-A +A

Hypotheek voor alle sommen na gewijzigde kredietrelatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 19/11/2013

Ingevolge de wet van 13 april 1995 werd de rechtsgeldigheid van de hypotheek «alle sommen» erkend op voorwaarde dat de gewaarborgde schuldvorderingen bepaald of bepaalbaar zijn op het ogenblik van de hypotheekstelling.

Het stellen van een (zakelijke) zekerheid en de gevolgen ervan dienen beoordeeld in het kader van de finaliteit waarin ze werden gesteld.

Zo slaat de zekerheid voor alle sommen tijdens het huwelijk door beide echtgenoten voor een gemeenschappelijke commerciële onderneming op een kredietrelatie die gesteund is op het gegeven van een huwelijk enerzijds en de participatie, minstens volledige informatie over de onderneming anderzijds.

Wanneer na de echtscheiding de vrouw geen enkel contact meer met de onderneming heeft en de bank toch nieuwe kredieten verleent aan de onderneming die verder geleid wordt door de man, kan de destijds gegeven zekerheid voor alle sommen niet meer tegen de vrouw worden aangewend. 

De vroegere wetgeving op de hypothecaire kredietverlening werd sinds 29/04/2014 opgenomen in het WER (wetboek van economisch recht)
Deze wetgeving zal uitwerking hebben vanaf 1 december 2016. 



Voor een rechtstreekse link naar de relevante bepalingen in het WER klik hier

Voor een rechtstreekse link naar het integrale zeer omvangrijke WER klik hier
Rechtsleer:
• A. Cuypers, «De hypotheek voor toekomstige schuldvorderingen», T. Not., 1995, 322 e.v.; I. Moreau-Margreve, «L‘hypothèque pour toutes sommes», J.T., 1996, 181 e.v.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
312
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D. t/ NV B.P.F.

...

II. Litigieuze tenuitvoerlegging

1. Bij beschikking van 7 maart 2013 benoemt de beslagrechter, met toepassing van art. 1580 Ger.W., notaris E. met het oog op de openbare verkoop van:

– de handelswoning te (...);

– de woning en tuin te (...).

Deze onroerende goederen behoorden, gelet op notariële aankoopakten van respectievelijk 24 februari 2003 en 27 december 2000 met bijhorende hypothecaire woningkredietakten, in onverdeeldheid toe aan het echtpaar S.-D.

Medio 2010 zijn zij door onderlinge toestemming uit de echt gescheiden. Het echtscheidingsvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk van 17 juni 2010 is overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 2 augustus 2010.

Na de echtscheiding heeft S. bij notariële verdelingsakte van 13 augustus 2010, het onverdeelde aandeel van de eiseres in de handelswoning overgenomen. In diezelfde context heeft de eiseres (met een opleg) het onverdeelde aandeel van S. in de woning en tuin overgenomen.

Ten tijde van de litigieuze tenuitvoerlegging behoort derhalve de handelswoning exclusief toe aan S. (die de bijhorende hypothecaire kredietakte heeft overgenomen), terwijl de woning en tuin exclusief toebehoren aan de eiseres (die op haar beurt de bijhorende hypothecaire woningkredietakte heeft overgenomen).

2. Voormelde beschikking van 7 maart 2013 werd genomen nadat de verweerster:

– bij gerechtsdeurwaardersexploten van 16-17 oktober 2012, in uitvoering van de notariële hypothecaire kredietakten van 24 februari 2003 en 8 september 2011, laat overgaan tot betekening aan de kredietschuldenaar van een bevel tot betalen voorafgaandelijk aan uitvoerend beslag op onroerend goed (art. 1564 Ger.W.) met aanmaning aan de eiseres en S. als zakelijke zekerheidsstellers/derde-eigenaars (art. 99 Hyp.W.);

– bij gerechtsdeurwaardersexploot van 26 november 2012, in uitvoering van dezelfde notariële hypothecaire kredietakten, ten laste van de eiseres, laat overgaan tot uitvoerend beslag op haar woning en tuin;

– bij gerechtsdeurwaardersexploot van 13 februari 2013, in uitvoering van dezelfde notariële hypothecaire kredietakten, ten laste van S., laat overgaan tot uitvoerend beslag op zijn handelswoning.

