-A +A

Huiszoeking voorafgaande inlichting over vervolgingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 29/11/2016
A.R.: 
P.15.0704.N

Voor de regelmatigheid van de door een onderzoeksrechter zelf uitgevoerde huiszoeking volstaat het dat degene bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd, voldoende wordt ingelicht, zelfs mondeling, over de vervolgingen die aan de huiszoeking ten grondslag liggen. Hiertoe kan het, naar de omstandigheden van de zaak, volstaan dat hij op de hoogte wordt gesteld van de kwalificatie van de concrete feiten die aan de vervolgingen ten grondslag liggen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
543
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.15.0704.N

C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 april 2015.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van art. 8 EVRM en art. 17 IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter die een huiszoeking heeft uitgevoerd in eisers artsenpraktijk, door de eiser enkel kennis te geven van de misdrijfkwalificatie waarvoor het gerechtelijk onderzoek werd gevoerd, namelijk overtreding van de dopingwetgeving, de eiser voldoende heeft ingelicht over de vervolgingen die aan de huiszoeking ten grondslag lagen, zodat hij de wettigheid hiervan kon nagaan; aldus miskent het arrest eisers recht op eerbiediging van zijn woning en zijn privéleven; opdat degene bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd, controle zou kunnen uitoefenen op de correcte uitvoering van de huiszoeking, onder meer op de omvang ervan in het licht van de feiten waarop het onderzoek slaat, volstaat het immers niet dat hij in kennis wordt gesteld van de misdrijfkwalificatie waarop de vervolging betrekking heeft, maar is minstens een beknopte opgave vereist van de concrete feiten die aan de vervolging ten grondslag liggen.

2. Het arrest oordeelt niet dat het voor de regelmatigheid van de huiszoeking volstaat dat degene bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd, enkel wordt ingelicht over de misdrijfkwalificatie.

In zoverre het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.

3. Art. 8 EVRM bepaalt:

«1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

«2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.»

4. Art. 17 IVBPR bepaalt:

«1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam.

«2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.»

5. Het optreden van de onderzoeksrechter, die een onpartijdig en onafhankelijk magistraat is, is een waarborg voor de inachtneming van de voorwaarden waaraan een aantasting van het recht op eerbiediging van de woning en het privéleven, zoals gewaarborgd door de vermelde verdragsbepalingen, is onderworpen.

Voor de regelmatigheid van de door een onderzoeksrechter zelf uitgevoerde huiszoeking volstaat het dat degene bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd, voldoende wordt ingelicht, zelfs mondeling, over de vervolgingen die aan de huiszoeking ten grondslag liggen. Opdat de betrokkene voldoende wordt ingelicht, kan het naar de omstandigheden van de zaak volstaan dat hij op de hoogte wordt gesteld van de kwalificatie van de concrete feiten die aan de vervolgingen ten grondslag liggen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

6. De rechter oordeelt onaantastbaar of degene bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd, voldoende wordt ingelicht over de vervolgingen die aan de huiszoeking ten grondslag liggen, opdat zijn in de artt. 8 EVRM en 17 IVBPR bepaalde rechten zouden worden geëerbiedigd.

7. Met de in het middel aangehaalde redenen oordeelt het arrest onaantastbaar dat de eiser voldoende was ingelicht door de kennisgeving van de onderzoeksrechter dat de huiszoeking zou plaatsvinden in het kader van het gerechtelijk onderzoek betreffende overtreding van de dopingwetgeving. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van art. 8 EVRM en art. 17 IVBPR: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verweer dat in de persoon van de arts die door de onderzoeksrechter was aangeduid als waarnemer ter bescherming van eisers beroepsgeheim bij het doorzoeken van de bij hem in beslag genomen patiëntendossiers en bestanden, de schijn bestond dat hij niet onafhankelijk ten aanzien van de vervolgende instantie optrad en dat er legitieme twijfel bestond of die arts beschikte over de vereiste onafhankelijkheid om te waarborgen dat in het kader van het strafonderzoek geen kennis zou worden genomen van door het beroepsgeheim gedekte stukken; de betrokkene is immers coördinerend arts dopingcontroles bij de Nationale Antidopingorganisatie Vlaanderen; op grond van de redenen die het bevat, kan het arrest niet wettig oordelen dat de aanwezigheid van die arts bij het doorzoeken en selecteren van de vermelde gegevens een waarborg was voor de inachtneming van de voorwaarden waaraan een aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven, de woning en de briefwisseling moet voldoen.

9. Wanneer een arts, zoals hier, ervan verdacht wordt een misdrijf te hebben gepleegd in de uitoefening van zijn beroep en desbetreffend strafvervolging wordt ingesteld, verliezen de stukken die als bewijsmiddel van dat misdrijf in aanmerking kunnen komen, het vertrouwelijke karakter dat zij eventueel zouden kunnen bezitten. Aldus beletten noch het beroepsgeheim noch het recht op eerbiediging van het privéleven, de woning en de briefwisseling van die arts dat dergelijke stukken bij een huiszoeking in beslag worden genomen en verder worden onderzocht. De eerbiediging van dit geheim en die rechten vereist in dat geval wel dat een onafhankelijke waarnemer erop toeziet dat geen afbreuk wordt gedaan aan de vertrouwelijkheid van onder het beroepsgeheim vallende stukken in zoverre die niet in aanmerking lijken te komen als bewijsmiddel van het vervolgde misdrijf.

10. De rechter oordeelt onaantastbaar of de arts die optreedt als waarnemer ter bescherming van het beroepsgeheim van een inverdenkinggestelde arts bij het onderzoek van ten laste van deze laatste in beslag genomen stukken, al dan niet blijk geeft van een schijn van afhankelijkheid ten aanzien van de vervolgende instantie, die hem ongeschikt maakt om toe te zien op de eerbiediging van de vertrouwelijkheid van stukken die onder het beroepsgeheim vallen en geen bewijsmiddel van het onderzochte misdrijf lijken uit te maken. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

Het arrest oordeelt: «De omstandigheid dat dokter [..] verbonden is aan Nado Vlaanderen (zijnde de Nationale Antidopingorganisatie) neemt niet weg dat deze persoon volledig onafhankelijk is opgetreden. Hij werd door de onderzoeksrechter aangeduid om bijstand te verlenen wegens zijn deskundigheid in de materie van de dopingproducten en is geen voor wat [de eiser] betreft bevoegde vervolginstantie. Er is geen reden om te twijfelen aan zijn objectiviteit en onpartijdigheid. Geen enkel element van het strafdossier wijst er overigens op dat hij partijdig of zonder de vereiste objectiviteit zou zijn opgetreden.» Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de waarnemende arts geen blijk gaf van de door de eiser aangevoerde schijn van afhankelijkheid.

Het middel kan niet worden aangenomen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 28/11/2017 - 11:04
Laatst aangepast op: di, 28/11/2017 - 11:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.