o.m. J.Lievens, De Reparatiewet Vennootschapsrecht, Een commentaar bij de wet van 13 april 1995, Mys & Breesch, blz. 157; F.Bouckaert, Notarieel Vennootschapsrecht, Kluwer 2000, blz. 1109-1110, nr. 20.36; K.Selleslags, Inbreng en overdracht van bedrijfstak en algemeenheid – Aspecten van vennootschapsrecht, Larcier, blz. 185 e.v., nrs. 305 e.v.).
Binnen artikel 769 W. Venn. is de vennoot ‘als vennoot’ hoegenaamd niet aan de orde.

E.
Waar de appellant “slechts” vennoot is en geen schuldeiser, is hij niet de “belanghebbende derde” in de zin van artikel 769 W. Venn. en beschikt hij bijgevolg niet over het aldaar omschreven vorderingsrecht.
De appellant had wél een wettig belang in de zin van art. 17 Ger.W.
Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden (J.Laenens, K.Broeckx en D.Scheers, Handboek gerechtelijk recht, nr. 131, p. 84).

De appellant mocht bij het instellen van zijn vordering minstens een moreel voordeel verwachten in zijn poging om de door hem gelaakte inbrengen terug te draaien.
Of hij daadwerkelijk aanspraak kan maken op het gevorderde, betreft niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid van de vordering, maar de gegrondheid ervan.
Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering van de appellant als niet gegrond moet worden afgewezen, zoals de eerste rechter het eveneens heeft afgewezen, doch op andere gronden.
[ ... I
OM DEZE REDENEN, HET HOF,
[ ... I
Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond;
Verklaart de incidenteel hoger beroepen ontvankelijk doch ongegrond;
Bevestigt het bestreden vonnis, zij het op andere gronden.
[ ... I

Noot onder dit arrest gepubliceerd onder de publicatie van het arrest in het NJW: Inbreng van bedrijfstak. Het begrip ‘belanghebbende derde’.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 31/03/2012 - 11:56
Laatst aangepast op: za, 31/03/2012 - 11:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.