De bedoelde kredietschuldenaar is de BVBA E. Zij is bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Gent van 9 mei 2012 failliet verklaard. De verweerster heeft aangifte van schuldvordering gedaan bij aangetekende brief van 30 mei 2012. De bedoelde kredietakte zijn professioneel en derhalve andere dan voormelde woningkredietakten, die een privaat karakter hebben.

Bij kredietakte van 24 februari 2003 staat de verweerster aan de BVBA E. een kredietopening toe ten bedrage van 136.328,70 euro. Die kredietopening is bruikbaar door middel van een eensdeels kaskrediet ten bedrage van 49.578,70 euro en anderdeels een investeringskrediet ten bedrage van 86.750 euro. De (toenmalige) echtgenoten S.-D. verschaffen daarbij als zakelijke zekerheidsstellers/derde-eigenaars een hypothecaire waarborg op voormelde (alsdan nog onverdeelde) onroerende goederen ten belope van 109.059,50 euro in hoofdsom (met toebehoren en interesten). Het gaat om een hypothecaire waarborg in tweede rang, gelet op de reeds verleende woningkredietwaarborg in eerste rang.

Bij kredietakte van 8 september 2011 staat de verweerster aan de BVBA E. een gewijzigde kredietopening toe. Die kredietopening is bruikbaar door middel van (1) een (eerste) investeringskrediet ten bedrage van 52.028,46 euro; (2) garanties ten bedrage van 37.500,00 euro; (3) een (tweede) investeringskrediet ten bedrage van 85.000 euro en (4) een gemengd krediet ten bedrage van 250.000 euro (bruikbaar door middel van een kaskrediet ten bedrage van 50.000 euro en voorschotten op vaste termijn of zogeheten “straight loans” ten bedrage van 200.000 euro). S. verschaft daarbij als zakelijke zekerheidssteller/derde-eigenaar een bijkomende hypothecaire waarborg op zijn handelswoning ten belope van 220.000 euro in hoofdsom (met toebehoren en interesten). Het gaat om een hypothecaire waarborg in derde rang, gelet op de reeds verleende woningkredietwaarborg in eerste rang en de reeds verleende professionele kredietwaarborg in tweede rang.

III. Vordering

1. Bij dagvaarding van 23 april 2013 en voorts bij conclusie verzet de eiseres zich tegen voormelde tenuitvoerlegging, althans in zoverre het voorwerp ervan slaat op haar woning en tuin. Zij wil in essentie doen zeggen voor recht dat de tenuitvoerlegging (door middel van het bevel tot betalen met aanmaning aan de eiseres als zakelijke zekerheidssteller/derde-eigenaar, het beslag en de beschikking van 7 maart 2013) een nietig dan wel onrechtmatig karakter vertoont.

...

2. De verweerster neemt conclusie tot afwijzing van deze vordering.

IV. Beoordeling

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploten van 25/26 maart 2013 laat de verweerster overgaan tot betekening van voormelde beschikking van 7 maart 2013.

Het bij dagvaarding van 23 april 2013 ingestelde (derden)verzet is tijdig (art. 1034 en 1419 Ger.W.) en naar de vorm regelmatig.

2. Het verzet is bovendien gegrond. Met de eiseres is de beslagrechter van oordeel dat de verweerster, gelet op de kredietakte van 8 september 2011 en haar context, het ontslag van de eiseres als zakelijke zekerheidssteller/derde-eigenaar van haar woning en tuin heeft aangenomen, zodat het voorwerp van voormelde tenuitvoerlegging bezwaarlijk nog kan slaan op deze woning en tuin.

3. Centrale punten zijn inderdaad, samengevat, dat:

– de eiseres, ten tijde van de kredietakte van 24 februari 2003, ten belope van 49% aandeelhouder was en bovendien zaakvoerder van de BVBA E.;

– de eiseres alsdan gehuwd was met S., die ten belope van 51% aandeelhouder was en bovendien statutair zaakvoerder van de BVBA E.;

– de bedoelde zakelijke zekerheidsstelling met betrekking tot de alsdan tussen het echtpaar S.-D. onverdeelde woning en tuin kadert binnen hun huwelijksrelatie en hun professionele samenwerking in het raam van de BVBA E.;

– de bedoelde hypotheekstelling “voor alle sommen” of zogeheten “recycleerbare omnibus bankhypotheek”, die formeel in orde is, wat betreft de wil en de specialiteit en derhalve materieel, dan ook in die context moet worden gezien;

– de eiseres in het raam van de echtscheiding door onderlinge toestemming medio 2010 haar aandelen in de BVBA E. aan S. heeft overgedragen;

– de eiseres eerder als zaakvoerder van de BVBA E. ontslag heeft genomen per 30 juni 2009;

– de eiseres, na de echtscheiding, bij een notariële verdelingsakte van 13 augustus 2010, (met een opleg) het onverdeelde aandeel van S. in de woning en tuin heeft overgenomen (terwijl S. op zijn beurt het onverdeelde aandeel van de eiseres in de handelswoning heeft overgenomen);

– de eiseres en S. in de verdelingsakte van 13 augustus 2010 overeenkomen dat de eiseres met haar woning en tuin enkel nog kan worden aangesproken voor het bijhorende woningkrediet, terwijl S. met zijn handelswoning verder instaat voor het bijhorende woningkrediet en de professionele kredieten;

– S. zodoende, na de echtscheiding en aangezien de eiseres geen enkele binding meer heeft met de BVBA E., alleen de hypothecaire kredietakte van 8 september 2011 onderschrijft (als zaakvoerder);

– deze kredietakte, in de lijn van de kredietbrief van 23 augustus 2011/6 september 2011, een gewijzigde kredietopening omvat en aldus in extenso alle op dat ogenblik geldende gebruiksvormen en hun modaliteiten weergeeft;

– deze (gewijzigde en geactualiseerde) kredietopening zodoende bruikbaar is door middel van (1) een investeringskrediet ten bedrage van 52.028,46 euro; (2) garanties ten bedrage van 37.500 euro; (3) een investeringskrediet ten bedrage van 85.000 euro en (4) een gemengd krediet ten bedrage van 250.000 euro (bruikbaar door middel van een kaskrediet ten bedrage van 50.000 euro en voorschotten op vaste termijn of zogeheten “straight loans” ten bedrage van 200.000 euro);

– S. daarbij als zakelijke zekerheidssteller/derde-eigenaar een bijkomende hypothecaire waarborg op zijn handelswoning verschaft (in derde rang, gelet op de reeds verleende woningkredietwaarborg in eerste rang en de reeds verleende professionele kredietwaarborg in tweede rang) ten belope van 220.000 euro in hoofdsom (met toebehoren en interesten);

– de aldus uitgebreide hypothecaire waarborg op de handelswoning van S. maakt dat, wat de professionele kredieten betreft, geen hypothecaire waarborg op de woning en tuin van de eiseres meer geldt;

– de verweerster zodoende, met kennis van zaken, de kredietakte van 8 september 2011 heeft opgesteld met inachtneming van het gegeven van de echtscheiding en van het gegeven dat de eiseres geen enkele binding meer heeft met de BVBA E.;

– de verweerster, zoals de eiseres aanvoert, dan ook effectief met de bedoelde “desolidarisatie” heeft ingestemd, niet alleen wat de woningkredietakten betreft, maar evengoed wat de professionele kredieten betreft.

De oorzaak van voormelde tenuitvoerlegging behelst de in de lijn van de kredietbrief van 23 augustus 2011/6 september 2011 gewijzigde en geactualiseerde kredietopening. Elementen daarvan, die (mede) onder de hypothecaire waarborg op de handelswoning van S. vallen, zijn verder terug te vinden in de aangifte van schuldvordering van de verweerster (t.a.v. de gefailleerde BVBA E.) bij aangetekende brief van 30 mei 2012.

De eiseres argumenteert terecht dat zij, gelet op het gegeven dat zij ten tijde van de gewijzigde kredietopening geen enkele binding meer heeft met de BVBA E., geen zicht en controle heeft op het detail van de bedoelde nog openstaande saldi. Hoewel zij dienaangaande vragen heeft en blijft hebben, wil de verweerster die vaag uit de weg gaan.

Het betreft, benevens een aantal kredieten op afbetaling, inzonderheid (1) het (eerste) investeringskrediet; (2) de garanties; (3) het (tweede) investeringskrediet en (4) het gemengde krediet (bruikbaar door middel van een kaskrediet en voorschotten op vaste termijn of zogeheten “straight loans”).

Het eerste investeringskrediet (b) en een kaskrediet bruikbaar via de rekening (a) vloeien voort uit een kredietbrief van 5/24 februari 2003, onderschreven door de (toenmalige) echtgenoten S.-D. (als zaakvoerders). De bedoelde garanties en het gemengde krediet (bruikbaar door middel van een kaskrediet en voorschotten op vaste termijn of zogeheten “straight loans”) vloeien voort uit een kredietbrief van 17/30 april 2007, onderschreven door de (toenmalige) echtgenoten S.-D. (als zaakvoerders). De kredietbrief van 17/30 april 2007 wijzigt de gebruiksvormen van de geldende kredietopening.

Het tweede investeringskrediet (c) vloeit voort uit de kredietbrief van 23 augustus 2011/6 september 2011, enkel onderschreven door S. (als zaakvoerder). De kredietbrief van 23 augustus 2011/6 september 2011 wijzigt eens te meer de gebruiksvormen van de geldende kredietopening.

Anders dan de eiseres wil voordoen, zijn niet alleen de kaskredieten maar evengoed de voorschotten op vaste termijn of zogeheten “straight loans” bruikbaar via de rekening (a). Wat die laatste betreft, bepaalt de kredietbrief van 17/30 april 2007 uitdrukkelijk dat “vanaf de vervaldag van de voorschotten, de boeking van het verschuldigde saldo zal gebeuren op de rekening (a)”. Op die manier kunnen derhalve (1) de oorzaak van voormelde tenuitvoerlegging en (2) de aangifte van schuldvordering van de verweerster (t.a.v. de gefailleerde BVBA E.) van 30 mei 2012 slaan op bedragen van respectievelijk (1) 244.273,11 euro en (2) 259.631,23 euro (telkens met verder voorbehoud). Zij moeten niet beperkt worden tot de saldi van de kaskredieten.

In zoverre de verweerster bij voormelde tenuitvoerlegging teruggrijpt naar de kredietakte van 24 februari 2003 en de daarin bedoelde hypotheekstelling “voor alle sommen”, is deze weliswaar formeel in orde. Zij kan wel degelijk, tot een bepaald plafond, andere en toekomstige (krediet)verhoudingen omvatten.

Niettemin moet de hypotheekstelling materieel worden gezien in het licht van de wil en de specialiteit die eraan ten grondslag liggen: de bedoelde zakelijke zekerheidsstelling met betrekking tot de alsdan tussen het echtpaar S.-D. onverdeelde woning en tuin kadert binnen hun huwelijksrelatie en hun professionele samenwerking in het raam van de BVBA E.

Die beide (samenhangende) gegevens hebben een substantiële wijziging ondergaan ten tijde van de kredietakte van 8 september 2011. Alsdan wijzigt de kredietopening, die verder geldt in de enkele verhouding tussen de verweerster als kredietschuldeiser en de enkel nog door S. geleide BVBA E. als kredietschuldenaar. De aldus, in de lijn van de kredietbrief van 23 augustus 2011/6 september 2011, gewijzigde en geactualiseerde kredietopening omvat in extenso alle op dat ogenblik geldende gebruiksvormen en hun modaliteiten. S. verschaft daarbij als zakelijke zekerheidssteller/derde-eigenaar een bijkomende hypothecaire waarborg op zijn handelswoning (in derde rang, gelet op de reeds verleende woningkredietwaarborg in eerste rang en de reeds verleende professionele kredietwaarborg in tweede rang) ten belope van 220.000 euro in hoofdsom (met toebehoren en interesten). De wil en de specialiteit die aan de kredietakte van 24 februari 2003 ten grondslag liggen en, in diezelfde optiek, de redelijke voorzienbaarheid van haar draagwijdte, maken dat zij, gelet op de gewijzigde contextuele gegevens, niet meer kan dienen voor de litigieuze tenuitvoerlegging ten laste van de eiseres op haar woning en tuin. De in de gewijzigde context onderschreven kredietbrief van 23 augustus 2011/6 september 2011 en kredietakte van 8 september 2011 vormen daarvan de bevestiging. De kredietakte van 8 september 2011 kan evenmin dienen voor de litigieuze tenuitvoerlegging ten laste van de eiseres op haar woning en tuin. De verweerster kan derhalve, bij de tenuitvoerlegging ten laste van de eiseres op haar woning en tuin, bezwaarlijk in abstracto teruggrijpen naar formele (gestandaardiseerde) passussen van de kredietakte van 24 februari 2003 en/of de kredietbrief van 23 augustus 2011/6 september 2011, zonder in concreto de gewijzigde contextuele gegevens en haar gewijzigde kredietverhouding met de enkel nog door S. geleide BVBA E. te valideren. Welnu, de wil en de specialiteit die aan de kredietakte van 24 februari 2003 ten grondslag liggen, omvatten geenszins deze als zou de eiseres (als zakelijke zekerheidssteller/derde-eigenaar) kunnen blijven worden aangesproken over de grenzen heen van haar huwelijksrelatie met S. en hun professionele samenwerking in het raam van de BVBA E.

Het wel degelijk tot die huwelijksrelatie en professionele samenwerking gelimiteerde engagement van de eiseres vindt bevestiging in de kredietbrief van 23 augustus 2011/6 september 2011 en de kredietakte van 8 september 2011. Als de verweerster de gewijzigde contextuele gegevens wil afdoen als een res inter alios acta, gaat zij dan ook zeer kort door de bocht. Zij is met kennis van zaken partij bij de kredietbrief van 23 augustus/6 september 2011 en de kredietakte van 8 september 2011.

Een opzegging van de kredietakte/hypothecaire waarborg van 24 februari 2003 (die geldt voor onbepaalde duur) is daarbij niet aan de orde en hoeft, gelet op de kredietakte van 8 september 2011, overigens niet aan de orde te zijn. Een doorhaling van de hypotheek op de woning en de tuin van de eiseres is evenmin doorslaggevend; zij zou niet meer dan de formele bekrachtiging zijn van de sowieso niet meer geldende hypothecaire waarborg. De hypothecaire waarborg van 24 februari 2003 is in de gegeven omstandigheden komen te vervallen.

Het was derhalve uit den boze om, wars van de wil en de specialiteit die aan de kredietakte van 24 februari 2003 ten grondslag liggen, in 2012, na de echtscheiding en de beëindiging van de band tussen de eiseres en de BVBA E., uit te voeren ten laste van de eiseres op haar woning en tuin. Dit was zeker het geval omdat de oorzaak van de litigieuze tenuitvoerlegging slaat op de gewijzigde en geactualiseerde kredietopening, die is tot stand gekomen na de echtscheiding en de beëindiging van de band tussen de eiseres en de BVBA E. De eiseres had geen enkele greep (meer) op de gewijzigde kredietopening en de verdere concretisering ervan en evenmin op de (aanrekening van) betalingen. Zij heeft ze niet onderschreven en evenmin verder gewaarborgd.

De eiseres heeft blijkbaar ook geen zicht op de (aanrekening van) betalingen via de (curator van de) gefailleerde BVBA E., terwijl de verweerster aangaande de bedoelde voorschotten op dividend tamelijk op de vlakte blijft.

4. Voormelde redengeving maakt dat de beslagrechter op de vordering van de eiseres ingaat (...).

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 19/10/2015 - 14:28
Laatst aangepast op: vr, 06/10/2017 - 15:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.